V O O R W O O R D

Deze website is ontstaan uit een studie, getiteld “Het dichtwerk van Hella Haasse”. Een band met gedichten van Hella Haasse had Querido niet in de ‘volledige uitgave’ van haar werk opgenomen. Desgevraagd verklaarde de uitgever ook niet van plan te zijn dat alsnog te doen. Dat was een uitgelezen stimulans om het werk voort te zetten. Het meest noodzakelijk leek me vooreerst de voltooiing – voorzover mogelijk – van het overzicht van Haasse’s dichtwerk, alsmede de inventarisatie van dichtwerk dat als liedtekst of als libretto voor een groter werk gediend had. Wat de poëzie zelf betreft, de verzameling bleef groeien. De auteurs die verkondigen (sommigen nog steeds) dat Haasse na Stroomversnelling geen gedichten meer heeft geschreven bleken er wel erg naast te zitten.
   In dit stadium kreeg ik assistentie van Ellen Klomp-Brummel bij het doorzoeken van archieven, zoals het Haasse-archief in het Letterkundig Museum – nu Literatuur Museum – in den Haag. Maar toen ik de dochters van Hella inzage had gegeven in een ontwerp voor een publicatie, leidde dat ertoe “dat de rechthebbenden Haasse hebben besloten de nog ongeordende collectie tot nader order te sluiten voor alle onderzoekers met uitzondering van de biograaf Aleid Truijens”. Dat was nog niet zo’n ramp, maar aan de horizon begon het spook ‘citaatrechten’ op te doemen. Dichtwerk laat zich niet bespreken en in een context plaatsen als je er niet of nauwelijks uit mag citeren. Vergeleken met het rigide Nederlandse (lees Europese ; hebben we aan Brussel te danken) citaatrecht zijn de Amerikanen met hun fair use systeem beter af. Als dit hier zo zo doorgaat mag straks van een geportretteerde alleen de neus getoond worden, al betreft het een schilderij van Willink waar je ettelijke €€ voor betaald hebt. Als Willink n.l. naar een foto gewerkt heeft ruiken de nazaten van de fotograaf geld, als een advocaat die internet en drukwerkmarkt afschuimt ze er al niet op gewezen heeft. Het voorlopig slot van deze groteske juridische opblazerij is daar wanneer Carel Willink posthuum wegens plagiaat of citaatrechtschending aangeklaagd wordt en zijn erfgename daarin betrokken wordt.
   Omdat we werkendeweg veel biografische gegevens over Haasse verzameld hadden, uit België, Duitsland, Engeland, Ierland, Californië, Zuid-Afrika, Java, Australië, gewerd mij tijdens een bespreking het aanbod bij Querido een uitgave van de gedichten in een alsnog toe te voegen band te verzorgen, welteverstaan zonder commentaren en analyses. De onderzoekresultaten zou ik dan wel ter beschikking willen stellen van de biografe. Voor altijd zou mijn naam immers aan de officiële Haasse-studie verbonden zijn ; een eervol vooruitzicht, nietwaar ?
   Ik kon niet op het aanbod ingaan omdat de Haasse-studie, voorzover van de grond gekomen, nogal aan kwaliteit te wensen overliet,*) denk alleen maar aan het voormalige Digitaal Haasse Museum**) ; en ook niet omdat de dichteres bepaald geen dienst zou worden bewezen door publicatie van haar complete dichtwerk sec. Hella was op Java in de jaren ’34-’38 met de fascistische ideeën en activiteiten van later te noemen personen besmet, wat tot ver na de oorlog juist op haar dichtwerk grote invloed heeft gehad. Tegen haar gebrek aan sociaal inzicht en haar naïveteit hadden haar grote belezenheid en schoolgerichte intelligentie geen kans.

*)  Bijvoorbeeld “Haar vader is een hoge ambtenaar, haar moeder geeft pianolessen”, schrijft Margreet Kooiman in Greep op het chaotische (2000). Ontelbare malen is dit geschreven, ook door Hella zelf. Even verderop “Inzicht krijgen in de mens en de werkelijkheid – daarom schrijft Hella Haasse”. Of dit laatste nu holle woorden zijn of niet, had Hella zich niet eens kunnen afvragen uit welke hoek van haar inzichtelijk mens-zijn het komt dat ze haar moeder in het openbaar kleineert, het overlijden van haar vader in het Dig. Mus. H.H. opneemt, maar het heengaan van haar moeder vergeten is ?
**) Bijvoorbeeld het feit van de verloving met Douwe Radsma, dat enige tijd geleden zonder bronvermelding op de site van het Literatuur Museum is geplaatst, maar dat ik op 7 aug 2015 tijdens genoemde bespreking aan Aleid Truijens onthuld heb. Een cd met deze en andere data heb ik tijdig bij de Ned. Kluis in H’sum in bewaring gegeven. Op 19 sept 2015 heb ik die verloving tijdens een Haasse-matineetje in het Baarnsch Lyceum als onderzoekresultaat wereldkundig gemaakt. Bij die gelegenheid zijn ook met speciale toestemming van de erfgenamen composities van moeder Käthe Haasse-Diehm Winzenhöler uitgevoerd.

Hoe dan ook, deze studie bevat een tamelijk volledig overzicht van Haasse’s dichtwerk, waaraan het tot op heden ontbroken heeft. “Volledig” wil zeggen voorzover toegankelijk of vindbaar, want wat in het LM ligt is een minder zorgvuldig geselecteerd deel uit Haasse’s papieren nalatenschap ; een deel is bij de erfgenamen, een deel is naar het LM gegaan. En toen haalde een handelaar van het Waterlooplein de woning leeg. Dat gerucht verspreidde zich snel en weldra lag de verzameling nog in dozen op het Spui en is vandaar ’s nachts naar de Leidse boekenbeurs vervoerd. “Wij waren er op de boekenbeurs in Leiden vroeg bij en konden vermoedelijk de leukste items kopen”. Vervolgens sloegen particulieren en boekverkopers hun slag, “en zijn er op verschillende markten en bij diverse antiquariaten boeken te koop aangeboden met opdrachten aan en/of eigendomskenmerken van Hella Haasse. Daarover heb ik op mijn website Artistiek Bureau toen dit geschreven” : Olievlek. Met dank aan Nick ter Wal.
   Enkele stukken zijn door Fokas Holthuis aan de familie teruggegeven, maar niet in het LM beland. Er wordt links en rechts vermoedelijk nog wel meer bewaard.  Een voorbeeld.  Het is een niet onbelangrijk item. En steeds weer blijken boeken en maandbladen losse papieren en brieven (unica) te bevatten die veel meer waard zijn dan het in -tig aantallen gedrukte boek of blad.
   Voorts geeft deze studie een vermoedelijk complete lijst van poëticale teksten die op muziek gezet zijn, en dergelijke. Daarom heb ik besloten het uitvoerige artikel op een website te plaatsen, waarbij alle ‘verboden’ tekst en afbeeldingen vervangen zijn door    ■    ■    ■  . Alleen de beginregel van een gepubliceerd gedicht mag geciteerd worden en bij uitzondering iets meer. Van niet gepubliceerde gedichten mag niets geciteerd worden. Sorry voor Hella, die toch echt een aantal mooie gedichten heeft geschreven, die ze gemaakt heeft om gelezen te worden, niet om tot 2081 in een doos in een archief te vergelen of zoek te raken – dit laatste gebeurt vaker dan men zou denken. Het eerste deel van deze site is in deze vorm voorgelegd aan een jurist, gespecialiseerd in auteursrechten. Hij oordeelt : “U bent erg zorgvuldig met de lengte van citaten en de bronvermelding. Juridisch gezien zie ik geen bezwaar.” – “Volgens mij staat u echt in uw recht om meer te citeren. Maar dan komen we bij het punt van je recht halen versus je recht krijgen”. In de volgende drie delen II, III en IV wordt Haasse slechts terloops genoemd, vermoedelijk hoeven we dan minder beducht te zijn voor de erfgenamen en Querido, die elk woord van dit artikel op een goudschaaltje zullen wegen.

Mieke Vestdijk in gesprek met David Koning, Yvonne Keuls en Hella Haasse over foto's van de ouders van Vestdijk, vader als dirigent Henri Cuperus, moeder Rieske als de Mona Lisa van Harlingen (Haasse), die hem tijdens het schrijven van De koperen tuin hebben geïnspireerd.


"Je krijgt ze van Simon," zei Mieke. "Ik weet wat dat voor hem betekent. Je moet ze tijdens het bewerken van De koperen tuin boven je bureau hangen. Simon wil dat je je laat inspireren."
    “Maar stel dat er wat met die foto's gebeurt”, zei Hella, “dat je huis in brand vliegt. Deze foto's horen in het Letterkundig Museum thuis, niet aan jouw muur.” Ik drukte de foto's stevig tegen me aan. Knappe jongen die ze me kon ontfutselen. “Ik heb ze van Vestdijk gekregen,” zei ik. Hella schudde haar hoofd. “Kan echt niet,” zei ze beslist, “cultuurbezit. David zeg er wat van.” “Kan écht niet”, zei David en hij trok een doodongelukkig gezicht.
           Yvonne Keuls Zoals ik jou ken, ken jij mij, 2018, p. 86-87.

Het standpunt van Haasse impliceert dat die foto's óók niet bij Vestdijk zelf aan de muur hadden mogen hangen nadat hij "zijn mooiste boek" voltooid had. En dat is pas de eerste implicatie die koren is op de molen van regelminnend en voorschriftverzinnend Laagland.
   Nu overkomt Haasse's poëzie mutatis mutandis hetzelfde. Ik heb 10 gedichten van HSH en een bijbehorend briefje zorgvuldig ingelijst aan een 17e-eeuwse hardhouten afschermingswand hangen. Ik mag ze niet publiceren. Inleveren bij de KB ? Geen haar op mijn hoofd.
   Drs P had nergens last van, hij schreef tekst èn muziek van zijn liedjes, zong ze zelf en begeleidde zichzelf op de piano. Maar hij zat in het 'lichtere' genre. Ik heb Max Tailleur begeleid, Heintje Davids, Vera Lynn, Anneke Grönloh, en wij pianisten maakten onze eigen accompagnements, geen Bumahaan die ernaar kraaide - dat zal nu niet veel anders liggen, tenzij je lid bent van de Buma. Dat behoeft geen uitleg, hoop ik.
   Het gangbare internationale 'klassieke' liedrepertoire bevat werk van componisten uit Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland / USA, Spanje en voormalige kolonieën, Italië, Rusland, Polen (wat minder, Chopin, Szymanofsky), Noorwegen (Grieg), en de landen die ik vergeten ben. De laatstgenoemde componisten worden uiteraard meestal in vertaling gezongen, maar toch. Nederlandse (ik denk aan Henriëtte Bosmans) en Vlaamse liederen ontbreken in het internationale repertoire. Adriaan Fuchs kwam dit verschijnsel toevallig tegen en is het gaan onderzoeken.
   Een van zijn constateringen : Heine schreef 649 gedichten waarvan 6954 toonzettingen bekend zijn. Voor Goethe zijn deze aantallen 618 en 2745, voor Gezelle 496 en 1547.

Het ligt voor de hand dat het Nederlandse taalgebied wat vocale muziek betreft meer te bieden heeft dan alleen 'Kun je nog zingen, zing dan mee'. Om te beginnen is er de lijst van Nederlandstalige dichters, die niet minder dan 471 namen bevat ; helaas worden daarvan slechts 84 genoemd in het Liedernet Archive. Het meeste werk van die dichters is echter door copyrights of andere oorzaken niet toegankelijk voor de geïnteresseerde lezer, zodat slechts een 'handvol' dichters van oudere datum overblijft. [. . .]
   Het Liedernet Archive vermeldt 481 gedichten van Gezelle, die 'toegankelijk' zijn (dat wil zeggen niet ontoegankelijk vanwege copy-rights of andere belemmeringen).
           Prof dr Adriaan Fuchs, Biologie en muziek, 2018 ; gebundelde artikelen uit Papyrus 2015-2018.

Hoe krankzinnig dit artikel er met de geblokte citaten ook uitziet, de lezer krijgt in ieder geval een indruk van de omvang van Haasse’s dichtwerk, niet alleen aan de hand van de bibliografieën maar ook doordat bij alle dichtwerken stuk voor stuk zakelijk het aantal regels vermeld staat. Een aantal gedichten is in de 2ehands boekhandel bij geduldig zoeken nog wel te vinden en dus gewoon te lezen. Maar dat is een heel gedoe. Uiteindelijk is ons doel toch aandacht te wekken voor een verwaarloosde arteria spiritualis van Haasse, haar dichtader, en op deze manier bereik je dat niet. Omdat ook vele recensies en andere kranteartikelen niet in hun geheel geciteerd mogen worden, zo bleek zeer onlangs, verliest dit artikel ook nog eens de sfeer van de tijd waarin e.e.a. zich afspeelt. Had ik dat alles eerder geweten, was ik er niet aan begonnen, hoewel de speurtocht bijzonder leuk en spannend is geweest. Dus achteraf geen spijt, wel boosheid.

Ondertussen was allang duidelijk geworden dat ook in de naaste familie van de schrijfster de pen vlijtig gevoerd was. Hella lieten we een tijdlang rusten. Ik noem haar vader, onder pseudoniem W. H. van Eemlandt (14 politieromans), en diens zuster Nel van Sillevoldt-Haasse (12 romans voor de jeugd en ouderen). Het oorlogsdagboek van ‘Oma Cor’ (Cor Haasse-Braak) is grotendeels verloren gegaan, maar de Recollections van Hella’s broer Wim (auto- en familiebiografie) hebben heel wat te vertellen. In de aangetrouwde familie komen acteurs- en schildersnamen als Dommershuizen / Dommelshuizen / Dommersen voor. Petronella Braak was met de acteur Cor Dommershuizen sr. getrouwd. Maurits Spoor, de man van Susi Diehm-Winzenhöler, de jongste zus van Hella’s moeder, hun zoons Laurens Spoor en Will Spoor, Käthe Sluijter-Schatborn, dochter uit Suze's tweede huwelijk, waren begaafde kunstenaars, wier werk en levensloop alleszins de aandacht waard zijn. Bij het naspeuren van hun handel en wandel kwamen uiteenlopende figuren in beeld als Röntgen, Messchaert, Mesdag, Vosmaer, Alma Tadema, Ramondt, van Rennes, Gerbrandy, Brian Cosgrove en zijn vrouw Corrie van Sillevoldt, zij tolk, hij rechter in Lüneburg na de capitulatie van het 10³-j.-Reich, met wie het een interessante bezigheid is terug te blikken in de 20e en 19e eeuw. In de Haasse-familie ontmoeten we dan weer de pianiste Käthe Diehm Winzenhöler en haar zusters Lily en Susi, Wim Haasse (Hella’s broer), die naar Australië geëmigreerd is, en zijn zoon Will Haasse. En dan vergeten we nog Amphora en de schilderijen van Cornelis van Sillevoldt …. en . . . Enfin, zo ontstond naast Het dichtwerk van Hella Haasse een verzameling verhalen over kunstenaars en hun wederwaardigheden die, onder de naam Haasse En Anderen bijeengebracht, aandacht schenkt aan mensen uit HSH’s nabije en verre omgeving, voor wier doen en laten zij zelf weinig belangstelling had. Naarmate de te plaatsen artikelen afgewerkt zijn worden ze op het web opengesteld.

Het gaat veelal om mensen die elkaar gekend hebben, die lang met elkaar geleefd hebben in kunstenaarskringen, als leermeester-leerling, als vrienden, als gehuwden. Daarom is het niet mogelijk één “hoofdstuk” uitsluitend aan één persoon te wijden. De samenhangen zouden niet uit de verf komen. Deze site is geen alphabetisch naslagwerk maar een groep lees-en kijkverhalen die onbedoeld ook laten zien hoe anders Nederland vroeger was. Het side menu leidt naar vindplaatsen voor een beperkt aantal namen / items. Onderstaand is ter oriëntatie een ontbladerde stamboom geplaatst waarin beknopt de belangrijkste verwantschappen en afstammingen getoond worden.
   De site herbergt een aantal afbeeldingen van documenten – om een bewering te staven of te illustreren – en van illustraties, met name schilderijen, zij het minder in dit HSH-deel, meer in de volgende delen. Die prenten zijn van de bekijker afhankelijk. Een schilderij geeft zelf geen licht ! Bespeel uw laptop als een instrument om de schoonheid van de kunstwerken tot hun recht te laten komen, door met de schermhoekstand te experimenteren, door met de lichtsterkte te spelen. Succes !

 

 

Veel moeite is gedaan om dit deel te ontdoen van stukken die het citaat- en auteursrecht zouden schenden, ook al verliest het artikel daardoor bijzonder veel van zijn inhoud en leesbaarheid. Mocht hier of daar desondanks een passage over het hoofd gezien zijn, gelieve het te melden. Correctie op een website is gemakkelijk te realiseren dan in een gedrukt boek of artikel. Niettemin – je weet maar nooit – stel ik er prijs op co-auteur Ellen Klomp-Brummel (dln 2,3,4) en medewerker Lillian Mulder-Lubega uitdrukkelijk te vrijwaren van elke aansprakelijkheid. De gehele publicatie valt onder mijn verantwoordelijkheid.
  Will Haasse in Perth (West-Australië), Isabella Radsma in Berkeley (Californië) en Harold Penn in Breda (voormalig beheerder van het CAS-archief) betuigen wij speciaal voor deze aflevering onze erkentelijkheid voor hun hulp en betrokkenheid.
  Zonder de niet aflatende bijstand van Ellen Klomp-Brummel zou dit eerste van de vier delen niet voltooid zijn geworden. Dat geldt – mag ik hopen – ook voor de volgende delen.
  Pam Henkemans heeft mij al jaren digitaal op de been gehouden. Ik hoop ook dit contact te bestendigen.
  Een woord ter nagedachtenis aan mijn medewerker van het eerste uur, Rob van Duijvenvoorde, plotseling weggerukt uit het leven, wil hier gezegd zijn.

dr Thijs Kramer           28 nov 2017

 

 

∼∼∼∼∼∼∼∼

Naaste familie

Kort overzicht. Uitvoerige genealogische data verderop in deze studie.

H A A S S E

W1   1816 W.H.   Haasse 1816 – 1899 Wilm, Willem Nieuwkoop   Rotterdam
W2   1860 W.H.J.   Haasse 1860 – 1935 Willem Rotterdam    Baarn
W3   1889 W.H.   Haasse 1889 – 1955 Willem Rotterdam    Baarn
W4   1921 W.H.J.   Haasse 1921 – 2008 Wim / Willem / Will Rotterdam    Bussington
W5   1948 W.H.   Haasse 1948 Willem / Will Den Helder
W  1974 R.W.   Haasse 1974 Ryan William Geraldton
W7   2009 W.A.   Haasse 2009 Willem Alexander Subiaco

 

De Haasses kwamen uit Römersberg. Johann Haasse *1765 werd in 1783 in Erfurt lid van de evangelisch reformirte Kirche, het christelijk genootschap dat de leer van Zwingli en Calvijn volgde – in het Engels aangeduid met ‘Reformed Church’ door Hella’s broer Wim, die zich na W.O. II in de familiegeschiedenis was gaan verdiepen.

Johanns zoon Johannes Christiaan (*1806 Amsterdam – † 1879 Harmelen) is in 1806 in de Evangelisch-Lutherse kerk aan het Spui gedoopt.

Johannes C. Haasse werd katholiek, vermoedelijk omdat hij een katholieke vrouw trouwde. Zijn broer W. H. Haasse (*1816 in Nieuwkoop (W1) was Ned. Hervormd.

——————————————— W1 (bron WHP) → → → →

 

W1 Willem Hendrik Haasse (1816-1899) ✕ Geertruij Korpershoek (1815-1898).
Uit dit huwelijk :

     


W2
Willem Hendrik Johannes Haasse (1860-1935) ✕ Cornelia Francisca Braak (Oma Cor, 1861-1948).

Uit dit huwelijk :
Geertrui Haasse (1884-1888),  Nelly Haasse (1885-1952), en W3 Willem Hendrik Haasse (1889-1955).

Nelly Haasse (1885-1952) ✕ Gerrit van Sillevoldt (1866-1950).
      Uit dit huwelijk :
Cornelia (Corrie) Christina van Sillevoldt (1915-1997) ✕ Brian Cosgrove (1908-1956).
Willem Hendrik Haasse (1889-1955, W3) ✕ Katharina (Käthe) Diehm Winzenhöler (1893-1983).
     Uit dit huwelijk :
Hella Haasse (1918-2011) en Wim Haasse (1921-2008, W4).

Hella Haasse ✕ Jan van Lelyveld (1918-2008). Kinderen : Chrisje, Ellen en Marina van Lelyveld.
W4 Wim Haasse (1921) ✕ Ethel May Annear (1918-2006). Kinderen : Helen (*Perth 1944), Ingrid (*Batavia 1947),
W5 Willem Hendrik (*Den Helder 1948) ✕ 1943 Beverly Ann Guile. Naar West-Australië geëmigreerd in 1952.

*    *    *    *    *    *    *    *

Dit is een goed punt om in deze verticaal verlopende stamlijn even een horizontaal zichtveld te openen. Daartoe stellen we Hella Haasse (*1918) en haar broer Wim Haasse (W4 *1921) tussen hun tijdgenoten.
Volle neven/nichten van Hella en Wim zijn de kinderen van Käthes (1893) zussen Lily (*1891) en Susi (Suze, *1894), en Corrie van Sillevoldt (*1915), de dochter van Nel van Sillevoldt-Haasse, de zuster van W3.

 

—— Lily Diehm Winzenhöler ✕ Sander Bijl de Vroe. Kinderen : Lily Bijl de Vroe, (*1913), Gerard Bijl de Vroe (*1914) en Cornelia Bijl de Vroe (Corrie, *1920).
Mimi de Vroe (*Bandoeng 29 oct. 1924) was een kind van Cornelis Govert Nicolaas Bijl de Vroe, de jongere broer van Sander. Wilhelmina Elisabeth (roepnaam Mimi) is op 11 nov. 1949 te ‘s-Hage met Augustinus Maria van Spanje getrouwd. Op 9 april 2008 is ze te Amsterdam overleden, drie jaar vóór Hella. Mimi was een dochter van bovengenoemde C. Govert Bijl de Vroe, dus een achternicht van Hella Haasse.
—— Susi Diehm Winzenhöler ✕ Maurice Spoor. Kinderen : Maurits Frederik Spoor (*1918), natuurlijke zoon uit dit huwelijk, was een volle neef van W4 Wim en Hella, evenals zijn halfbroers. Humphrey Spoor (*1921) en Will Spoor (1927-2014). Laurens Spoor (*1953) is een zoon van Maurits *1918.

— Corrie van Sillevoldt (*1915, Cornelia Christina), dochter van Nel van Sillevoldt-Haasse, de zuster van W. H. Haasse W3, was een volle nicht van Hella en Wim.

*    *    *    *    *    *    *    *

W4 (Willem Hendrik Johannes) Wim/Will Haasse (1921-2008) ✕ Ethel May Annear (1918-2006). Zij kregen drie kinderen :
— Helen Elizabeth Haasse (1944) ✕ Douglas Mc Arthur Scott (1942).
— Ingrid Haasse (1947) ✕ Howard Max Pascoe (1946-2003), kinderen Jason en Katrice, die naar Käthe Diehm Winzenhöler vernoemd is.
W5 Willem Hendrik Johannes Haasse, *23 juni 1948 in Den Helder, Nederland, ✕ 22 juli 1972 Beverley Ann Guile (*17 mei 1953 in Bunbury WA).    Uit dit huwelijk :
—— Adam John Haasse, *1972 Subiaco, Perth WA ;
—— [W6] Ryan William Haasse, *6 dec. 1974 ;
—— Paul Andrew Haasse, *24 aug. 1976 ✕ 9 dec. 2006 met Kirstie Jane Torpy.
—Uit dit huwelijk
——— [W7] Willem Alexander Haasse
(Subiaco 2009) en Christian Neil Haasse (Subiaco 2012).

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

BRAAK  –  DOMMERSHUIZEN / DOMMELSHUIZEN

Gerrit Braak (*Arnhem 1766) ✕ 1794 Jannetje van der Mast (*Utrecht, †Alkemade 9 juli 1848). Hun zoon Hendrik Braak (*…) ✕ Alkemade 16 feb 1823 Kornelia van Egmond (*Rijnsaterwoude 14 nov 1797, †Alkemade 8 jan 1860). Neeltje Braak was een dochter van Hendrik Braak & Kornelia van Egmond.
Cornelis Franciscus Kapteijn (1820-1884) ✕ Neeltje Braak (Alkemade 1832--R'dam 1910). Uit dit huwelijk o.a. Cornelis Franciscus Braak (R’dam 1863-1940) en “oma Cor” (Cornelia Francisca Braak, R’dam 1861 – Baarn 1948).

Cornelis Franciscus Braak (*R‘dam 1863-1940) ✕ Johanna Lokker (*Stellendam 10 aug 1866, †R’dam 18 jan 1936, dr v Marinus Lokker en Johanna Tanis). Uit dit huwelijk o.a. Petronella Braak.

Petronella Braak (*R’dam 21 apr 1890, † R’dam 13 sept 1956), ✕ (15 april 1914) Cor Dommershuisen sr, de acteur. Zij was een achtertante van Hella en Wim, om deze genealogische term eens te gebruikten. Petronella Braaks vader Corn. Fr. was nl een broer van “oma Cor” (Cor F.), dus Petronella was van één generatie eerder dan Hella en Wim. Petronella (Nelly) Braak was gehuwd met de acteur Cornelis Hendrik Dommershuizen sr. (1880-1961). Hij kwam kort voor de oorlog naar Amsterdam (Saalborn, daarna Amsterdams Toneelgezelschap) en speelde zijn laatste rol in 1956/57 bij Toneelgroep Theater. Toen was zijn plaatsgenote Hella Haasse al uitgespeeld. Zijn zoon Cor Domm. jr. was een bekend tonelist en journalist/schrijver.

Cornelia Henriette Dommershuysen 1844-1912 is de schakel tussen de acteurs- en de schilderstak. Ze is geportretteerd door Laurens Alma Tadema in Antwerpen.

Cor Domm_ sr. werd grootgebracht door Cornelia Henriette Domm_ (1844-1912), die niet zijn biologische moeder was. Ze was een zuster van de schilders PC en CC Dommelshuizen, in Engeland ook Dommersen genoemd.
  De biologische moeder van de schilders heette Cornelia Dommershuizen (wed. Smit). Zij is geboren 1807, gestorven 1861. Haar zes kinderen (vaders NN), zijn alle geboren te Utrecht. Ik noem hier :

★ Pieter Cornelis Dommelshuizen (1833 [ ! ]-1918), schilder, ✕ Anna Petronella Synja, London. †Haydon Bridge, Hexham.

Oudste zoon uit dit huwelijk :
William Daniel Raymond Dommersen (1859-1927), ook (van) Dommersheusen en (van) Dommersheuzen (geb. London, Stratford West Ham, woonde o.a. Royal Tunbridge Wells, overl. Rumford, Essex), schilder.

★ Thomas Hendricus Dommelshuizen *23 dec 1839, schilder. Huwde Emma Jane Hines op 3 juli 1867 in Trinity Church, Marylebone, Middlesex. Thomas overleed 22 jan 1901. Uit dit huwelijk vier kinderen.

★ Cornelis Christian Dommelshuizen (1842-1928), schilder. Ging 1861 naar London, 1874  Brussel ✕ Henriette Johanna Philippo, Amsterdam, ✕✕ ’s Hage 1904 Carolina Maria Frederica de Geus.

★ Cornelia Henriette Dommelshuizen, *Utrecht 16 mrt 1844 – † Rotterdam 5 mei 1912.

*    *    *    *    *    *    *    *

                    

Käthe Weitzel-Altmann ———————   Oma Cor ———————   W4 Wim Haasse              Coll WHP

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

DIEHM WINZENHÖLER  -  BIJL DE VROE  -  DE VRIES  -  SPOOR

Johann Heinrich Weitzel (*1836 Rückershausen, Kassel) ✕ Catharina Elisabeth Altmann (*1838 Seigertshausen, † 1914) in 1869 in Frankfurt / Main. Uit dit huwelijk Hélène Seraphia Weitzel (= Oma Hélène ).

Johann Leonhard Diehm genannt Winzenhöler (14 april 1865 – 25 april 1934) ✕ 1889 Hélène Seraphia Weitzel (Frankfurt 1871-1933). Na scheiding Hélène ✕✕ te Haarlem 1908 Anne Gerard Christiaan de Vries (1872-1936).
Uit dit huwelijk : Lily, Käthe en Susi :

Lily Helene Diehm genannt Winzenhöler (1891-1975) ✕ Sander Cornelis Willem Joh. Bijl de Vroe (1888-1966) ;
Käthe Diehm Winzenhöler (1893-1983) ✕ W3 Willem Hendrik Haasse (1889-1955) ;
Susi (Susanna) Johanna Diehm genannt Winzenhöler (1894-1987) ✕ Maurits Frederik Spoor (1877-1951), ✕✕ 2e Johannes Barend Schatborn (1914-1992.

Van 1948 tot 1952 woonden in de tuinmanswoning (gemeentelijk monument) van villa Veldheim te Zeist fotograaf Jan Schatborn en zijn echtgenote Suzanna Diehm-Winzenhöler met hun dochter Käthe Schatborn. Käthe is vernoemd naar haar tante Käthe Diehm Winzenhöler. Käthe en W3 zijn de ouders van Hella Haasse. Wellicht heeft Hella hier wel eens een weekend doorgebracht. Käthe Sluijter-Schatborn (*1938) was mime- en pantomimespeelster, choreografe, regisseuse, lerares Toneelacademie Maastricht.. Halfzus van de avantgarde-mimekunstenaar Will Spoor. Huwde 10 sept 1962 Frans Sluijter (2 oct 1936 - 21 nov 2014).

Reinier Willem Petrus de Vries (sr), *Amsterdam 1 mei 1841, ✕ Mathilde Catharina de Graaff, *Valkenburg ZH (bij Oegstgeest) 13 oct. 1841. Boekverkoper; veilinghouder; stelde een prachtige platen- en kaarten-atlas van oud Amsterdam samen. Uit dit huwelijk o.a. :

1. Anne Gerard Christiaan, *A’dam 14 aug 1872, † 1936. Antiquair, veilinghouder ✕ Hélène Seraphia Weitzel.
Anne de Vries was wrs de biologische vader van Käthe Winzenhöler.
2. Reinier Willem Petrus (jr), *3 maart 1874, † 27 mei 1952 Hilversum. Beeldend kunstenaar, auteur ✕ Johanna Hendrika Carolina Stoutjesdijk (1875-1943).

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

Afkortingen
HH = Hella Haasse (toneelsignatuur)
HSH = Hella Serafia Haasse (al naar gelang)
Haasse-DW = Haasse-Diehm Winzenhöler
v Sill = van Sillevoldt
WHP = Will Haasse, Perth WA
BS = Burgerlijke Stand
Alg Hbl = Algemeen Handelsblad
NRC – Nieuwe Rotterdamsche Courant
Nvdd = Het Nieuws van den dag
Dig Mus HSH = Digitaal Museum HSH
  NMI = Ned. Muziek Instituut, den Haag
LM, LtrkMus = Letterkundig Museum, sinds
1 nov 2016 Literatuur Museum, den Haag
TIN = Theater in Nederland, voor 2013 TIN = Theater Inst. Ned.

FvH = Frits van Heerikhuizen
wrs = waarschijnlijk ; afb. = afbeelding, afbb. = afbeeldingen
ms = manuscript, mss = manuscripten
aka = also known as ; z, zn = zoon ; d, dr = dochter
Bat Nbl = Bataviaasch Nieuwsblad
Ind Crt = De Indische Courant
HV = Het Vaderland

NvddNI = Het Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië (kc = kleine courant)

Van de ingekorte artikelen wordt de bron bijgegeven. Wanneer deze blauw gekleurd is, gaat het om een link die naar het originele knipsel leidt.

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

Spelling van voor- en achternamen.

            

Frankfurt a/Main, am 6. Juni 1893.

———————Vor dem untergezeichneten Standesbeamten erschien heute, der Persönlichkeit nach bekannt, der Schneider Johann Leonhard Diehm, genannt Winzenhöler, wohnhaft zu Frankfurt a/M,  Breitegasse  N° 25, evangelischer Religion,
     und zeigte an,
   daß von der Seraphia Diehm, genannt Winzenhöler, geborenen Weitzel, seiner Ehefrau, evangelischer Religion, wohnhaft bei ihm, zu Frankfurt a/M in seiner Wohnung, am fünften Juni des Jahres tausend acht hundert neunzig und drei, vormittags um fünf ein halb Uhr ein Kind weiblichen Geschlechts geboren worden sei, welches den Vornahmen Catharine erhalten habe.


Geburtenregister und Namensverzeichnisse
1851-1901. Signatur 903_9120.
Hessisches Hauptstaatsarchiv, Wiesbaden,
Deutschland

Eenheid van spelling is in de 19e eeuw in Nederland en Duitsland nagestreefd maar werd pas na 1900 vrij algemeen geaccepteerd. In bovenstaand excerpt uit de geboorte-akte van Käthe Diehm Winzenhöler werd zij Catharine genoemd, maar in latere documenten vindt men vaker Katharina dan Catharina, en de Duitse neven en nichten schreven Winzenhöller. Men ging nog tot na WO I met de spelling in het algemeen onverschillig, tenminste soepel om.
   In dit werkstuk wordt in citaten de spelling van de bron overgenomen. In eigen teksten wordt naar goeddunken gehandeld.



Inleiding.  Het Liegend Konijn en de Lyrische Haas

Al valt de vorm tot gruis

         ■     ■     ■        3 cpl v 4 regels

Dit is het zesde van de acht gedichten die Hélène Serafia / Serafina Haasse (Batavia, 2 febr. 1918 – Amsterdam, 29 sept. 2011, in het vervolg wel met HH of HSH aangeduid) in 2006 voor (her)publicatie heeft afgestaan. Het stamt uit het hoorspel Winterhard (VPRO, 1957). Na 1960 was weinig poëzie meer van haar verschenen. De acht gedichten werden gedrukt in het tijdschrift Het Liegend Konijn van oct. 2006 (jg 4/2). Vrijwel onbekend, niet gebloemleesd, is Al valt de vorm tot gruis een van de Nieuwe gedichten ‘uit het nest geroofd’ door de opmerkelijke Vlaming Jozef Deleu.
   Geen zachte weemoed in deze regels, geen verlangen naar het groen aan gene zijde van vroegere heuvels, geen esthetiserend vervalbeklag, verwijt noch berusting in dit strijdcommuniqué. Het Nu is wat telt voor de waakzame tussen de resten van Voorbij, en Straks zal voor zichzelf moeten zorgen. Het is ook geen spijtige Elsschot die hier zijn gram spuwt, het is de onvervaarde Hella S. Haasse die het dichterschap na haar losse verzen uit 1935-1942 en het bundeltje Stroomversnelling (1945) niet vaarwel heeft gezegd maar tot op hoge leeftijd met de zwaneveer nog poëtische ‘jeugdzonden’ beging, waarvan ze er verscheidene in druk gegeven heeft. Het gaat niet alleen om op zichzelf staande gedichten ; in korte toneelspelen zette Haasse de dichtvorm voor proloog en vooral epiloog graag in dichtvorm. Hoorspelen van haar bevatten delen in versvorm. In langere toneelstukken als De draad in het donker vinden we die in de grote dialoog tussen Dionysos en Ariadne in het derde bedrijf.
   In de eerste drie van Deleu’s achttal – Pompei, Paestum en Mistra is, zoals vaker in Haasse’s werk, op de achtergrond Peter Koets, haar leraar klassieke talen aan de CAS in Batavia, aanwezig. In Paestum roept Haasse met haar springende fonteinen Marsman (†1940) op, maar bij diens enthousiaste “wij gaan terug naar ’t paradijs” steekt Haasse’s “Poseidon zal niet komen” toch wat bleekjes af.) Vanaf nr. 4 echter is om zo te zeggen niet een dichtende doctoranda klassieke talen, maar Haasse’s artistieke alter ego aan het woord. De laatste vier ‘konijntjes’••) zijn naar mijn smaak heel goede poëzie, in betekenisvolle volgorde gezet. En Al valt de vorm tot gruis vind ik zonder meer een van haar beste gedichten.

) In Haasse’s nalatenschap bevond zich een overdruk van de gedichten Pompei en Paestum, bestemd voor aflevering 6/7 van De Gids, 1967, maar nooit geplaatst. Een redacteur van het tijdschrift noteerde in de rechterbovenhoek: “niet opgenomen gedichten. door auteur zelf ingetrokken” (Antiq. Fokas Holthuis, Nieuwsbrief 475, 7 aug. 2012). Haasse zou beide gedichten ‘om persoonlijke redenen’ liever niet gepubliceerd hebben willen zien.
••) Haasse had op het lyceum in Batavia, de CAS, de bijnaam ‘konijn’.

Zeker zijn gedichten als het bovenstaande een verademing, waar in nederlandstalig dicht- en rijmwerk ten aanzien van het ouder en ziek worden het klagen, de kleffe troost, het wegzien, de radeloze opgewektheid, het bedrog, Gods wil en dergelijke overheersen. Op de nederlandse radio en tv worden vele geïnterviewden en kijkers geconfronteerd met de emo-terreur rond sterven en stervenshulp. In Trouw noemde Pekelder Liefde voor later van de KRO “het ergste programma van 2013” : A. Witzier bezoekt stervenden met kleine kinderen en vult met hun een een z.g. herinneringsdoos met dierbare spullen. “Al na één aflevering heb je helemaal geen zin meer om dood te gaan”. Wie geen traan plengt, snift of een ander blijk van geroerdheid geeft, wordt met scheve ogen bekeken : van een naderend of reeds geschied overlijden behoort men kapot te zijn, elke keer opnieuw. Onlangs werd ik op Radio 1 geïnterviewd over Bachs MP. De uitzending bleek – buiten mijn weten – als Emoties bij de Matthäus Passion aangekondigd te zijn, en er was veel behendigheid nodig om de interviewster bij het lokkende tranendal vandaan te houden.

In literatuurgeschiedenissen wordt van Haasse’s dichtwerk alleen haar enige dichtbundel Stroomversnelling (1945) een enkele keer genoemd. Dat ze na die bundel nog een aantal losse gedichten naar buiten gebracht heeft is vrijwel onopgemerkt gebleven. Alle aandacht ging naar haar proza. Toch : alles bij elkaar vormt haar dichtwerk bepaald geen geringe oogst. Een aantal niet uitgegeven gedichten ligt in het Literatuur Museum, het een en ander zal de schrijfster in de shredder gedumpt hebben, maar er is genoeg bewaard gebleven, in druk en in ms. Hoeveel van deze gedichten zijn nu ‘goed’, of ‘mooi’, of ‘prachtig’ te noemen? Vijf, zeven, negen? Eén immergrüne schaakpartij is al genoeg voor blijvende roem. Van ongetelde componisten en schrijvers leeft de naam dankzij één werk voort. Maar het kan erger : in ‘de dikke Komrij’ is ocharm zelfs niet één vers van Hella Haasse te vinden. Komrij’s blikveld werd denk ik verduisterd door de stereotypen ‘begaafd romancière’, ‘onze grootste prozaschrijfster’, ‘historische romans’ en ‘prozaïste pur sang’, hoewel hij, juist hij, in de oudere Haasse een groot poëtisch talent had kunnen herkennen en aanmoedigen, nog afgezien van de technische beheersing van het métier die de amper twintigjarige al in haar PC-Intrede ten toon spreidde. Maar tenminste Het Liegend Konijn heeft de Lyrische Haas niet over het hoofd gezien.
   De poëticale kwaliteiten van het gedicht buiten beschouwing latende, spreekt uit Al valt de vorm tot gruis een levenshouding die men in het mentaal bedorven Nederland naar verhouding zelden vertolkt ziet, maar die menigeen die het vers gelezen heeft toch sterk blijkt aan te spreken. Een bekender voorbeeld van een vergelijkbare instelling is

      Als daar muziek voor is, wil ik die horen: “wil ik het horen” staat in de druk (1954).
  ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn, Dit lijkt een druk- of schrijffout, zie
  en omgeploegd met lange, diepe voren niemandisonsterfelijk.nl/wp/poezie/m-vasalis/
           ■     ■     ■     
  En anders wil ik zot en troebel zijn. 9 regels


Negen regels van M. Vasalis (1909-1998), uit Vergezichten en Gezichten (1954). Met deze naast-elkaar-plaatsing wil ik niet suggereren dat het dichtwerk van Haasse aan dat van Vasalis gelijkwaardig zou zijn. De verspreide gedichten van Haasse kunnen zich reeds qua presentatie niet meten met het in vier bundels en een band Verzamelde Gedichten degelijk vastgelegde œuvre van Vasalis. Wèl vind ik dat Haasse in enkele gedichten op het niveau van meerdere gedichten van Vasalis opereert en dat haar besluit, zich op romans, verhalen, essays en toneelstukken te werpen, misschien te rigoureus is geweest. Ik houd het niet voor onmogelijk dat ze die keuze wel eens betreurd heeft. Iemand als Fens meende stellig dat Hella de verkeerde weg was ingeslagen. Daarentegen vermoedt Wagendorp “dat Hella Haasse in haar boeken zal voortleven”. Maakt niet uit, over 50 jaar zien we vanzelf hoe HSH – en de Ned. Taal! – er dan bijstaan.
   Maar natuurlijk, haar enorme productiedrang (-dwang) kon niet door een paar gedichtjes bevredigd worden, ze had grote vormen nodig om te vullen met wat ze wist, vond, beredeneerde en fantaseerde. Hella was manisch productief. In al haar schrijven was ze “op zoek naar zichzelf” zoals ze tienvoudig verklaart en honderdvoudig is geciteerd, maar zeker ook bezig een beeld te vormen van zichzelf dat ze aan de buitenwereld kon presenteren. En dat is niet hetzelfde! Voer voor psychologen, ik waag me er niet aan.
   Los van deze persoonlijke problematiek moet misschien rekening gehouden worden met invloed van Peter John Koets, die aan de CAS klassieke talen doceerde, en soms als invaller voor Nederlands, geschiedenis en kunstgeschiedenis voor de klas stond. De Carpentier Alting Stichting (CAS, 1902) had aan hogere opleidingen HBS, lyceum, gymnasium en sinds 1935 MULO. Van Koets is bekend dat biografieën, niet alleen van kopstukken maar ook van figuren op het tweede en derde plan, van jongs af zijn geliefde lectuur waren. Ook de levensberichten in het Jaarboek van de Mij. d. Ned. Ltrk. las hij altijd met veel genoegen (brief Koets aan G. Borrie, 1979). De CAS was een stichting, opgericht door vrijmetselaren, ze beheerde een aantal scholen voor lager en voortgezet onderwijs, waaronder een Meisjes-hbs en het Bataviaasch Lyceum. De leerlingen, onder wie ook Indonesische en Chinese, behoorden tot de bovenlaag van de koloniale samenleving. “Geen ‘rassen’-, wel een standenschool”, aldus Koets.
   Haasse was niet van de weifelmoedigen, dus ze bleef het eenmaal gekozen Haassepad volgen. Dat ze van het “wij zullen doorgaan”-type was, terwijl Vasalis meer ontspannen de losse teugel hanteerde (neem De zomerwei in De oude kustlijn, 2002, geschreven in 1993) :

 

De zomerwei des ochtends vroeg.
En op een zuchtje dat hem droeg
vliegt een geel vlindertje voorbij.

Heer, had het hierbij maar gelaten.

maakt niet zoveel uit. Hoogstens weet Vasalis in het zenith van haar poëtische zeggingskracht het prachtige, het ontroerende beter met het eenvoudige te kunnen verbinden dan Haasse. Ook speelt zij vaker een mild-ironische toets, zoals in bovenstaand kwatrijn. Vasalis was overigens atheïst, terwijl Haasse in de 40-er en 50-er jaren niet afwijzend stond tegenover de Godsidee.
   Wel verschilt Haasse van tijdgenoten daarin, dat actuele gebeurtenissen haar nauwelijks tot dichten aanzetten, zoals Eggink, die haar vrienden Marsman (†21 juni 1940) en Du Perron (†14 mei 1940) herdacht in Vrouw en cormorant :

  “Ontstegen aan dien zwarten brand Ontwiekt hun hart, hun hoog verstand
En waren over zee en land Gelijk ik, zwarte cormorant” (1941).


“In de door vrouwen voortgebrachte poëzie van alle tijden zijn het liefdesverlangen, de identificatie met de natuur en kosmos, altijd sterker geweest dan trots aanvaarden vàn of verbittering òm menselijke eenzaamheid”, stelt Hella Haasse (Over het vrouwelijke dichten, in: Leestekens, 1965). “Dat is zeker toepasselijk op Vasalis’ poëzie. Zij laat zich niet leiden door verbittering of wanhoop. Wel heeft ze háár trots om, ondanks alle innerlijke tegenstellingen, haar eigen natuur te verwezenlijken” (Rudolf van de Perre, De poëtische wereld van M. Vasalis, in: Verslagen en mededelingen van de Kon. Ac. v. Ned. Taal en Ltrk. 1989). Voor Haasse lagen de zaken ingewikkelder, helaas.
   Dat blijkt na haar jeugdwerk (grotendeels ms) duidelijk in haar warrige bundel Stroomversnelling (1945). Dat die bundel enkele mooie gedichten bevat, is niet in tegenspraak met – hoe zal ik het noemen – de tekenen van scheef-in-de-wereld-staan die erin zichtbaar zijn. Ook beginnen teveel gedichten met ‘ik’ of ‘mij(n)’. Van de vijf gedichten in WERK, mei 1939, waren het er minder. “Van zelfkastijding ben ik ziek”, heet het in 1942. Dijkgraaf gebruikt in haar korte bespreking van Oeroeg vijf keer het woord ‘symbolisch’. Niets is toeval en alles hangt samen. Dan weet je wel hoe laat het is. Haasse bleef deze wereldbeschouwing haar leven lang aanhangen, althans belijden.

Er bestaat een opname van de door Halsema en Ferdinandusse geschreven ‘Boekenbal-lade’, gespeeld op het Boekenbal 1967. Potpourri van bekende melodieën. Zingt u even mee? “‘En van je Hella Haasse houd er de moed maar in, houd er de moed maar in, houd er de moed maar in!

∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼ .∼.∼.∼.∼.∼.∼

In haar
beginjaren stond Haasse lange tijd als  dichteres bekend. Pas veel later werd ze de Grande Dame van de Nederlandse romankunst genoemd, met nog meer overdrijving de Grand Old Lady van de Nederlandse Letteren (1999), de Koningin van de Ned. lett. zelfs (2000). Ook schreef ze toneelwerk en talrijke essays. Na haar debuut in 1938 met het gedicht Ik hief mijn hand op verscheen tien jaar lang bijna alleen dichtwerk van haar hand. Van haar hand, haar schrijfwerktuig. — Men heeft het vaak over iemands laatste woorden (Van Speyk: “dan liever de lucht in”), Haasse daarentegen begon ijzersterk met haar eerste woorden.  “Zij hief haar hand op”, de pen in de aanslag.
   Dat ‘eerste’ gedicht, waarmee Haasse ook haar eerste en enige dichtbundel Stroomversnelling (1945) opende, gáát over die onafscheidelijke metgezel, die schrijvende hand in levenslang dienstverband.

Ik hief mijn hand op tussen mij en 't licht     Stroomversnelling (1945)
            ■     ■     ■      3 cpl v 4 regels


Haasse, in Batavia geboren, schetst hier op jonge leeftijd (“ik was zeventien” zegt ze tegen Onno Blom, haar derde verblijf in Nederland viel in 1935) al een beeld van het leven dat ze verwacht te gaan leiden c.q. dat haar lot zal worden. We kennen vele Hella Haasses, zo mag wel als bekend verondersteld worden. Hier zien we een zuivere uiting van een jeugdige Haasse. In het oude schriftje Cantus staan meer dan 50 gedichten, geschreven in de jaren 1935 (een in Baarn, in de herfst, de rest in Batavia), 1936 en 1937. Zeker, in haar schriftje [LM] komen we onrijpe, geestige, suffe, geslaagde, mislukte en beschamende Haasses tegen, zoals ook bij andere schrijvers wel het geval is. Maar de Haasse van dit gedicht is mij lief. De vierde regel herinnert me aan mijn oudtante Anna, die geen schrijversaspiraties had, maar toen ik haar op haar 98ste langs de weilanden en de koeien van haar geboortedorp reed, zei ze “wat ráér Tais, dat ik dat over een taidje niet meer zien kenne”. Geen vrees voor de dood, maar eindigheidsbesef. Verwondering, bij Haasse gepaard met scheppingsdrang. Blom (Jeugdzonde) vindt het “om het mild te zeggen, niet zonder pathos geschreven”. Voorzichtig geriposteerd, om niet op een blommetje te trappen, wat zou er van Berlioz, Brahms, Tschaikovsky, Elgar zonder pathos overblijven?
   Nog even over die datum. In 1936 gaf Haasse aan haar ouders een losbladig cahier met een keuze van vijf gedichten, gedateerd : aug., oct. (2 stuks), nov. en dec. 1936. Voor Paps en Mams / Kerstmis 1936 Batavia (C). / Een boek om mijn beste werk in / te bewaren. Binnenpagina : Cantus / Hella S. Haasse. / Sciam omnia angusta esse mensus deum —. Toen ze in 1938 naar Nederland vertrok had ze er vijf bijgevoegd, een in 1937, vier in 1938. Ik hief mijn hand op is gedateerd Maart ’38. Het handschrift heeft komma's na de eerste regel, na ‘verstijft eens’ en na ‘verteert’. De versie van de Studenten-Almanak 1939 staat verderop [maar moest geblokkeerd worden].
   Het is een mooi, gaaf gedicht. Er zijn er meer gevolgd. Reden om te proberen een biografisch-poëticaal ‘essay’ in woord en beeld op te zetten, een kijk- en leesstuk over Haasse’s eerste veertig levensjaren, de jaren waarin ze de meeste van haar gedichten schreef. Makkelijke jaren, moeilijke jaren, lees-, denk- en schrijfjaren. Zeker, ze was sterk egocentrisch, ze had aanleg voor mooikijkerij, voor vergoelijking, wegkijken, negeren, fabuleren. Iets dwong haar ook “naar zichzelf te zoeken”, haar hele leven lang. Maar dat verklaart nog niet waar die avontuurlijke, sportieve, vrolijke alleskunner van de jaren 1918-1940 is gebleven. Wat heeft ertoe geleid dat ze als een gewond dier uit de oorlog te voorschijn is gekomen? Ze kon de schijn goed ophouden, maar onderhand . . . . Na haar vijftigste restte haar slechts schrijven om te leven, om niet malende te worden. Schrijven als compulsie, of als medicijn? Vallen dwanghandeling en geneesmiddel hier samen, wie zal het zeggen ? Jaap Goedegebuure spreekt in Schrijvende vrouwen (2010) over “een leesgeschiedenis die allengs de plaats van levensgeschiedenis is gaan innemen.”

Ik hief mijn hand op roept Helene Willfuer van Vicki Baum bij me op. Haar gelijknamige roman (1928) begint en eindigt met ‘handen’ : “Trotzdem haftete dieser Hand etwas Rassiges und Charaktervolles an, wie sie dalag, geballt, voll Trotz und Kraft und Abwehr. Aber zum Schluß löste auch sie sich und ließ sich sinken und wurde locker, schwach und voll Sanftmut und dann schlief auch sie : die arbeitsame Hand von stud. chem. Helene Willfuer”. Enige overeenkomst tussen de figuur Willfuer en de figuur Haasse is er ook wel. De wilskracht bijvoorbeeld. – Haasse bezat Liebe und Tod auf Bali (1937) in een Engelse vertaling.

In het illegale literaire tijdschrift Groei van dec. 1943 schreef een recensent over “de jonge tooneelspeelster en dichteres Hella Haasse”. Voor haar moeder, die, na WO II in Australië verblijvend, van de dichtbundel Stroomversnelling (1945) nauwelijks weet had, was zij “actress and elocutionist” : ze speelde toneel en droeg voor. Dat laatste betrof vooral een programma van oude balladen, door haar bewerkt, dansliedjes en dergelijke volkskunst, waarmee ze tussen 1945 en 1947 door het land trok. Pas in 1947 verscheen – afgezien van verhalen in schoolbladen, WERK, Propria Cures – haar echte prozadebuut, Kleren maken de vrouw, een (meisjes)boek, dat Hella’s tante Nel van Sillevoldt óók geschreven zou kunnen hebben. Pas in 1948 verscheen zelfstandig uitgedacht eigen proza : Oeroeg. Die novelle had beter Hella dan Oeroeg kunnen heten, maar toch.
   Nog in 1950 werd Haasse als dichteres gepresenteerd :

Jonge dichters stellen zich voor

Donderdagavond 19 Oct. heeft in Boekhandel Broese een literaire bijeenkomst plaats,
waar de volgende jonge  dichters uit hun werk zullen lezen :
Hella Haasse, Michel v.d. Plas, J. Meulenbelt, Michael Deak (ps v Simon Kapteijn), Max Dendermonde, Ad den Besten.

Utrechts Nieuwsblad, 13 oct. 1950

 

Nieuwe Boeken. Balladen en Legenden door Hella S. Haasse
Wie gevoelig is voor de bekoring van balladen heeft geen opwekking nodig om dit bijzonder aardige boekje te lezen. Men houdt van deze simpele verhalen en deze eenvoudige, vaak naïeve, rijmen of men houdt er niet van. Naïef ook in de zin dat altijd het goede wordt beloond en het kwade gestraft. Hella Haasse heeft een aantal van deze balladen bijeengebracht, Bantzinger heeft ze geïllustreerd en zo is het een bijzonder aantrekkelijk boekje geworden.
*) N.V. Em. Querido’s Uitgevers Mij Amsterdam.

De Schrijversalmanak 1953 noemt Haasse in de eerste plaats dichteres, en nog in 1955 kondigde De Waarheid een activiteit van de “dichteres en schrijfster” Hella Haasse aan. De voorbeelden zijn legio. In 2012 schreef Frits Booy in Boekenpost 120/2 over Kleeren maken de vrouw  “In de flaptekst wordt Haasse aangeprezen als de bekende jonge actrice en schrijfster. Dat is merkwaardig, want vóór 1947 heeft zij alleen maar de dichtbundel Stroomversnelling (1945) gepubliceerd.” Booy toch!


Die eerste decennia van haar leven verdienen meer aandacht dan ze tot nu gekregen hebben. Ze laten zien welk een boeiend en afwisselend leven zich aanbood aan deze opgroeiende jonge vrouw, die je op grond daarvan eigenlijk niet wereldvreemd zou willen noemen, hoewel, je komt er niet onderuit. Haar levensverwachting was niet juichend en niet bijzonder realistisch.   ■   ■   ■  Uit Lied aan Zee en Wind (5 cpl van 4 regels) augustus ’36. LM. Dat een wereldbrand op komst was en onderdrukking wijdverspreid, is Hella niet ontgaan. Sinds 1933 waren de ontwikkelingen in Duitsland onderwerp van gesprek in de Elcee (LC, de Literaire bijgenaamd de Elitaire Club van de CAS) en in 1934 werd er al in het schoolblad DE ECHO, waarvan Hella hoofdredacteur is geweest, over be- en ontwapening gedebatteerd. In Batavia hoefde men minder rekening te houden met het bevriende staatshoofd Hitler dan in Den Haag. (Ook was de sfeer er losser, men tutoyeerde elkaar vaker.) Toch wist Hella die angstwekkende voortekenen in een deel van haarzelf compleet te negeren, althans verkeerd te duiden, ze ging de meest zuivere germaanse talen studeren, Oud Noors, Zweeds, op zoek naar de hyperborealen. Wat ze zocht, is o.a. beschreven door Friedrich Nietzsche en Jules Verne. Zie verderop onder The Myths of Thule and Vril.

Ongepubliceerd   ■   ■   ■
Uit autobiografische schets, niet gepubliceerd, niet gedateerd, LM

Hella geeft in autobiografische notities uit haar jeugd een scheef beeld van de realiteit. Vóór 1938 (“ik kon aanvankelijk maar moeilijk wennen”) was ze lang genoeg in Holland geweest om met het leven en het klimaat vertrouwd te worden. Ze heeft NB met Wim in 1935 een half jaar op het Baarnsch Lyceum gezeten, woonde 1924-1928 in Baarn, in 1919-1922 in Rotterdam. Misschien kan van een groeiende gespletenheid gesproken worden. De gave tot verdringing is zegen en behoud voor veel mensen. Dàn is déze Haasse, dàn weer een andere Haasse aan het woord. Ze had slechts beperkte aandacht voor de wereld buiten haar en begon bovendien sinds haar aankomst in Holland 1938 ernstig met zichzelf in de knoop te liggen. Ondanks dat deed ze volop mee in de feesten en toneelavonden van het studentenleven. Op de gladde ijsvloer van het leven heeft ze vreemde slagen gemaakt. Ernstige sociale averij liep ze daarbij niet op : ze kon mensen manipuleren en goed met ze omgaan, al bleef ze op afstand en wist je niet goed wat ze nu eigenlijk dacht. Eerst na haar 40ste levensjaar kon ze de meanderende wateren in haar zielelandschap kanaliseren en een bestendige koers uitzetten, die haar tot minder onderling tegenstrijdige uitingen en bezigheden bracht. Met één doel, dat ze al lang had. Schrijven. Lezen. Schrijven. Dat die eenzijdigheid andere opties wegdrukte – scheppen, lezen, scheppen, het zij zo. Ieder kiest zijn leven – of laat het maar gebeuren, of erger, moet het laten gebeuren, niks te kiezen. In het sterk autobiografische De meermin laat Haasse door Frank Swaart zeggen “Als ik [je verhalend gedicht] De duiker goed begrepen heb, gaat het je om de paradox in het menselijke leven, om de aangeboren dubbelzinnigheid van de mens, om de kwelling die het kiezen is. Dat is kennelijk jouw probleem”. Hella heeft uiteindelijk kunnen kiezen. Voor haar volharding past respect. Pas vele jaren later, in Zwanen schieten, begon de controle weer uit de hand te lopen.

Den Haag, 25 Maart ’39.

Zeer Geachte Mejuffrouw Haasse, ik deel het enthousiasme van Hoornik over uw zending gedichten. Het was een goed idee u om méér te vragen, want Virgo is stellig uw beste vers; het staat op het peil van een Vasalis. Nocturne II is heel sympathiek – ik kan het slecht anders zeggen –, Pavane is prachtig. Nachtlied is minder merkwaardig dan Der Tod und das Mädchen, maar het ‘doet’ me duidelijk iets. Vooral als men bijna afgestompt is na het lezen van veel oneindige ‘kul’, ons ter publicatie aangeboden. Ik zal probeeren uw werk zoo gauw mogelijk – misschien in Mei – te plaatsen. Schrijft u wellicht ook proza? (Ik vraag dit iedere goede dichteres, want er is gebrek aan goed proza). Het zou mij verheugen binnenkort eens kennis met u te kunnen maken. […]
(Uit een brief van Adriaan van der Veen, redactiesecretaris van WERK, aan Hella S. Haasse.)
In : Ik maak kenbaar wat bestond. Leven en werk van Hella S. Haasse (1993) door M. Haarsma, G. Heemskerk, M. Salverda.

Je bent 21 jaar. Zo’n briefje vind je bij de post. Het leven lacht je toe, nietwaar?

“Ik hoorde geloof ik tot de Nachwuchs van de Criteriumpoëzie, die aan het einde van de jaren ’30 de toon aangaf. In het beste geval zijn die verzen van mij nogal dynamisch. Ze houden zich ook aan een strak, konventioneel rijmschema, zijn dus niet bepaald experimenteel van vorm en inhoud. Ook die poëzie was een middel om iets van mezelf uit te drukken: in die verzen bracht ik onder woorden de chaos van gevoelens, de eb en vloed van stemmingen die mij toen beheersten. De dichter D.A.M. Binnendijk heeft in een kritiek over dat werk van een zekere ‘grilligheid’ gesproken. Hij was dan ook vrij skeptisch wat betreft mijn poëtische mogelijkheden.¨
   HSH zelf, Joos Florquin, Ten huize van . . . (1976)

“Waar het op aankomt, is onzegbaar”. [..] “ïn proza kan je alles zeggen, in poëzie niet”
          ■   ■   ■
(VN 27 april 1963, interview met BiBeb).

Velen zouden het omgekeerde denken.

            Net geen ruzie

Een frisse ruzie tussen twee dichtersgeneraties leek zich te gaan afspelen toen in NCRV’s Kunstzinnigheden J. Bernlef de poëzie van de Criterium-groep huisbakken noemde. Criterium-dichter Ed Hoornik zag in de jonge dichtkunst ‘alleen maar speelsheid, een welvaarts-verschijnsel.’ Hella Haasse sprak toen maar sussende woorden, jammer, want Hoornik had er verder geen moeite mee om via de bejaarde Den Brabander met een gedicht te bewijzen hoe geëngageerd de Criterium-generatie toch wel was. Misschien was de soort bewogenheid, die de Criterium-groep in de jaren kort voor en ook tijdens de oorlog zo belangrijk maakte, nog beter uit de verf gekomen als voor de camera een werkelijk debat met jongere dichters was gevoerd. […]
PAUL VAN DER PUT       Het Vrije Volk 29 dec 1966

Anderen waren minder skeptisch, onder wie Wim Sonneveld. Voor hem schreef Hella Haasse van 1943 tot 1947 sketches, balladen, chansons, songs, voor minstens zeven programma’s. Ze was gedurende een paar jaar zijn enige auteur, die niet weinig bijdroeg aan de luchtige Franse inslag op een terrein waar men van de zware Duitse sentimentaliteit wel genoeg had. Haar eerste teksten leverde ze voor Alleen voor dames (1943). Voor Tingeltangel (1945), het eerste programma na de bevrijding, schreef ze alle teksten en speelde zelf ook mee, zoals in

Wij zijn reizende komedianten       ■   ■   ■          (8 regels)

Naast Haasse en Sonneveld speelden Kees Brusse, Albert Mol, Truuk Doyer, Eri Rouché, Conny Stuart en Sophie Stein mee. In andere programma’s komt men Lia Dorana, Jack Dixon en andere bekenden tegen. Hella ‘zat niet slecht’! Ze was op weg arrivée te worden. Hoe is dat zo gekomen? — We moeten terug in de tijd.
   Haasse : “Ik was al in de dertiger jaren gevormd, …”    ■   ■   ■  Dat kan zijn, maar Hella vergeet (of laat liever weg) de info in de kranten, op de radio, uit de gesprekken van de dag, in de schoolbladen enzovoort.

In de halve eeuw na alle theater- en andere activiteiten besteedde Haasse haar energie voornamelijk aan het schrijven van romans, toneelstukken, hoorspelen, verhalen en essays, maar er is nog heel wat poëzie uit haar pen gevloeid, waaronder juweeltjes van dichtkunst, al had de Nederlandse letterenwereld daar weinig aandacht voor. Trouwens, Hella zelf gaf er, anders dan in haar beginjaren, practisch geen ruchtbaarheid aan, ze was op proza overgestapt.
   “De bundel Stroomversnelling was blijkbaar een jeugdzonde, want aan poëzie heeft zij zich nadien niet meer gewaagd” meent Jackie Broekhuizen in Hella S. Haasse in Uitgelezen 21, 2005. Broekhuizen was dus inderdaad uitgelezen.
    “Acht gedichten van de schrijfster Hella S. Haasse (Batavia, 1918), die na haar debuut Stroomversnelling uit 1945 geen poëzie meer publiceerde, zijn opgenomen in het nieuwe nummer van het Vlaamse tijdschrift Het Liegend Konijn….” zo berichtte Arjan Peters op 16 oct. 2006 in de Volkskrant. Ja, wat moet je daar nou van zeggen. Zestig jaar Nederlandse poëziegeschiedenis. Even (zestig jaar) niet opgelet zeker. Hij is niet de enige. In een barbaars slecht artikel in Topics van 27 juli 1985 schrijft M. A. “40 jaar geleden debuteerde Hella Haase [sic] met de dichtbundel Stroomversnelling. […] Gedichten kwamen er sedertdien niet meer”. Winnaar in deze categorie is F. A. die zijn interview inleidde met de woorden “Hella S. Haasse werd geboren in Indië, en kwam naar Nederland om Nederlands te leren” (1985)

Hella Haasse schrijft spel
AMSTERDAM. — De dichteres en romancière Hella Haasse heeft van de Commissie ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels opdracht gekregen voor het komende boekenfeest een luchtig spel te schrijven. Dit zal dan op de gala-avond van de Boekenweek worden opgevoerd onder leiding van Wim Sonneveld, die hiervoor een keuze uit diverse acteurs en actrices zal maken.
De Telegraaf 21 oct 1950

                                           “Dichteres en romancière” !  

Deze situatie overziende, is begrijpelijk maar bevreemdt het niettemin dat aan de poëzie van Haasse nog nooit een studie gewijd is, zelfs niet een flink artikel. Maar ook : tijdens haar lange leven is niemand op een thema uit Haasse’s proza of op een biografie gepromoveerd. Vestdijk (†1971) moest 34 jaar wachten (Hazeu, 2005), Hermans (†1995) slechts 15 jaar (Smulders, 2010). Was Hermans 87 geworden, had hij het nog meegemaakt. Haasse is 93 geworden maar heeft het genoegen niet mogen smaken. Ze is niet oud genoeg geworden.

Werken we nu toe naar een OVERZICHT van het dichtwerk van de jonggestorvene, van haar die in staat was verzen als

         ■   ■   ■

te schrijven. Dit deel van de studie bespreekt Haasse’s dichtwerk in de context van haar biografie. Ik haal daarbij ook andere dichters aan, voorzover niet verboden door BUMA-STEMRA, sla zijpaden in, en gebruik scans, foto’s en wat dies meer zij. Internet biedt mogelijkheden tot vormgeving en kleuring die ik dankbaar gebruik, omdat dit artikel geen wetenschappelijk droog essay in boekvorm, maar een onderhoudend lees- en kijkstuk op internet wil zijn, door afbeeldingen bij te voegen, en om met scans en fotocopieën uit archieven tegenwicht te geven aan de foutieve datums, namen en andere gegevens die niet alleen op internet maar ook in de ‘officiële’ Haasse-literatuur en zelfs in Haasse’s eigen werk doorlopend terugkeren. Behalve uit eigen onderzoek zijn verscheidene van die gegevens afkomstig van Wim Haasse, Hella’s broer, die ze vanuit Australië in Nederlandse en Duitse archieven opvroeg. Zijn zoon Will Haasse, bij wie Ellen Klomp en ik in Perth WA het archief van zijn vader mochten doornemen, stelde dat materiaal ter beschikking. Een gesprek met Oliver Cosgrove in Perth gevolgd door e-mail contact resulteerde o.a. in een aanvulling op de biografie van van Corrie van Sillevoldt, nicht en vriendin van HH. Ellen fotografeerde foto’s, handschriften e.d. uit die archieven, die veel aanvullend materiaal en aanknopingspunten opleverden voor verder onderzoek, en ons o.a. contacten in Californië en Engeland bracht. Lillian Lubega deed hetzelfde m.b.t. Indonesië en Zuid-Afrika.
   Hella is een beroemd schrijfster geworden, haar vader een bekend detectiveschrijver (W.H. van Eemlandt), de zuster van haar vader Nel van Sillevoldt-Haasse publiceerde elf of meer boeken, deels jeugdlectuur, en schreef The Coca Chronicles for 1945. Käthe schreef artikelen in De Indische Huisvrouw, componeerde een aantal liederen, haar zoon Wim schreef een autobiografie Recollections of the Past 1921-1956 en een uitgebreide familiegeschiedenis. Oma Cor ten slotte, Hella’s oma van vaderskant, hield een oorlogsdagboek bij. Al die schrijvende Haasses hebben kort na de oorlog tezelfdertijd in Baarn gewoond, en waaierden weer uit, of bleven en overleden. Only a little village, of reputation small. De in Rotterdam geboren grootvader Haasse schreef enkele kunstzinnige beschouwingen, en toneelstukjes voor zijn leerlingen. Hij is in 1935 overleden. In Baarn, het toenmalige Wereld Haasse Centrum. Hella ‘had het niet van vreemd’.

Hella’s opvallende, niet aflatende ik-betrokkenheid schaadt haar gedichten niet per se, maar maakt wel nieuwsgierig naar haar persoon, vooral naar haar jonge jaren, waarin die persoon gevormd werd. Een niet te ontlopen omstandigheid daarbij was, dat haar autobiofictisch werk en sommige interviews en gedichten zoveel vragen opriepen dat de toevoeging van meerdere chapiters en plaatselijke uitweidingen noodzakelijk werden om enige klaarheid te brengen in de nevel die Haasse over haar leven gespreid heeft. Duidelijkheid ook over de meer dan slordige mededelingen die Haasse over naaste familieleden doet, en over het feit dat ze andere doodzwijgt of kleineert, terwijl haar familie toch een groot aantal begaafde en interessante personen telde, die deze studie niet eens allemaal noemen kan.
   Het feit dat Hella’s vader in 1934 tot de oprichters en bestuursleden behoorde van de Nieuwe Indische Beweging, de N.I.B., een groepering ‘op fascistischen grondslag’, en hoofdredacteur was van het twee-wekelijkse nieuwsorgaan – in 1936, na zijn verlof, trok hij zich weer terug – kan een van de oorzaken ervan zijn dat Hella in haar latere leven vaak moeite had een duidelijk standpunt in te nemen, en bepaalde onderwerpen vermeed of onhandig aansneed. Dat begon al vóór Oeroeg. Zelf zei ze tegen Piet Piryns in Knack 18 dec. 1996 (‘Een bejaard meisje’) “In de jaren ’60 moest literatuur maatschappelijk geëngageerd zijn, maar ik was me buitengewoon sterk bewust van het feit dat daar veel misleiding en manipulatie aan te pas kwam”. Zonder twijfel, goed gezien. Maar toch, àls ze een mening gaf over een maatschappelijke kwestie, leek die van een zekere wereldvreemdheid of gebrek aan wezenlijke belangstelling blijk te geven, uitgezonderd misschien tijdens haar flirt met de communistische krant De Waarheid.
   Desondanks, wàt een lauwe indruk maakt haar korte bijdrage van 1½ blz. aan Eichmann was niet alleen (Comité Proces Eichmann, Amsterdam 1961) naast de hartstochtelijk betrokken artikelen van Buskes, Minco, Rost en Soetendorp – het lijkt wel een toespraakje van minister Vult u zelf maar in. Beter brengt Haasse het er af, ofschoon te academisch, naast haar mede-auteurs in Kwaad bloed (1969), over de Maagdenhuisbezetting. Hoe te verklaren dat ze in Persoonsbewijs met geen woord over haar geliefde leraar klassieken Peter Koets spreekt, maar meer dan vier bladzijden wijdt aan de nazigezinde “leraar Duitse taal en letterkunde” D. die vaak bij W. H. Haasse langskwam, haar vader, die “zo verwonderlijk lankmoedig was t.a.v. D. en diens ideeën”. Hella maakte – denk ik – niet alléén door de driejarige afwezigheid van haar ouders in 1925-28 een ongewone jeugd door. Haar aangeboren eenzelvigheid maakte het haar moeilijk een savoir-vivre te vinden toen ze, eenmaal in Nederland, zich met Douwe Radsma verloofd had, vooral na mei 1940, toen Hella (volgens Isabella Radsma, dochter van Douwe) de verloving verbrak omdat ze zich niet rijp voelde voor een vaste verbintenis. Douwe – *1920, ze scheelden ruim 2½ jaar – achtte zich misschien wel te jong (denk ik er voorzichtig bij) om deze steeds meer wankelende ziel partij te geven en legde zich er bij neer. De liefde van het stel is evenzogoed nooit gedoofd. “Dat Hella Haasse als motivatie om geen partij te kiezen, aanvoerde dat ze zich (te vroeg) zou binden, mag een duidelijke illustratie zijn : alsof alleen binnen het, onder alle omstandigheden principieel autonome, individu gegeven was wat dat individu en zijn handelen bepaalde – en niets daarbuiten” (Alofs)*). Ook hier kwam het niet tot een ‘wij’-besluit. Die sprong te maken – van ‘ik’ naar ‘wij’ – is voor Haasse altijd heel moeilijk geweest. Blijvende littekens waren haar deel, al kon ze met ‘de samenleving’ in contact blijven.
*) Leven en Werk van Hella S. Haasse. Helle Alofs. Bzzlletin 91, dec. 1981.

Ten slotte, los van al deze perikelen, is Hella Haasse ook een tienermeisje met de bijbehorende verschijnselen geweest. In de Studentenalmanak 1939 van de GU te Amsterdam staat een anoniem gedicht van een meisje, ook eerstejaars, dat op het blank verse na bijna van de twen Hella zou kunnen zijn.

Ik was alleen, om mij was niets.
Ik was een geheel in mijn beslotenheid.
Ik leefde vanuit mijzelf, in mijzelf.
Mijn omgeving had geen begin en geen eind;
zij was ongedefinieerd.
Mijn wereld was overal, want ik droeg haar mee.

Ik stond op een vooruitstekende rots. Vóór mij lag de zee met een eenzaam schip.
De zon ging onder achter een wolkenbank.
Plots kwam hij te voorschijn, en een zonneweg verliep in rechte lijn door het scheepje naar mij toe.

Mijn hand maakte zich los uit de beslotenheid van mijn wereld en kwam in het niets. Dat was gewoon.
Maar daar werd hij gegrepen met zulk een warmte en kracht, dat het trilde tot diep in ongeweten vezelen.
Van jou kreeg ik een wereld met geur en kleur, grijsheid en licht
en jij was naast mij en greep mij als ik mij terugtrok en in mij zelf wilde kruipen.
Jij was geen beschutting, geen schuilplaats, maar een voortdurende impuls.
Door jou leerde ik in het nieuwe te loopen, open en vrij als deel ervan. Nu ben je weggegaan. Ik huiver.

Alles is eindeloos en ik moet verder.
Mijn hand voelt een ijzige koude, als zij zich strekt.
Ik dank je, dat je mij het nieuwe toonde:
dat, wat buiten mij bestaat.
Ik haat het, dat je mij open maakte:
open voor de menschen, met hun verdriet en gemeenheid;
open voor liefde, die ik nooit begrepen had
en die nu in mij ligt als een kostbare, nuttelooze last.
Ik was alleen.
Ik ben eenzaam.

Tussen haakjes, een andere eerstejaars was Hannie Schaft, die rechten ging studeren, aanvankelijk in Haarlem bij haar ouders bleef wonen maar van 1940 tot 1943 aan de Michel Angelostraat 59bv in A’dam woonde. Ze was een van de oprichtsters van het dispuut Gemma (1940), dat zich ontpopte tot een serieus dispuut dat felle discussieavondjes organiseerde. Maar liefst vijf leden van Gemma kwamen tijdens WO II om het leven (Wij Amsterdamsche Studiosi p. 78). Zij bleven niet op afstand toekijken. “Ik heb mij nooit helemaal kunnen identificeren met een groep, een beginsel, omdat ik de argumenten en zienswijzen van de tegenpartij(en) óók wel kon volgen” (Persoonsbewijs). Deze verdedigingslinie heeft Hella geen goed gedaan, noch in haar zelfbeeld (“wie ben ik?”), noch in de ogen van anderen (“je wist nooit echt wat ze ergens van vond”, “ze kiest geen partij”).
    Alofs constateert in haar studie dat Haasse te goeder trouw was inzake de Kultuurkamer-kwestie, maar dat haar benadering ervan te louter formeel was en illustratief voor de mate waarin het haar in die oorlogsjaren aan kennis van konkrete feiten en aan inzicht ontbrak. Hella Haasse heeft geen essentieel aandeel in het verzet gehad. Wel werd ze door vrienden die in de illegaliteit werkzaam waren, – vooral mensen uit de Parool- en Trouwgroep*) – betrokken in verzetskringen. Ze acht de vele daar opgedane ervaringen en indrukken aangaande de verzetsstrijd van belang te zijn geweest voor de ontwikkeling van haar onderscheidingsvermogen.**)
        *) Mededelingen van mw H. S. van Lelyveld-Haasse in een brief d.d. 29 juni 1970.
     **) Zelfportret a.w. pag 173-176 en interview met HSH door Bibeb, VN, 27 april 1963.
H. Alofs, Doctoraalstudie I : Biografische aantekeningen bij leven en werk van Hella S. Haasse, 1968.
           Hella heeft niet actief aan het verzet meegedaan, maar werd wel betrokken in kringen van verzetslieden. Erg interessant, maar niet zo verstandig van die kringen om buitenstaanders binnen te halen. Zeker nooit van security, van geheimhouding gehoord. Welke kringen waren dat dan? Ik vrees dat dit weer een losse flodder is.
“Alles verandert, alles fluctueert, alles hangt af van het standpunt van waaruit men toevallig de dingen bekijkt” kun je wel achter de schrijftafel bedenken en je nog verder laten meeslepen in de onzalige roes van zo’n prachtige theorie, maar beter niet hardop zeggen tegen iemand wiens huis gebombardeerd is of die familieleden in de oorlog verloren heeft, noch neerschrijven in een gedicht (Rei van stedelingen – Tegenstem) dat het bombardement van Rotterdam tot onderwerp heeft. Niet alles fluctueert, panta rhei heeft geen alomtegenwoordige algemene geldigheid.

Vanuit Haasse’s dichtwerk bezien zijn twee vage breuklijnen in haar biografie te onderscheiden, in ’42-’43 (toen begon een semi-religieuze periode) en ca. 1953 (nieuw realisme). Wat er zich in de jaren 1942-43 achter de schermen heeft afgespeeld is onduidelijk. (Ik bedoel niet “getuigt van een duister leven”.) Maar ze had een wilskrachtige natuur (“er zat een kop op”) en verdient respect voor wat ze van haar leven gemaakt heeft. En dank, voor een aantal mooie gedichten die haar toch maar gelukt zijn.

Zaken die ik in deze delen niet kon onderbrengen zonder de voortgang en de leesbaarheid geweld aan te doen, heb ik een plaats gegeven onder links waarnaar in de hoofdtekst op geëigende plaatsen verwezen wordt. De Appendix bevat naast stichtelijke rijmsels uit Haasse’s religieuze jaren ook beelden van de twijfelachtige hoge resp. eervolle afstammingen waarin de oudgeworden schrijfster zich vermeide (Zwanen schieten) ; in tegenstelling tot de feitelijke afstamming van Ethel Annear, de vrouw van haar broer Wim, van Francis Cooke (1582-1663), een van de USA Pilgrim Fathers, wiens nakomeling Solomon Cook als scheepstimmerman in WA van boord ging en in 1840 in Perth en York een succesvol opklimmend bestaan als werktuigkundige, ingenieur, uitvinder en ondernemer leidde.

Tot zover deze inleiding. Tot besluit de beschikbare passagierslijsten van de vaarten tussen Rotterdam / Amsterdam en Batavia, de woonplaatsen van de Haasses op Java, een kaartje van dat 1000 km lange eiland, en enkele afkortingen van bronnen (archieven, kranten).

Inline afbeelding 3

Inline afbeelding 2
7 oct 1911 resp. Algemeen Handelsblad 13 nov 1911

W. H. Haasse Wilis R’dam 7 oct Batavia 11 nov 1911
Käthe Diehm W. 1 p Vondel A’dam 21 nov Batavia 4 jan 1914 / 1915
W. H. (Willem Hendrik) Haasse 3 p Wilis Batavia 19 mei R’dam 3 juli 1919
W. H. 4 p Patria R’dam 9 apr Batavia 10 mei 1922
Mevr. K. Haasse – Diehm
Winzenhöler en 2 kinderen
Haasse 3 p Koningin der Nederlanden Batavia 22 apr
Genua 15 mei 1925
verder per trein
W. H. Haasse 1 p Chr. Huygens Batavia 20 apr A’dam 18 mei 1928
Fam. W. H. Haasse 4 p Chr. Huygens A’dam 18 dec Batavia 16 jan 1928 / 1929
Fam. W. H. Haasse 4 p Marnix van
St. Aldegonde
Batavia 21 mrt A’dam 30 apr *) 1935
Fam. W. H. Haasse 4 p Baloeran Marseille 15 nov Batavia 5 dec 1935
Mej. H. S. Haasse 1 p Baloeran Batavia 16 juli R’dam 16 aug 1938
          

*) De opgave van W4 in Recollections (aankomst R'dam) berust op een vergissing.

K. = Käthe ; W.H.J. = Wim jr. — Een overtocht duurde in 1914 ca. vijf, zes weken, in de dertiger jaren ca. vier weken. De Wilis was een snel schip, Batavia-Marseille in 3½ week. Veel Nederlanders namen de trein van en naar Marseille, de ‘Lloyd rapide’, daarmee vermeed men de onstuimige Golf van Biskaje en het scheelde een week wanneer Southampton of Londen aangedaan werden.

Inline afbeelding 1     Alg Hbl 30 mei 1928

WH stapte af in Genua. Ging hij zijn gezin in Zwitserland opzoeken of pakte hij de snelle boottrein naar Amsterdam ? Hij deed het laatste. W4 schrijft : “Not long after we arrived back in Holland, my father came back from the Indies. I remember going to the railway station to meet him [18 mei 1928 TK]. He had landed in Genoa and had come through on the train. I could not remember him very well, he was somebody from the dim past, but things soon settled down. We rented a home in Baarn. My father had seven months leave, but found it necessary to work, in order to make our lives more comfortable. He did some dministrative work for my mother’s step-father, who was an antique dealer and stockbroker.”

Inline afbeelding 1      Inline afbeelding 2

  Het Vaderland 22 mei 1928                                    De Tijd 31 mei 1928

∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼ .∼.∼.∼.∼.∼.∼

De woonplaatsen na 1911

 Batavia  Willem 11 nov 1911,  Käthe aankomst Batavia
 4 jan 1915. Woont 5 jan. 1915 Salembalaan 1
 Willem adres onbekend
  Hella *2 feb 1918 Weltevreden, Tandjonglaan 26
 Buitenzorg  Käthe en Hella 1918-19  Hoger gelegen, minder hitte
 Rotterdam  gezin arriveert 3 juli 1919. Wim *4 oct 1921  Beukelsdijk 25a en Oudedijk 214b
 Soerabaja  gezin vertrekt 9 apr 1922 van Rotterdam  
       ,,  arriveert ca 16 mei 1922 in Soerabaja  Daendelsstraat 23 (april 1923)
       ,,  Van Hogendorplaan 74 (juli 1924)  1924-25 Hella LS op R.K. nonnenschool
 Heemstede  Hella 18 mei 1925, al snel naar Baarn  
 Baarn  Wim mei 1925–28, Hella juli of aug 1925  Hella Baarn F. Huycklaan 39, Wim Parklaan 6
 Davos  Käthe mei 1925 Davos
 genezen apr/mei 1928, haalt kinderen op,
 aansluitend vacantie in Zwitserland
 Willem blijft in Indië. Komt in 1928 met verlof
 naar NL -- Terugreis gezin 18 dec 1928
 met de Chr. Huygens wrs vanaf Genua.
 Bandoeng  jan. 1929 huurhuis bij GB Gouv Bedrijven  feb-mrt 1929 naar Progostraat
 Buitenzorg  Buitenzorg 1930  Villa Verona, met tennisbaan en hertenkamp
 Batavia  1931 Kebon Sirih  I.v.m. studie Hella aan de CAS in Batavia Centrum
 Baarn  gezin mei 1935 even naar den Haag, dan Baarn  30 apr-3 nov Baarn. Op 5 dec terug in Batavia
 Batavia  gezin jan 1936 Kramatlaan 22  Batavia
 Batavia  Alataslaan 4 (huize Hubertha)  wrs zomer 1940 na Wim's oproep voor het leger
 Amsterdam  Hella sept 1938  Amsterdam, De Lairessestraat 3
 Java  Käthe 1942 kamp Kramat, 1943 diverse kampen
  en Makassar
 6 mrt Willem gevangen gezet Batavia. Diverse kampen.  Laatstelijk Tjimahi bij Bandoeng.
 Australië  Käthe sept 1945, Willem een maad later
 Käthe opgenomen in Kalgoorlie, 1946 Perth
 nov 1945 Brisbane, verenigd met Käthe
 jan 1946 Perth
 A'dam, Baarn  Willem en Käthe A’dam 23 sept 1946  van Breestraat 123, 23 dec Baarn Nassaulaan 42

Adressen in Batavia : Tandjonglaan 26 (Weltevreden) 1918, Kebon Sirih 1931, Grisséweg (hoekwoning), Vioslaan 31 tot mrt 1935, Kramatlaan 22 1936. “De zeldzame étagewoning in de Kramatlaan, waar wij ‘net als in Holland’ een trap op moesten naar de slaapkamers” (Zelfportret). In de wijk Tjikini (nu Cikini) woonden vroeger veel mensen die Alatas heetten. Daarom wordt Cimandiri Road vaakAlataslaan genoemd. Toen de kinderen het huis uit waren zijn Willem en Käthe kleiner gaan wonen op Alataslaan 4 (huize Hubertha), zomer 1940, misschien een jaar eerder, toen woonde Wim nog thuis.

Willem werd 5 maart 1942 gearresteerd en met lotgenoten uit de hoge ambtenarij in de gevangenis van Batavia opgesloten. Verbleef in diverse kampen, laatstelijk in Tjimahi bij Bandoeng. Hij overleefde een dysenterie-aanval en werd mager als een lat door Wim aangetroffen. Käthe bleef als geborene Duitse wat langer op vrije voeten, kon haar man voedsel brengen, maar liet zich ten slotte ook ïnterneren, werd een paar maal verplaatstven eindigde in een kamp bij Batavia, kampong Makassar (Bunsho I Kamp 9). Dit kamp (v vr en ki) lag ca. 8 km ten zuiden van Meester Cornelis. Het Roode Kruis spoorde haar op voor Wim, die haar zelfs aan de telefoon kreeg. Hij organiseerde met een aantalr collega's van de Navy op een gevaarvolle tocht haar bevrijding. Het was buiten het kamp gevaarlijker dan er in. De Bersiap heerste.


1 Batavia, Weltevreden, 2 de haven Tandjong Priok, 3 Buitenzorg (nu Bogor), 4 Tjimatjan, 5 Telaga Warna, 6 Tjibodas, 7 Sterrenwacht Lembang, 8 Bandoeng, 9 Soerabaja, 10 Singaradja op Bali, 11 Tjilatjap.
—————————— = 200 km.
Een kaart met kampaanduidingen is te vinden in Frans Schreuders, Gestrand in N.O.I., p. 13.

 


Jeugdjaren

We richten de aandacht nu eerst op Hella’s schooljaren op Java. De eerste twaalf jaren van haar leven, waarvan ze bijna de helft in Nederland en op passagiersschepen doorbracht, komen passim in andere verbanden ter sprake.

Inline afbeelding 2   Inline afbeelding 1

                              Hella Haasse in 1930 en het gezin Haasse omstreeks 1933. Foto coll. WHP

Haasse’s eerste mij bekende openbare optreden was als danseres in de grote zaal van de Sociëteit in Batavia, als de Elfenkoningin in Goudmuiltje van M. A. Brandt Buys jr (1874-1944). Ze was toen 12, al bijna 13 jaar. Goudmuiltje (1906) is een kinderzangspel in twee bedrijven, op te voeren door kinderen van 6 tot 16 jaar. Oorspronkelijk voor 4 soli, 2-st. kinderkoor en orkest. In het NMI ligt een partituur met annotaties van de componist.
    Het is voor de andere kinderen en hun ouders sneu dat alleen de Elfenkoningin in onderstaande recensie apart genoemd wordt, maar er blijkt wel uit dat Hella reeds toen met kop en schouders boven haar collegaatjes uitstak.

Inline afbeelding 2   Inline afbeelding 3

Bataviaasch Nieuwsblad 3 dec 1930

Broer Wim heeft als kabouter verkleed zijn aandeel in de begeleidende muziek. Onderstaande foto zal vóór het optreden in de tuin van de Haasse’s zijn gemaakt. Blaast Wim op een ocarina of op zijn vingers? Moeilijk te zeggen.

Inline afbeelding 5

Achter op deze foto heeft moeder Käthe geschreven : “De Feeënkoningin danst op de muziek van het fluitende Kaboutertje (in onzen tuin). Zondag 30 November 1930, B’ “.  Coll. WHP

                                                                          ■   ■   ■
                    1. Coll. T.K. ——————————————————— 2. LM
In 1934 vond een optreden plaats waarbij Käthe haar dochter begeleidde. Zie onderstaande aankondiging en recensie.

         Inline afbeelding 2             Inline afbeelding 1

1. Bat Nbld 7 nov. 1934 — 2. Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië 12 nov. 1934.
Het einde van WO I werd op 11 nov. als Remembrance Day of Armistice Day herdacht.

 

 

12 nov. 1934 BatNbl

Met dansen was Hella al jaren bezig. Ze had een goede lichamelijke conditie, ze rende, klom, en zwom als een waterrat. Ze deed aan schoonzwemmen (individueel, bijv. op schoolslag) en waterpolo. In 1933 heeft ze aan een examen reddend zwemmen deelgenomen. Ze redde het, en hoe !

Inline afbeelding 1 Inline afbeelding 2 Inline afbeelding 1

Het Nieuws v d dag v N.-I., 14 aug. 1933 — Bat. Nbl, 17 aug. 1933 — Hella in zwemcostuum, 1934 (Coll. WHP).

 

Het zwembad Tjikini in Batavia, waar zich vóór de middaghitte een flink deel van het huisvrouwenleven afspeelde terwijl de meeste mannen op hun werk waren. Zo te zien is deze foto op een zondag genomen, toen Tjikini een groot sociaal middelpunt was. Daar speelde dan een jazzband, de Brown’s Sugar Babies. Er werd gedanst enzovoort.
   Uit ‘Zo kenden wij Batavia‘ Hein Buitenweg / Servire B.V. Uitgevers Katwijk aan Zee 1977.

Inline afbeelding 3

En dit is de zogeheten ‘pierebak’. CAS-archief

Inline afbeelding 1
MMMMMMMDe Indische Courant, 8 jan 1927

“Hella was en bleef voor mij het meisje uit een hogere klas. […] Toch zagen we elkaar geregeld tijdens de schoolpauzes, op het erf van de CAS, bij het fietsenhok, op de avondjes van de Elcee, onze literaire club waarin Hella een leidinggevende rol had. En ook op schoolfeesten, tijdens de schoolexcursies naar Tjibodas en Tjimatjan en bij haar thuis, waar haar moeder een zangkoortje leidde waarmee we zelfs mochten optreden voor de NIROM, de Nederlands-Indische Radio Omroep. Een enkele keer ontmoetten we elkaar in onze vrije tijd, voornamelijk in het Tjikini-zwembad.”
     Aya Zikken (1919-2013) in ‘Voor het vandaag werd’.

                                                    Inline afbeelding 1  BatNbl 14 feb 1931

In de periode dat Hella op het CAS-lyceum zat, 1931-38, verschenen er drie of vier schoolkranten. Ook was er de Elcee, de Literaire Club, bijgenaamd Elitaire Club. Hella werkte er aan mee, als vice-voorzitter, secretaresse-penningmeester, hoofdredacteur, of was gewoon abonnée. Ook Douwe Radsma heeft bestuurstaken in de Elcee op zich genomen.
   De zaterdagse Kindercourant (nog opgezet door Tjalie Robinson) van het Bataviaasch Nieuwsblad werd in 1930/31 in vernieuwde opzet geredigeerd door ‘Tante Marijke’ en ‘Oom Klaas’. Twee van de correspondentjes van de brievenrubriek waren korte tijd Hella en Wim Haasse. Diverse nummers uit die jaren zijn niet meer voorhanden, maar een paar stukjes lieten zich toch opdiepen. Opstelletjes werden geplaatst, er was een raadselrubriek, legkaarten (!) (Zelfportret als Legkaart) om uit te knippen (de eerste –- Spelende Haasjes op Bleekveld – op 25 jan. 1930) enzovoort. Van een van de zusjes Mijsberg (die nog ter sprake komen) werd op 14 febr. 1931 een raadsel geplaatst.


Inline afbeelding 3

 

 

Inline afbeelding 4

          Bataviaasch Nieuwsblad,14 febr. 1931             Opgang mei 1937

Inline afbeelding 1           Inline afbeelding 2

Bataviaasch Nieuwsblad, 27 juni 1931                                  Bataviaasch Nieuwsblad, 27 juni 1931

Inline afbeelding 1            Inline afbeelding 1          Inline afbeelding 3

Bataviaasch Nieuwsblad, 25 juli 1931          — — — —              1. Wim (coll. WHP) en 2. Hella (coll. Is. Radsma)

÷  ÷  ÷  ÷  ÷  ÷  ÷

In het BatNbl van 5 sept. 1931 schreef Nicky Dicky :
  P.S. Ik zou heelemaal vergeten om Hella Haasse te bedanken voor haar briefje. En voor de lieve kiekjes. Later wil ik ook zoo’n mooi puntmutsje op hebben als je broertje. De teekening van Sneeuwwitje vind ik erg mooi en ik vlas me al op de brief met ondeugende grapjes over je broertje. Maar ik ben niet stout, hoor, ik ben een tjoete, lieve jongen. Dag Hellaatje. [Hella tekende graag. TK]

Daaraan vastgeknoopt schreef Tante Marijke (de moeder van Nicky Dicky) n.a.v. een brief van Hella :
   Hella H., Batavia-C. Nou, ik ben blij, dat jij blij bent met het blijde boek van Netteke Dollemans. Vind je het ook zoo’n vroolijk, frisch boek? Zielepoot, dat je zooveel huiswerk hebt. Maar prettige dingen heb je toch ook bij hoopjes, lees ik uit je brief. Een fijne lange was het dezen keer, zeg. Wat heb jij al veel gereisd en gezien. Zwitserland ken ik ook heel goed en vele andere landen, maar Duitschland niet. Oom Klaas wel en hij zegt, dat het daar zoo mooi is. We hebben besloten met ons verlof een reisje langs den Rijn te maken. De kiekjes vind ik snoezig en ik dank er je hartelijk voor. Als meisje had ik ook les in rhythmische dansen en een paar jaar geleden heb ik met meisjes van jouw leeftijd een dansje opgevoerd, een Droom. Het was van een meisje, dat droomde. In haar kamertje stond een vaas met allerlei bloemen. Het raam stond open en buiten scheen de maan. En toen opeens kwamen zachtjes door het raam elfjes heen gevlogen. De elfjes van de bloemen, die in het vaasje stonden. Ze raakten de bloemen aan en . . . deze werden levend. Toen voerden ze samen een dansje uit. Het meisje stapte verbaasd uit haar bedje en ging naar alle bloemenelfjes toe. Het geheel was zoo snoezig en ik was er zelf wel een beetje trotsch op, omdat ik ’t zelf allemaal verzonnen had. De jurkjes en kleedjes, de bloemen, alles was van crêpe papier en dan bij Bengaalsch licht. Ik heb toen met de kleuters van mijn klas allerlei verhaaltjes en versjes opgevoerd. ’t Is zoo’n gezellig werkje. Vertel je me weer eens een paar schoolgrappen? Dag Hella.
  Cootje van V,. Batavia-C. Ja, dat is zeker grappig, dat je opeens zoomaar een kiekje zag van een van de Haasjes [waarmee een van de kinderen uit de familie De Haze Winkelman wordt bedoeld. TK]

Inline afbeelding 2    Inline afbeelding 2    Inline afbeelding 3

Bataviaasch Nieuwsblad, 24 oct. 1931
            Hella in deze jaren (coll. WHP)

Inline afbeelding 1                      Inline afbeelding 1

Bataviaasch Nieuwsblad, 28 nov.1931                                                    Bataviaasch Nieuwsblad, 19 maart 1932

 

■    ■   ■                                                        ■   ■   ■

1. Schetsje door Hella van haar moeder aan de vleugel (LM).      2. Vader Haasse, potloodtekening door Hella 1936 (LM).

Hella tekende en schilderde veel en graag. Reeds uit 1924 (Soerabaja) dateren talloze tekeningen van feeën en heiligen. In Bandoeng trok ze met schoolgenoten de natuur in, gewapend met schetsboeken, potloden en flesjes Talens inkt. Maar echt lukken wilde het pas toen ze wat ouder was. Hoe het lagereschoolkind Helly ‘tegen zichzelf aankeek’ is op tekeningen en een Ex Libris te zien in het LM. In een onvoltooide ongedateerde ‘gouache’ gebruikte ze O.I. inkt, waterverf en potlood (LM). Van wie anders dan haar vader zou ze deze technieken – in Soerabaja – geleerd hebben ? Een simpel potloodschetsje van haar moeder aan de vleugel dateert uit dezelfde tijd (LM). Een portret van haar vader uit 1936 – buste half naar rechts, blik over schouder naar links -, getuigt al van geoefendheid en talent (LM).

*    *    *    *    *    *    *    *

De Schijnwerper o.l.v. Co Balfoort.
Gemeld wordt dat eenige tooneellievende inwoners van Batavia een amateurgezelschap hebben gevormd, waaraan de naam “De Schijnwerper” is gegeven, en waarvan de artistieke leiding berust bij den heer Co Balfoort, die zich na afloop van de jongste Indische tournée van Cor Ruys te Batavia heeft gevestigd.

De Indische Courant, 18 nov 1935.

De Schijnwerper wilde zich voornamelijk op toneelstukken toeleggen, maar had zich ook voorgenomen jaarlijks een of meer cabaretvoorstellingen te geven.

                Inline afbeelding 2

1. Soerabaijasch Handelsblad, 20 nov 1935.  2. Foto van W.H. Haasse uit 1933, Buitenzorg (coll. WHP). Naar deze foto zou Hella haar vader geportretteerd hebben (zie boven).

De schouwburg te Batavia had een wezenlijke functie in het koloniale leven, ook toen Hella er woonde. „Hoeveel voorstellingen ik daar in mijn jeugd niet gezien heb, ik heb er zelf op de planken gestaan. Vanaf 1900 was het vaak zo dat Nederlandse toneelgezelschappen of enkele bekende Nederlandse acteurs met een groepje een tournee gingen maken door Indië en dan vooral Java en Sumatra bezochten. Zo heb ik daar voorstellingen van Cor Ruys gezien, met Potasch en Perlemoer, en ik herinner me een andere Nederlandse acteur, Co Balfoort, die er met een vriend voorstellingen gaf, en toen ben ik uitgenodigd om de rol van het jonge meisje in Bietje van Maurits Sabbe te vertolken”.
    “Beelden die me begeleiden”. Hella S. Haasse over de fotoboeken van Rob Nieuwenhuys, Peter van Zonneveld. Indische Letteren jg 15, 2000.

C. A. Schilp vertelt er iets meer over in Cinema & Theater, 23e jg, 16 juli 1943 :

In de straten van Batavia liep een moeder met haar jonge dochter. Toen zij in een winkel stonden, kwam er plots een heer op hen af, die zich voorstelde en met een vreemde vraag voor den dag kwam, n.l. : “Mag uw dochter morgenavond meespelen?” Die vreemde meneer was Co Balfoort, in wiens gezelschap een actrice was ziek geworden, en die plotseling, op straat, de vervangster zag! […] Moeder moest ’t eerst met vader overleggen, het werd, niet zonder aarzeling, goedgevonden, en dit werd de eerste aanraking van Hella Haasse met het beroepstooneel. Haar hart ontvlamde voor de tooneelmuze”. De ziekgeworden actrice was blijkens de annonces Mej. Vollenga.

Balfoort bracht Bietje in 1934 en 1935 en op nieuwjaarsdag 1936. Hella zal May Vollenga vanaf een voorstelling in dec. 1935 voor enige tijd hebben vervangen, schat ik. De uitgave van Bietje, derde druk, is een prachtig boekje, met heel veel annotaties. Achterin een beschrijving van Bietje’s Dans. Ook staat daar een liedmelodietje afgedrukt, dat Bietje tijdens het dansen neuriet. Hella is wel aan haar trekken gekomen met deze rol! Spelen, dansen en zingen!
En, kan ik niet nalaten op te merken, dat het zich inleven in de figuur van het meisje Zenobie (Bie-tje) op Hella’s karaktervorming naar mijn mening een betere invloed heeft gehad dan Mariken van Nimweghen.

 

 

 

Ik ben rijke, rijke, rijke,

Marion en Marionette,

Ik ben rijke, rijke, rijke,

Marion.

 
Bietje speelt in de jaren 1840. De Contredans is “een vlugge dans, waar de paren vroolijk tegenover elkaar staan. De Contredans van Marion wordt nog door de meisjes in hunne spelen uitgevoerd”, dwz gezongen en gedanst. In het toneelstukje begeleidt peetje Monne Bietje op een clavecimbel. Ze danst een Menuet in haar eentje, en samen met haar ooms de Contredans. “Zang: Marion en Marionette” wil zeggen “op de wijs van ….”. Coll. TK

                 

Recensie, kranteknipsel, Java-Bode 2 jan 1936.

                               ■   ■   ■

1. Krantefoto met v.l.n.r. Co Balfoort (Baptiste), Harco Sonius (Monne) en Hella Haasse. Java-Bode 2 jan 1936.
2. Tekening van Robert Deppe (LM). Bern. Wilh. Jos. Deppe genoemd Robert (A’dam 1902 – Tchunkai, Thailand 1943) woonde sinds 1929 in Soerabaja. Onderschrift ‘BIETJE’ / Stadsschouwburg – R. Deppe / 1 Jan / 1936 / BAT.

Toelichting uit het programmaboekje
“Vindt ge niet, dat er op nieuwjaar iets wonderbaars in de lucht hangt, iets dat in alle menschen dringt en ze blijde maakt”, zegt het lieftallig zestienjarige Bietje, wier half gekke meter haar voor haar heele leven gedacht te kwellen met den afschuwelijken naam, Zenobie, tot haar beide ‘peetjes’, Jean Baptiste en Monne, die oudergewoonte getrouw het nieuwe jaar met veel oudemannetjes-gekibbel denken in te zetten. En zij doet hen elkaar een kus geven, want …, de menschen, die van elkaar houden, moeten dat op dien dag laten zien.”

Het is deze stemming van levensblijheid, onbevangenheid en vreugde om het schoone, die wij ondanks de donkerheid der tijden moeten trachten te bewaren en waarvan wij U hedenavond op het tooneel den weerschijn hoopen te doen zien. Allereerst dan met het subtiel doorvoelde, ietwat wee-moedige, doch tevens fijn humoristische tooneelspel “Bietje” van den welbekenden Vlaamschen auteur Maurits Sabbe, waaruit bovenstaande zinsneden zijn aangehaald.
   Maurits Sabbe teekende in zijn sappig Vlaamsch een prachtig miniatuurtje, waarin hij ons menschen in onze benepenheden luchtigjes aan den kaak stelt en tevens het goede en klare in onze harten prachtig weet te belichten.

Inline afbeelding 1     

1. BatNbl 19 dec. 1935. 2. Omslag tekstboekje van Bietje (1913). Coll. TK. Hella was heel anders gecostumeerd !

Oepke Couperus (*10 nov. 1899 te Amsterdam, broer van Jeanny Kint-Couperus, kreeg viool- en alg. muziekles van Cor Kint. Werd operazanger, zich noemende Otto), huwde 19 mei 1943 te Amsterdam Marie Vollenga (*2 april 1914 te Soerabaja N.O.I.). Adressen: in A’dam Kerkstraat 91 hs, per 5 mei 1943 Leidschegracht 35 hs, per 29 dec. 1949 Titiaanstraat 46 bv. Het echtpaar kreeg op 2 oct. 1943 een zoon Otto (Otje). Otto Couperus sr. was een bekende bas-bariton die in het opera- en oratoriumrepertoire optrad, o.a. met Jo Vincent. Hij is 10 dec. 1968 te Amsterdam overleden. Marie, zich noemende May Vollenga was een actrice / kleinkunstenares die in 1947 bij Wim Sonneveld in Vanavond om 8 uur op de planken heeft gestaan in het ensemble ‘De familie Cabaret’. Familietwist ontstond toen Jenny zich een opmerking veroorloofde over de behandeling van de geestelijk gehandicapte Otje, en May een van Kint geleende viool niet aan diens weduwe wilde teruggeven. Ze werd een uitzonderlijk onaangenaam mens, overleden op 23 aug. 1992 te Amsterdam, 78 jaar oud, bijgezet in het graf van haar moeder op Zorgvlied. Schrijver dezes heeft haar gekend en geïnterviewd, want ze had mensen als de componist Cor Kint en de schrijver Schönfeld Wichers (Belcampo) in haar familie- en kennissenkring.

      

Soerabaijasch Handelsblad 19 mei 1934                                    Bataviaasch Nieuwsblad 28 dec. 1935

Inline afbeelding 1

De CAS, hoofdgebouw (CAS-archief).

De CAS, schoolbladen, Planting

Een van de schoolbladen in de dertiger jaren was DE SCHAKEL, orgaan van de leerlingen van de C A S (Carpentier Alting Stichting), de KW III (Koning Willem III) en de PHS (Prins Hendrik School). Op 16 dec. 1936 bericht het blad over "de eerste groote CAS-fuif in het nieuwe schooljaar in Concordia. [...] Dadelijk werd nu het Coppelia-ballet onder leiding van E. de Haze Winkelman en H. Haasse opgevoerd. Het decor was een succes, en de medespelenden waren met zorg gekozen, zoodat het geheel vlot en keurig verliep".

Inline afbeelding 1     Inline afbeelding 1

1. Marie-Anne, in de wandeling Marianne Mijsberg (de oudste van de drie zusjes), die in 1938 tegelijk met Hella eindexamen deed, en Hella Haasse op een CAS-fuif in de aula in 1936. CAS-archief. — 2. Hella ornata in 1937 (WHP).

Op 15 jan. 1934 meldt de rubriek 'Van de Elcee' in DE ECHO, een ander schoolkrantje : Op 24 nov. 1933 "zorgde het drietallig koortje Hella Haasse, Pop de Boy [Pop de Booy TK] en Anneke Mijsberg voor een alleraardigste illustratie". Vader Mijsberg doceerde sinds 1926 anatomie in Batavia en werd in 1927 aan de Geneeskundige Hoogeschool benoemd tot hoogleraar. Hij was/werd correspondent van de Kon. Acad. v. Wetenschappen te Amsterdam, voorzitter van de Natuurwetensch. Raad v. Ned.-Indië en secr. van de Kon. Wilhelmina Stichting om maar iets te noemen. Maar hij speelde ook piano en cello en was voorzitter van een jeugdkoor.
   W. H. Haasse had in DE ECHO II,1 van 8 aug. 1934 een Sachte Sedeles van een oudtjen aen de jeught weten te plaatsen. Vader was niet zo modern ingesteld.

Na-weeën van 16 Dec. [1933] in DE ECHO van 15 jan. 1934
             O  C.A.S. club „glorie” van de C.A.S.,
             wier glorie nooit zoo heel groot was,
             met al uw vele geld in kas
             gaaft gij tot nu, ach steeds geen feest
            dat géén mislukking is geweest.
Deze dichterlijke aanvang (de heer Planting moge mij hem vergeven!) vertolkt wat wij behalve van leerlingen ook van zeer vele ouders en buitenstaanders moesten hooren. [...] Een dans van een tiental meisjes onder leiding van Emy de Haze Winkelman en Hella Haasse had veel belangstelling en verdiend succes.

DE ECHO jg 3/2 van 17 sept. 1934 bespreekt De Elceeavond op 24 Augustus 1934 : [...] In afwijking van wat was aangekondigd, werd het programma geopend met zang van Hella Haasse c.s. met pianobegeleiding van Mevr. Haasse. De nummers waren met zorg voorbereid en oogstten een welverdiend succes. Een voorbeeld dat navolging verdient".
   Hier begint zich een stuk muziekleven af te tekenen. Käthe Haasse heeft zangles genomen bij mevr. Bettink.
     — Kort : Jacoba van den Bussche *1877 te Batavia, gehuwd 1895 met Th. H. Wefers Bettink, was concertzangeres, organiseerde pedagogische muziekavonden, richtte in 1914 een kinderkoorschool op, gaf muziekonderricht.
Zangles dus, niet om solo te gaan zingen, maar om meer inzicht te krijgen in het gebruik van de stem. Dat had Käthe nodig als koorrepetitor bij uitvoeringen door grote koren, wanneer de dirigent zich ziek meldde of wanneer de repetities gesplitst gehouden werden. Op de CAS hadden in de jaren '30 de Duitse leraar Bakker en zijn vrouw, muzieklerares, de leiding van een groot meisjeskoor van tegen de 100 leden. Er werd op zaterdagmiddag in het gebouw van de Kunstkring gerepeteerd. De discipline lag hoog en de resultaten waren navenant. Optredens werden verzorgd in de concertzaal van de dierentuin op Tjikini en de Schouwburg. De leraar Reitsema nam het rond 1935 over. Vanuit het privé duetten zingen had zich een zanggroepje CAS-meisjes gevormd dat een muzikaal leider nodig had. Dat werd Käthe Haasse.

Margaretha Ferguson in 1985 voor de radio: "Aya en ik waren heel erg bevriend, maar Hella en ik die kenden elkaar wel en ik heb wel eens meegezongen in een koortje wat door haar moeder werd geleid. Dus ik zag haar vanuit de verte min of meer. Het was toen al een buitengewoon opvallende leerlinge". HBS en Gymnasium-afdeling participeerden beide in dat koortje, niet alleen gymnasiasten zongen daar dus in mee. Ferguson zat slechts een schooljaar op de CAS, maar genoot bijscholing in drie jappenkampen.

Hella schijnt ("Hella c.s.") een leading voice geweest te zijn, een mezzo denk ik. Mijsberg senior, voorzitter van "een jeugdkoor" (van de NIROM of de CAS), musiceerde op de cello weleens met Käthe, kan men zich indenken. Ze bespraken plannen met de Elcee, en zo kwam ook de ars musica aan haar trekken op de CAS.
    In het openbare leven werd ter gelegenheid van het 12½ jarig bestaan der Bataviaasche Oratorium Vereeniging op 22 dec. 1938 het Kerstoratorium van Hubert Cuypers uitgevoerd. Twee koren en het Nirom-orkest werkten mee. Dat waren, evenals eerder Brahms' Requiem, Beethovens Negende en Mendelssohns Elias belangrijke sociale gebeurtenissen. Er gebeurde veel meer dan hier zelfs maar aangeduid kan worden. Onderricht, concertjes, concerten, tournees . . .

  Inline afbeelding 4 Inline afbeelding 2


1. Hella Haasse en Douwe Radsma op de planken (Coll. Is. Radsma).    —   2. Hella 1937 of '38 (CAS-archief).

Het toneelspel vloeide voor de oudere leerlingen vanzelf voort uit het dansen, de euritmie, de verkleedpartijen, en werd gevoed door ballet op klassieke muziek, en door de lectuur. Zowel nederlandstalige als ook vertaalde stukken of scènes daaruit werden opgevoerd. Een greep : Le Cid, Hades, Advocaat Pathélui, Don Quichot op de Bruiloft van Camacho (waarin behalve Hella ook Marianne Mijsberg en Douwe Radsma een rol hadden), Geschichten aus dem Wienerwald. De costuums en attributen werden zelf gemaakt, uiteraard met goede raad en hulp van de huiselijke achterban. Leerlingen van de lagere klassen hielpen met de decors.

      Inline afbeelding 1         Inline afbeelding 2

                                                                                                     CAS-archief.
Drukfouten : Sancha Pance moet Sancho Panza zijn, Vetlasoepe Vetlasoupe, Heino Homes heet Hommes.
Maar ... Hella Haasse. Wil ze nu danseres worden, sportvrouw, tekenares, schilderes, zangeres, actrice, regisseuse, schrijfster of . . . ?

                                                                

           GLANS
„ . . . . en Heer, wil ook heden ons werk geven, amen!” Bijbels in de kastjes, boeken op de plank. Netjes pen en potlood in de richel, schriften, commentaar en notitieboekje op een stapeltje links, boek open voor je. De anderen bladeren nog, de leraar schrijft iets op. Ramen beslagen : buiten is 't koud. Die lichte nevel zal wel optrekken en dan gaat 't vriezen. Zou 't dit keer genoeg ijs worden? Schaatsenrijden, fijn, kan hij goed. Alleen zoveel huiswerk. En vader streng, op tijd thuis, werk afmaken, vroeg naar bed . . . . Opletten, we beginnen! Vergilius. Vervelend. Eeuwig 't zelfde : varen, offeren, wedstrijden . . . Vijfde boek ; o, ze zijn weer aan 't offeren. Enfin, volgende uur wiskunde, dat is tenminste wel aardig.
    Iemand vertaalt : „ . . . Zo sprak hij. Toen ineens kwam een glibberige slang in zeven geweldige kronkelingen onder het altaar uit en kroop in zeven bochten rustig rondom de heuvel en gleed over 't altaar en een donkerblauwe schittering met gouden vlekjes vlamde óp over zijn rug, zoals in de wolken de regenboog duizend verschillende kleuren werpt, als de zon erop schijnt. Bij dit gezicht ontstelde Aeneas . . . !” Een groepje mannen op de gele kust, aan de wijde, rijke, onbetrouwbare zee, denkend aan de doorstane gevaren en aan 't onzekere, dat voor hen lag. Ineens, die slang, tevoorschijn glijdend, offer ontwijdend, verdwenen. Zijn rug was in de zon ontbrand in gouden blauwe schittering. Stralende zonnewereld. Felle kleuren, scherpe contrasten, toch een glorieuze harmonie.
   En dat zag die doodgewone, nuchtere, plichtsgetrouwe, kleine schooljongen ineens allemaal voor zich opengaan. Was 't nog koud buiten? Waar waren de nevelige kleuren en vervloeiende contouren van de Hollandse vlakte? Waar was de Kerk met den onbuigzamen dominee, 't streng rechtschapen ouderlijk huis, de harde koude school met zijn plichtenkring? Hij ontdekte ineens het ontstaan van een wereld, volkomen tegengesteld aan de wereldbeschouwing, waarin hij stond vastgeworteld.
   Die kleine jongen heeft wiskunde gestudeerd en is leraar geworden, en God heeft geglimlacht boven zijn wiskunstig rechte levenspaadje. Maar langs de kant ervan flikkert nu en dan een vonkje van die overmoedig blauwgouden slangenhuidglinstering op en leidt hem af van de regelmatige vijfhoek, „waarvan de zijde gelijk is aan 't grootste stuk . . .”
   En verleidt hem een brokje van zijn tijd, een paar minuten van die kostelijke, heilige schooltijd, waarin misschien een hele som bewezen had kunnen worden, te verknoeien : „'t ja, vroeger heb ik ook oude talen geleerd, maar ik vond er nooit iets aan, totdat ik eens ergens bij Vergilius las van een blauwige glans op een slangenhuid . . . .” „Maar nu moeten we verder : gelijk is aan 't grootste stuk van de in uiterste en middelste reden verdeelde diagonaal. Begrepen?”

Baarns Lyceum                                                                                                          June

Met 'Glans' opent het Interlyceaal Nummer van 29 mei 1937, uitgegeven door Animo, schoolkrant van het Baarns Lyceum, HALO (Het Amsterdams Lyceïsten Orgaan), De Lyceumkrant (Kennemer Lyceum te Bloemendaal), en Het Lyceum (Nederlands Lyceum te Den Haag). De vier Heemskinderen op het schutblad representeren deze scholen. Hella en Wim kwamen op maandag 6 mei 1935 - 3 weken na Pasen - op Het Baarnsch lyceum, Wim in de eerste klas. Hella zou daar bij oom Gerrit en tante Nel van Sillevoldt gaan wonen om het volgende cursusjaar af te maken en misschien tot het eindexamen te blijven. De kamer had ze al, alleen werd op het laatste moment besloten dat de kinderen toch mee terug moesten naar Batavia. Wim was daar later erg content mee, anders had hij in Nederland onder dienst gemoeten.
   Op wo. 6 nov. 1935 voer de Baloeran terug van Rotterdam. Maar de Haasses namen de ‘Lloyd rapide’ trein naar Marseille – dat scheelde een week – en stapten daar 15 nov. op de Baloeran, eerste klasse welteverstaan op dit schip dat qua luxe met de Titanic kon wedijveren. De laatste lesdag van Wim en Hella viel vermoedelijk op za. 9 nov. Hella en Wim hebben dus 4 maanden op Het Baarnsch Lyceum lessen gevolgd (mei - juni - vacantie - sept - oct). Wim schrijft over Het Baarnsch Lyceum "My sister and I went to the local high school. The high school time in Holland was quite pleasant, especially because of the fact that the school used to be closed, when the temperature soared over 85 degrees Fahrenheit. In those cases we were sent out in the surrounding woods for walks. After the summer holidays, it was back to school". De Namen van Geslaagden die Het Baarnsch Lyceum vermeldt hebben allemaal een einddiploma aan Het B. L. gehaald. Dat is het criterium. Goed om te weten als iemand vraagt waarom Haasse er niet bij staat. Op Wikipedia geldt dit criterium voor "bekende oud-leerlingen" van Het B. L. niet.

Op 12 april 1940 richtte E. J. van Tengbergen Jr. (Jan, *1890 den Haag) zich tot Hella Haasse met het volgende schrijven :

 

12 april 1940
E. J. van Ebbenhorst Tengbergen Jr.
Van Loostraat 19
Den Haag

Mejuffrouw Hella Haasse, Prinsengracht 704, Amsterdam

Geachte Mejuffrouw Haasse,

■    ■    ■      

Hoogachtend

w.g.  J. Tengbergen

(LM)

N.B. De oorlog heeft het verschijnen van de bundel EVOLUTIE onmogelijk gemaakt. 15 nov 1977.

Schuilnamen.
Als Hella inderdaad June als pseudoniem gebruikt heeft, rijst de vraag hoe zij eraan gekomen is. June is een veel voorkomende Noorse meisjesnaam. De associatie met ‘junior’ ligt voor de hand, maar van Hella verwacht je iets originelers. Ellen Klomp bedacht dat Carry van Bruggen haar recensies en columns in de Deli Courant onder de naam May schreef (Brieven van May). Ze verbleef in Deli op Sumatra van 1904 tot 1907 met haar eerste man Kees van Bruggen, die in die periode hoofdredacteur van de Deli Courant was. Dat Hella zich door door Lientje de Haan op speelse wijze aan haar eerste (?) schuilnaam liet helpen is een lumineuze en plausibele gedachte, temeer omdat er twee maandnamen en twee dierennamen in het spel zijn, May de Haan en June Haasse.
   Onder de schuilnaam Theophila schreef Hella Haasse in De Opgang jg 1/1 1936 een “Fantastisch spel” in vervolgen, compleet met toneelaanwijzingen. De hoofdpersonen zijn Juno en Jupiter. Hella maakt in de eerste aflevering een politiek grapje, zeldzaam voor haar doen, als volgt. Minerva komt binnen. Jup. : “[…] wat leuk om je weer eens te zien! Hoe staat het met de studie?” Minerva : “Wat zal ik zeggen? Ik volg een cursus in ’t Abessijns. Maar ik denk, dat ik er mee uitschei. Mars is net terug en die zegt dat ik beter m’n Italiaans een beetje kan ophalen”. Johan Gerritsen, vast medewerker, vanaf nr. 5 redactielid onder hoofdredactrice Haasse, lid van de toneelclub, noteerde in zijn exemplaar van De Opgang Theophila = Hella Haasse. De herkomst van deze schuilnaam behoeft geen uitleg. Ook schreef ze onder ps C. J. van der Sevensterre.
Carry had een derde ps in Justine Abbing.

Volgt wat info over de familie (van Ebbenhorst) Tengbergen, die nu en dan in Haasse's biografie opduikt.

Erasmus Jan van Ebbenhorst Tengbergen, *23 maart 1818 Nijmegen – †22 maart 1899 Doetinchem
x 1851 Wilhelmina Jacoba Pauline Roeloff Tengbergen (geboren Cantz’laar), 1822 – 1871
ZOON:
Erasmus Jan van Ebbenhorst Tengbergen, *1859 Zelhem
x 1889 Anna Elisabeth Willers
ZOON:
Erasmus Jan van Ebbenhorst Tengbergen, *7 juni 1890 den Haag, †22 aug 1959 den Haag

x Eveline van Veldhoven, 1896 – 1982
ZOON:
Erasmus Jan van Ebbenhorst Tengbergen, *9 september 1918 te Batavia, † 2003 Eefde

 


      Inline afbeelding 1  
        Registratiecode: VFADNL02831-blad 2, CBG.

De vader van de componiste Maria E. van Ebbenhorst Tengbergen, Hendrik Johan (1853 Zelhem - 1923), was een broer van E. Jan *1859 te Zelhem. Maria Elisabeth was dus een nicht van de schrijver van bovenstaande brief aan H. Haasse, en een zuster van prof dr Johan Ebbenhorst Tengbergen (1883-1969), arts en röntgenoloog, voorzitter van het Ned. Toneelverbond.


Inline afbeelding 3

In 1930 beëindigde Eddy Tengbergen de 5e of 6e klas van de L.S. van de CAS. Zijn vader, apotheker in het N.I. Leger, echtgenoot van J. C. van 't Sant, overleed 2 dec. 1925 in den Haag, vermoedelijk vlak voor het einde van zijn verlof. Hij liet ook een dochtertje Molleke na.

EDDY TENGBERGEN (E.H.S. Tengbergen), * 23 oct. 1917 te Batavia, † 15 mei 1997 te Amersfoort, begraven op Rusthof in Amersfoort. Zijn vader was Apotheker 1e klas N.I.L. Hij behaalde aan de Leidsche Universiteit het doctoraal examen Wis- en Natuurkunde (Pharmacie, Leidsche Courant 26 mrt 1947). Dat leidt tot de conclusie dat hij voor 1940 naar Nederland is gekomen. Te Amersfoort dreef hij een apotheek aan de Utrechtseweg 93. Het betreft vermoedelijk dezelfde persoon als de CAS-scholier. Is geen familie van de tak Van Ebbenhorst Tengbergen.


Leidsch Dagblad 3 dec. 1925

Alg Hbl 4 dec. 1925

 


E. J. van Ebbenhorst Tengbergen, geb. 1918 te Batavia, was journalist en medewerker bij de provinciale archiefinspectie van Gelderland. Productief publicist over Ned. monumenten, archieven, landschappen, taal. Kreeg bij zijn pensionering in 1983 een Liber amicorum.

 

Inline afbeelding 1

Inline afbeelding 2

 

Contact, maandblad voor de Nederlandsche Jeugd (uitgave Hollandia Drukkerij Baarn), waarin Rostra Gymnasiorum en De Nederlandsche Schoolkrant waren opgenomen.


Het Bloemendaalsch Weekblad,
13 mei 1938

 

 

Goenoeng Sahilan ligt aan de oostkust van Sumatra.

 

De  overledene, de vader van E. J. van Ebbenhorst   Tengbergen junior, is op reis overleden.

   De toevoeging 'jr.' achter zijn naam ontbreekt in nevenstaand   overlijdensbericht maar is door een rouwadvertentie van de familie in Nederland gewaarborgd.


E. J. van Ebbenhorst Tengbergen is naar Nederland overgebracht en daar op Rustoord te Nijmegen begraven.

 

Het betreft hier een Van Ebbenhorst Tengbergen uit een verwante tak van de familie.

  Inline afbeelding 4
                   Nvdd N.I. 30 oct 1918

 


      ✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐✎✏✐
✎✏✐
Inline afbeelding 1  


Inline afbeelding 1


1. De Schakel. Tijdschrift voor leerlingen van de CAS, de KWIII (Koning Willem III) en de PHS (Prins Hendrik School).
2. De Echo. Motto : Varium et mutabile. Hella Haasse kwam jan. 1934 in de redactie en was al snel hoofdredacteur.
3. Opgang, Gestart op 1 sept. 1936, met Haasse in de redactie. In jan. 1937 legde ze het redacteurschap neer.
4. Kop van de Literaire rubriek in De Echo.
          Alles CAS-archief

Heksenprocessen

DE ECHO 10 maart 1934

 

Inline afbeelding 1Het woord "heks" had oorspronkelijk bij de oude volken de beteekenis van "striga", d.w.z. een 's nachts door de lucht rijdend vrouwelijk monster. Onder dezen naam verstond men ook de schade-aanbrengende tooverij (b.v. het verwekken van onweer), en de verandering van menschen in dieren. In het volksgeloof leefden deze voorstellingen gedurende de geheele Middeleeuwen voort, het meest in bergachtige streken, waar de beschaving moeilijk doordrong en het Christendom voor de menschen niet meer dan een dun vernis over hun heidensche begrippen was. Ook onder de lagere bevolking heerschte een grenzenloos bijgeloof. Dit is niet te verwonderen, wanneer men hoort dat in Rome, de zetel van het Katholicisme, nog zelfs in 1521 een Grieksche "toovenaar" openlijk, volgens de oude, heidensche gebruiken, een stier offerde, om de heerschende pest te verdrijven. Dit, en meer dergelijke dingen, deden de menschen tot de meening komen, dat een verbond tusschen den duivel en een sterfelijk wezen zeer wel mogelijk was.
    Ofschoon reeds in de negende en tiende eeuw verschillende kerkelijke personen twijfelden aan zulke verbonden, werd toch het bestaan van heksen voor zeker aangenomen. Men zocht theologische bewijzen voor het bestaan van den duivel en nadat alles vastgesteld was, werden er inquisities opgericht, belast met de vervolging van ketters. Dit was het begin van de zoogenaamde heksenprocessen.
    Daar er met het oude woord "striga" voornamelijk toovenaressen bedoeld werden, gaf men deze beteekenis ook aan "heks", en waren het weldra alleen de vrouwen, die van het uitoefenen van tooverkunsten verdacht werden. Er was niet veel toe noodig om voor een heks te worden aangezien. De kleinste en onschuldigste vergrijpen waren genoeg om veroordeeld te worden en vooral de vrouwen, die een voor dezen tijd meer dan gewone belangstelling voor de wetenschap hadden, waren niet veilig.
    Als een nachtmerrie lag de heksenvrees op het volk, want overal had de Kerk spionnen. Geen mensch was zijn leven meer zeker en uit angst verried men elkander. Iemand, die eenmaal beschuldigd was, kon er zeker van zijn dat hij ter dood gebracht zou worden. De pijnbank was immers het middel bij uitnemendheid om de verdachten te doen bekennen! Talloos en vreselijk waren de straffen, die op heksen toegepast werden, zoals de water- en vuurproef, e.a. Ook de rechtbank, waarvoor de beschuldigden gebracht werden, was eigenaardig ingericht.
    De rechter mocht op een gerucht reeds dadelijk beginnen de zaak te onderzoeken en getuigen te hooren. Deze getuigen mochten andere ketters of heksen, ja zelfs familieleden, broers, zusters, echtgenooten en ook de ergste vijanden van de beklaagden zijn. Een advocaat mocht het slachtoffer niet al te krachtig verdedigen, daar men hem anders even schuldig achtte. Wanneer een heks bekende, werd zij onmiddellijk ter dood veroordeeld. Ontkende zij echter, dan ging men tot de pijnbank over. De meesten gaven dadelijk toe, dat ze schuldig waren, om aan de pijnbank te ontkomen; en zoo werden er dikwijls tientallen slachtoffers tegelijk verbrand. Vooral in de zestiende eeuw bereikte het aantal veroordeelde heksen een hoogtepunt. Een oorzaak daarvan is, dat de bezittingen van de beschuldigden gegeven werden aan degenen, die hen voor het gerecht hadden aangeklaagd. Toch waren er in de zestiende en zeventiende eeuw genoeg mannen, die krachtig het geloof aan heksen bestreden, o.a. de Amsterdamsche predikant Balthasar Bekker. Deze pogingen hadden echter weinig succes. Verscheidene vorsten verboden langzamerhand de heksenprocessen in hun gebied, o.a. koningin Christina van Zweden. Maar nog in de achttiende eeuw vindt men terechtstellingen van heksen; en in Mexico vielen de laatste slachtoffers zelfs pas in 1860 en 1873.

                                      H.

Het onderwerp van dit 'opstel', meer stelt het nog niet voor, is typisch Haasse, huiveringwekkend, beschamend voor de diersoort die mens heet, en niet geschikt de lezertjes en het schrijfstertje een optimistische kijk op het mensdom te geven. Dat is natuurlijk ook een onmogelijke opgave, maar goed, als tot Hella doorgedrongen is wàt haar bijeengesprokkelde feitjes eigenlijk inhielden, kan dat haar meer kwaad gedaan hebben dan twee en een half jaar gescheiden van haar ouders te leven. De tekening is van de schrijfster.
    In een Opgang uit 1937 schreef Hella een lang verhaal getiteld De nacht in Aversa (1345). Het uiteengevallen nummer in het LM heeft een verkeerd voorblad toebedeeld gekregen. Het kan april '37 of later geweest zijn. Het is vrijwel onmogelijk anno nu nog volledige jaargangen van die schoolbladen uit diverse archieven compleet te krijgen. Zeker is dat Hella in sept. 1936 in Opgang een feuilleton op rijm startte, 'Goden op reis', waarin de protagonist Juno is (Haasse zelf), en Jupiter (Juup) en Minerva haar voornaamste tegenspelers zijn. Het is niet 100% zeker dat het van HSH is, dus ik mag het citeren.
    Een half jaar later zie ik in Opgang een bijna volwassen auteur aan het werk.

Uit Opgang. Tijdschrift door en voor leerlingen van de C.A.S., 2e jaargang no. 1, October 1937, Literaire rubriek.

De dood van Conradijn (29 October 1268)

Op de herhaalde uitnodigingen der Ghibellijnen trok de zestienjarige Conradijn v Hohenstaufen, vergezeld door zijn vriend Frederik van Oostenrijk, met een leger naar Italië om Karel van Anjou te verdrijven. Bij Tagliacozzo werd hij verslagen; hij vluchtte, doch werd gevangengenomen, ter dood veroordeeld en op de markt te Napels met 10 andere edelen onthoofd. Op het schavot benoemde hij Peter III van Aragon tot erfgenaam zijner rechten.

 

■    ■    ■    

 

H. S. H.


   Inline afbeelding 1        Inline afbeelding 1

           CAS-archief

 

Een stukje proza waarin Haasse nu duidelijk herkenbaar is. Een aangeklede historische gebeurtenis. Het dateert van 1937, en ze had al langere stukken geschreven. Maar die waren onafgemaakt gebleven. Dit is het tweede mij bekende dat voltooid is en in druk verschenen, al is het in een schoolblad (NB lang niet van alle nummers zijn exemplaren bewaard). Hoewel — het niveau van de Elcee, de literaire club van de CAS, een paar jaar o.l.v. mej. Haasse, mag absoluut niet onderschat worden. Hoe zit het dan met de poëzie? Schreef Haasse geen gedichten? Jawel, want ze had een schriftje, Cantus, waarin ze gedichten noteerde, ze liet bij haar vertrek in 1938 bij haar ouders een boekje met haar beste gedichten achter "om te bewaren", en ze zal zich in de schoolbladen poëtisch niet onbetuigd hebben gelaten, maar er zijn slechts weinig exemplaren van die bladen bewaard gebleven. Ze beleefden een of twee jaargangen, en dan leidden de tussentijdse bestuurswisselingen tot een andere koers en een nieuwe bladnaam. Hoe dan ook, de Japanners hebben het gehele archief van de CAS vernietigd. Wat rest, is door oud CAS-leerlingen geschonken of bij reünies aan de archivaris overhandigd.

Toch zijn er een paar dichtproeven bewaard. De eerste is een onzeker geval. De tekening boven een kamplied, gemaakt in sept. 1933 na het Eerste C.A.S.-Kamp in Tjimatjan heeft een signatuur die wel van Hella Haasse moet zijn (de slinger aan het eind duidt misschien de s in Haasse aan):

           Inline afbeelding 2 Inline afbeelding 1                Inline afbeelding 3
Signatuur in ill. DE ECHO 11 oct 1933 Signatuur zelfportret 1936 Signatuur van vader W. H. Haasse


                  Inline afbeelding 2        CAS archief

De illustratie is van Hella. Heeft ze ook het gedicht geschreven? Het past niet overal goed op de noten, in die zin, dat er soms teveel lettergrepen zijn. Met een paar repetities is dat euvel wel te verhelpen. In het gedrukte liedtekst kunnen met enige handigheid een paar woordjes weggelaten of vervangen worden en de zaak is opgelost. Maar als je zo handig bent, is de vraag, waarom het dan niet meteen goed gedaan ? Feit is dat het met H.H. ondertekend is. De signatuur in de tekening (hh) heeft ze naar die van haar vader (wh) gemodelleerd. Bovendien is in 1933 geen ander meisje met de initialen H. H. in de CAS-boeken en de schoolkranten te ontdekken. Ook wijs ik erop, dat de cabaretliedjes die Haasse later schreef niet zó gezongen werden als Haasse ze opgeschreven had, ze werden tijdens de repetities aangepast. Op de tweede illustratie, onder gedicht en nawoord, laten zich met enige goede wil rechts twee letters H onderscheiden.
Het eerste van de twaalf coupletten luidt:

Heb je wel gehoord van het heerlijke kamp / waar wij Maandag zijn gekomen?
Wij zaten in een omnibus vol stof en gestamp / over de komende week te bomen.
Hoera! Hoera! Wij waren er al dra! Het eten was al klaar, 't smaakte een beetje raar,
Toch kwam alle eer aan Annie Koch (bis).

Hier is de tweede regel het struikelblok. Ik betwijfel sterk dat HSH dat geschreven heeft.
    Absoluut zeker van Haasse is een Sinterklaasgedicht uit 1933 in DE ECHO voor de leraar Nederlands Planting namens de lyceumklas IIIa. Kaatje (Hella) is uitgedost als vogelschrik.

  Hier bin ik Kaatje Soetekauw                                 —— Hella Haasse ——
  ■    ■    ■       34 of 35 regels    

 

In Haasse's handschrift heet het "Zoetekauw", "eerrrzame" en "Och Heere Griet, ik stong te balke van verdriet".

*   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *


H. Planting

Hendrik Planting, leraar Nederlands aan de CAS, is geboren 9 april 1890 in Leeuwarderadeel in een geslacht van onderwijsgevenden. Hij was de jongste zoon van Bauke Planting (11 feb. 1847 Drachten – 27 apr. 1929 Apeldoorn) en Ynske Wielenga (10 feb. 1850 Aalsum – 3 sept. 1929 Apeldoorn), gehuwd 3 feb 1876 te Zuidbroek. In 1911 behaalde H. Planting, toen in Winterswijk woonachtig, de Hoofdakte (NvdDag kl. crt. 28 juli 1911) en werd leraar M.O. Nederlandsch. Hij had een paar jaar een baan in Deventer en trouwde op 28 mei 1914 in Winterswijk met Arendina van Apeldoorn, geboren op 16 april 1896 in Zutphen. Zij gingen in het kerkdorp Meddo ten noorden van Winterswijk wonen.
    Hendrik en Arendina kregen een dochter (Ynske) Ina, *13 aug. 1916 te Winterswijk. Zij huwde 2 febr. 1945 te Eindhoven Jan Scheepstra (*3 aug. 1913 te Heerenveen). In Meddo schreef Planting in 1913 het artikel Bloeiende heesters in De Levende Natuur. Toen hij in 1921 het artikel Wintermorgen in DLN schreef woonde hij in Geesteren (Gld). De illustraties bij zijn artikelen tekende hij zelf. In 1916 volgde H. Planting uit Geesteren van 22 juli tot 11 aug. te Breda een cursus handenarbeid voor onderwijsgevenden, die met het geleerde als facultatief leervak in de klas aan de slag konden ter afwisseling van de sommen en dictees. Een initiatief van de Vereeniging tot bevordering van het Onderwijs in Handenarbeid in Nederland. Dat Planting ook een opleiding tot horlogemaker gevolgd zou hebben, wordt hierdoor geloofwaardiger.

Planting kwam in 1921 met de Oranje naar Ned.-Indië (alleen?), werd volgens de Regeerings-almanak van Nederlandsch-Indië, 1815-1942 in juni 1921 onderwijzer aan diverse ook inlandse scholen in Makassar, tot 1930, ging toen als "onderw. 1e klas" naar de OSVIA (Opleidingsschool voor Inlandsche Ambtenaren) in Magelang (Java), werd vervolgens "leeraar Bat. Lyceum". Na zijn eerste verlof ca. 1928-29 schijnt zijn vrouw met de kinderen in Nederland gebleven te zijn en met een familielid een pension gedreven te hebben aan de Guido Gezellestraat 16 in Eindhoven. Daar woonden in 1934 C. van Doorn, inspecteur Philips Coöperatie, Huisvr. H. Planting-van Apeldoorn, pensionhouder, R. Henssen, kantoorbediende, en Wed. A. van Apeldoorn-Peters, zonder beroep. Volgens de BS woonde ze op 1 febr 1936 inderdaad in Eindhoven.  Arendina schijnt al snel na haar huwelijk een eigen leven te zijn gaan leiden. Ze is op 4 nov 1959 in Amsterdam overleden.

In 1937 ging Planting met de Marnix weer met verlof naar Nederland, om in 1939 (met zijn vrouw?) per Oldenbarnevelt naar Java terug te keren (in 1939 vermeldt de passagierslijst fam. H. Planting). De gewelddadige bezetting van 'Holland' (zoals Nederland in N.-I. vaak genoemd werd) heeft hem sterk aangegrepen. Op 10 juni 1940 schreef hij een gedicht van 10 cpl. op de melodie van het Wilhelmus, Een nieuw lied op oude wijs, en tussen mei 1940 en juni 1941 een bundel van 25 gedichten, Achter het front. Tijd- en strijdzangen. Uitg. G. Kolff en Co, Batavia-Centrum, juli 1941. Oranje kaft. Titels als ‘Heden gij, morgen wij’, ‘Aan Roosevelt’, ‘Holland’, ‘Onze complimenten, Churchill!’, etc. De eerste 14 stuks zijn gepubliceerd in dagbladen, de nrs 15 t/m 24 in het toen door Planting geleide weekblad 'De Nieuwe Dag'. De Ode aan de Koningin staat er niet in, die is "op verzoek van H.M. afzonderlijk uitgegeven en verspreid". Dat nieuwe lied op oude wijs is in feite het Wilhelmus op gemoderniseerde tekst : "Wilhelmus van Nassouwe / wijdde eens in bange nood / Het Vaderland zijn trouwe / en stierf de martlaarsdood. / Maar niet vergeefs was 't leven / in last en leed vergaan : / ons bracht zijn edel streven / het vrije volksbestaan".

In het "Ter inleiding' van zijn bundel schrijft hij "Van  groot gewicht is voor mij geweest dat ook verschillende oud-leerlingen de wens te kennen hebben gegeven deze gedichten in boekvorm te bezitten". In die jaren leidde hij het weekblad De Nieuwe Dag. Was sinds 1934 voorzitter van de Vereeniging van Leeraren en Leeraressen in het Middelbaar Onderwijs en vice voorzitter van de A.V.A. (Vader Haasse was voorzitter in 1933-1934). Zowel Plantings artikelen tégen 'Nazië' (Nazi-land), de NSB en de corruptie in eigen gelederen, en vóór onderwijsherziening, rechtshandhaving en Indisch zelfbestuur als ook zijn gedichten zijn fel van toon in hun engagement, iets waarvoor Hella pas in de jaren vijftig enig begrip kon opbrengen. Planting was niet voor dichter in de wieg gelegd, maar WO II brak een dichtader in hem open. Zijn sarcasme is soms best wel te genieten, zijn verontwaardiging invoelbaar. Gaat hij op de hoogdravende toer, komt er weinig meer dan obligaat pathos uit.
    Het doet goed 't bundeltje 'Verzen van verzet' van Rie Cramer te lezen, en, juist als bij Planting, maar veel mooier, de onversneden, niet met wikken en wegen aangelengde moffenhaat op je bord gegooid te krijgen, evenals in de Geuzenliedboeken eerste (1943), tweede (1944) en derde vervolg (1945). Hadden we van Haasse maar zo'n gedicht! In De ingewijden (1957) wijdt Haasse drie bladzijden aan het bombardement van Rotterdam, beter gezegd aan de belevenissen van Gosschalk daarbij, maar regels als „Ik wend mij naar den waterkant, / De schepen liggen leeggebrand, / het water, d'eeuwenoude baan / voert bloed en roet naar d'oceaan. / Daar staat de dood nog op de brug, / een zwarte schaduw, recht van rug. / Och broeders, hij bleef ongedeerd, / terwijl Uw schim hier langs marcheert” zijn er van Haasse niet (Clara Eggink, Het Vrij Nederlandsch Liedboek 1944 blz. 16, Geuzenliedboek Derde vervolg voorjaar 1945 blz. 14 – op de jammerlijk suffe datering van dit gedicht -1938!!, 1947!!- door deskundigen ga ik niet in). Duizenden grepen naar de pen, Haasse zweeg. Plantings verzetsgedichten uit de jaren '40-'46 hadden in elk geval succes. Hij koos partij, niet zonder risico, maar hij deed 'het
. Een van zijn beste gedichten is

                             BEGRIJPEN                 "Men begrijpt ons niet"
    is de klacht  van Japanse regeringspersonen.
Wij zaaien onverpoosd en mild het zaad    
      waaruit eens rijke oogsten zullen rijpen :                                        *   *   *
      de domme wereld wil ons niet begrijpen                   Uit Achter het front, 5 juni 1941
zij hoont ons werk en spreekt van eigenbaat.    
     
Wij knijpen onze brave boeren uit   Wij strekten Indo-China tot een voogd
      voor legers en voor oorlogsschepen :         toen het zich zelf niet kon regeren :
      de domme wereld heeft dit niet begrepen         de domme wereld bleef verblind beweren :
en ons bedrijf als zucht naar macht misduid.   wij hadden niets dan zelfbelang beoogd.
     
Wij hebben Manchukuo geoccupeerd   Toen wij niet aarzelden de vriendenhand
      om de Chinezen daar hun heil te leren :         van 't geestverwante Nazië te grijpen,
      de domme wereld bleek niet te bekeren,         toen hoopten wij : nú zal men ons begrijpen!
zij heeft die liefdedaad geprofaneerd.   Helaas – wéér stuitten wij op misverstand.
     
Toch niet ontmoedigd, offerden we ons bloed   Maar dat dit stomme Indië niet ziet
      en schaarse yens in China's dreven :         dat aan óns hart alleen zijn heil te wachten
      de domme wereld is verstokt gebleven         is, en liever bouwt op eigen krachten :
en grijnsde breed om onze tegenspoed.   kijk, dat begrijpen WIJ nu niet.


    Coll. TK

Inline afbeelding 9          
Hendrik Planting is in sept. 1946 in Hilversum aangekomen. Hij zal dus na het jappenkamp het schooljaar sept. 1945 – juli 1946, meehelpend aan de wederopbouw, hebben uitgediend, in het CAS-noodgebouw.

Daarna is Planting met verlof gegaan, misschien tevens uit veiligheidsoverwegingen naar Nederland vertrokken, waar hij per 3 sept 1946 een voorlopig adres aan de Sophialaan in Hilversum geregeld had. Daar heb ik oude overburen gesproken die zich hem nog herinnerden, maar dat was alles. Op 6 febr. 1947 nam hij zijn intrek aan de Sterrelaan 3, maar werd in het Diakonessenhuis (Neuweg 98) opgenomen om onbekende reden (archiefstukken werden na 15 jaren vernietigd). Daar overleed hij op 24 juli 1947, 57 jaar oud.




Planting in 1936 aan de CAS


Werd Planting als neerlandicus misschien opgenomen in de kring rond de Ind.-Ned. taalgeleerde Tajuddin in Hilversum? Als "leeraar Ned taal en letterk" is hij daar overleden, 57 jaar oud, in het Diakonessenhuis, op 24 juni 1947, mogelijk aan de gevolgen van de ontberingen in Indië. Ik heb in H'sum een paar mensen gevonden die hem nog gekend hebben.

Op de CAS was Planting een gezaghebbende, gedreven onderwijskracht. Een oud-leerling beschrijft zijn strenge manier om de leerlingen bij de les te houden in het CAS-gedenkboek 1902-1977. Haasse zelf : "Wat in de kindertijd geprikkeld wordt gaat nooit meer verloren. De literatuur heeft mij gemaakt tot wie ik ben. In het lyceum van de Carpentier Alting Stichting in Batavia hadden we echte topleraren, toegewijde intelligentsia die in de conservatieve kringen van Nederland niet zo gemakkelijk hun draai konden vinden, maar die zich in Indië, ondermeer met hun kennis van de nieuwe literatuur, naar hartelust konden uitleven". Of Haasse Planting óók tot de topleraren rekende is de vraag. Anders dan Haasse was hij minder estheet dan praktisch poëet. Het wat onbeholpen taalgebruik in zijn gedichten duidt erop dat hij geen ervaren schrijver noch een belezen man was. Ik vermoed dat hij in 1935 naar de nieuw opgerichte MULO van de CAS vertrok. In zijn plaats kwam waarschijnlijk P. Koets (CAS-boek 1902-2002), later misschien mej. M. J. Francken, of mevr. Gonggrijp, of hr. Stam. – Dergelijke moeizame mededelingen zijn educated guesses, want tijdens de Japanse bezetting is vrijwel alle CAS-administratie van na 1930 vernietigd. Men is aangewezen op mededelingen van oud-leerlingen in de twee gedenkboeken en op enkele bewaarde exemplaren van schoolbladen. Bovendien vervingen leraren elkaar tijdens de langdurige verloven. – Sinds 1936 was Planting medeadviseur van de redactie van het schoolblad Opgang, waarvan hij ook mede-oprichter was. In Haasse's gedicht wordt hij beschreven als ongehuwd, maar ja, dichterlijke vrijheden waren Haasse niet vreemd.

Zeker is dat mej. Francken Hella in de klas heeft gehad. Het is interessant haar oordeel over het zogenaamde debuut van haar oud-leerlinge te lezen in het Ochtendbulletin van De Vrije Pers op 4 dec 1948.

 
„Oeroeg” van Hella Haasse
[…] Tot dusverre maakte zij naam door de publicatie van gedichten, door voordragen o.a. van balladen en legenden, en door haar werk voor een cabaretgezelschap in Nederland. Zij kent Indië inderdaad uit eigen aanschouwing. […] Men voelt achter de verteller steeds de auteur. En hoewel Oeroeg de hoofdpersoon is blijkens de titel, is het toch eigenlijk deze Hollander, die de belangstelling trekt. Niet omdat zijn eigen leven zo belangrijk is, maar omdat zijn wijze van beschouwen, zijn aanvoelen van toestanden en gebeurtenissen op belangwekkende wijze naar voren komt. Het is zijn reactie op alle gebeuren die belangrijk is, méér dan het leven van Oeroeg. […]
M.J. Francken. 
*) Men zie ons blad van 30/9
 

Mej. Francken was 1942-1945 evenals Käthe Haasse in kamp Kramat geïnterneerd.
Francken, M. J.  [lijst 1945 : Kramat kampnummer Bunsho I, geslacht, leeftijd] 22534  F   45

Inline afbeelding 5   Inline afbeelding 6

BatNbl 27 mei 1940. Drukfout is “niet vaderlandsche taak”, lees “strikt vaderlandsch” o.i.d.

Inline afbeelding 8        Inline afbeelding 3         Inline afbeelding 1

         BatNbl 19 juni 1940                                         Planting 1940 aan de CAS HBS            1939 /40 CAS-archief

Op zoek naar Plantings  Gedenk Rotterdam dook het onderstaande gedicht Vergeet het niet van Rie Cramer op, gepubliceerd zomer 1945 in Verzen van verzet. Een verminkte versie ervan staat op de website van Geheugen van Nederland / Verzetsliteratuur, bron NIOD, anoniem typoscript.

VERGEET HET NIET .

Geloof ze niet, wanneer ze u verkonden,
Dat Duitschland ’t zwaard beschermend heeft gestrekt.
Zij hebben keer op keer hun heilig woord geschonden,
Hun meineed heeft ons toen, tien Mei, gewekt.
Herinner u hoe hun vandalen-horden
Staten schoffeerden tot ‘bezet gebied’
Terwille van Neuropa’s nieuwe orde …!
Vergeet het niet !

 

■   ■   ■  

 

■   ■   ■  

 

 

      En: Rotterdam: Bedenk te allen tijde
      Hoe onze stad verwoest werd en verbrand!
      Denk: Rotterdam, wanneer soms medelijden
      Met enkelingen van ’t vijandig land
      U mocht bevangen! Denk: ‘Zij hielpen spreiden
      Die namelooze ellende op elk gebied’.
      Weiger hun hand! Dit moet ons eeuwig scheiden!
       Vergeet het niet !

Lees hier het hele gedicht


______________________________________________________________________________

 
SOLDAAT IN GRENSLAND

Het is niet om de pijn in mijn verwond lichaam
het is niet om de vage angst voor het andere leven
dat mijn ogen blind zijn van scherpe tranen...
-----
Liggend in het ijle grasland
van twee levens, zie ik meer
helder de lange en vele smarten
hangen over mijn twee vaderlanden
waarvoor ik tweevoudig zal sterven.
-----
Ik zie de rampen teisterend rukken, als
felle stormen over de dorpen en desa's
ik hoor de stervensgeruchten van hen
wier haren plotseling zullen breken
op een stille binnenplaats, in de
kilte van een vale ochtendschemering....
-----
O, mijn Vaderland in het Westen en het Oosten,
als eenmaal weer de Vlag omhoog zweeft, gedenk
dan de levens, die herbegonnen in Gods handen.

Ned Inst v Oorlogsdocumentatie, Collectie Verzetsliteratuur [1707].
 

Jan van Ebbenhorst Tengbergen

zich noemende Jan (1918 – 2003).
Gedicht gedateerd 2 januari 1943.

 

 

 

Het gedicht preludeert op Haasse’s Oeroeg.

Opgedragen aan hen, die stierven voor Nederland en Indië.

 

De dichter is niet dezelfde persoon als Eddy
Tengbergen, *Batavia 1917. Zie boven.

 

Planting werd met zijn weekblad voor de Nederlandse regenten een luis in de pels. Hij had het niet makkelijk.

Onderzoek noodzakelijk. Onder dezen titel bracht de „l n d i ë B o d e” van 2 dezer het volgende hoofdartikel […]: In het orgaan de „Nieuwe Dag”, dat te Batavia verschijnt en wordt uitgegeven door den heer H. Planting komt een artikel voor onder het hoofd „misverstand”, dat de vrijlating van verschillende N.S.B.-ers bespreekt en dat in zijn opzet niet afwijkt van andere artikelen van gelijken aard, welke den laatsten tijd gepubliceerd zijn. Echter komt er in dit artikel één passage voor, welke de zeer ernstige aandacht verdient. De schrijver zegt namelijk:
  „Hebben wij geen recht zoo te spreken, als de, zelf ook geïnterneerde echtgenoote van den overleden nazi-voorman Brandenburg van Oltsende, in Batavia aanwezig, ter begrafenis van haar echtvriend, huisvesting geniet bij het hoofd van het kabinet van den G.G., dr. P. Idenburg?”
Er zijn ten aanzien van deze publicatie twee dingen. Het eerste, wat wij van harte hopen, is dat de gegevens van de „Nieuwe Dag” onjuist zijn, het tweede, dat zij inderdaad op juistheid berusten. Hiernaar zal een serieus onderzoek dienen te worden ingesteld. [….. etc.]  — Soerabaijasch handelsblad 9 oct 1941

 

         

Boekje van 8 pagina’s (verschenen op 10 juni 1940) waarin slechts één gedicht staat, dat aan Hare Majesteit aangeboden werd en vervolgens op haar wens uitgegeven. De netto opbrengst kwam ten goede aan de Ver. Prins Bernhard- en Spitfirefondsen. Het lied heeft 10 coupletten, te zingen op de melodie van het Wilhelmus.

1. Boekje van 8 pagina’s (verschenen op 10 juni 1940) waarin slechts één gedicht staat, dat aan Hare Majesteit aangeboden werd en vervolgens op Haar wens uitgegeven. De netto opbrengst kwam ten goede aan de Ver. Prins Bernhard- en Spitfirefondsen. Het lied heeft 10 coupletten, te zingen op de melodie van het Wilhelmus.  Main University Library KITLV M2005 A 5431 / Universiteitsbibliotheek Leiden —  2. Het Dagblad : uitgave van de Ned. Dagbladpers te Batavia (23 febr. 1946). Planting begon hier een beetje door te slaan.

“De gedichten van Planting vinden overal een gul onthaal. Vooral Een nieuw lied op oude wijs had een dermate groot succes, dat een paar Bataviasche dames een exemplaar lieten drukken in een zeer luxe uitvoering. Deze uitgave werd H. M. aangeboden in Londen”, via de Ned. gezant.

“In haar bedankschrijven maakte H. M. den wensch kenbaar, dat Zij het op hoogen prijs zou stellen, als dit gedicht op groote schaal werd verspreid. Dit geschiedde, maar naast een eenvoudige, doch aantrekkelijke uitgave, verschenen zes exemplaren in gelijke uitvoering als H. M. de Koningin werd aangeboden, in Oranje-omslag met goudopdruk en een zijden koordje” (N.V.G. Kolff & Co., Batavia, 1940). “Ze worden bij opbod verkocht, terwijl de totale opbrengst bestemd is voor de Jan van Galen-actie”.

Soerabaijasch Handelsblad 9 sept 1941, De Indische Courant 10 sept 1941, e.a.

Inline afbeelding 2

BS Overlijden / Reg datum 25 juni 1947 / Aktenr 500 / Akteplaats Hilversum / Noord-Hollands Archief, Haarlem.

 

 De Gooi- & Eemlander, 26 juni 1947

In Het geheugen van Nederland staat Planting met zijn gedicht ‘Begrijpen’ vermeld onder Verzetsliteratuur, evenals Jan Tengbergen (zie boven) o.a. met ‘Soldaat in Grensland’. Indische verzetsgedichten!

Inline afbeelding 2    NvddNI 13 sept 1935

Als gedrukt boek niet te vinden. Leiden heeft een digitale copie. “Wegens auteursrechtelijke beperkingen is dit digitale document alleen beschikbaar op vaste pc’s in de bibliotheeklocaties van de Universiteit Leiden”.

*   *   *   *   *   *

Het onderstaande Sinterklaasvers uit 1934 in DE ECHO eindigt met een latijns slot, als een kers op de taart. Het was bestemd voor Peter John Koets, een geliefde leraar op de CAS, speciaal van Hella. De hem door klas IVa toegedachte surprise was een houten vogel die een worm in zijn bek houdt, Balinees houtsnijwerk. Voor de leerlingen waren er natuurlijk pepernoten en iets persoonlijks als bijvoorbeeld een boekje.

Ik ben het paard, het onheilbrengend paard,

■   ■   ■ 

                       4 cpl v 4 regels

Koets kreeg er ongetwijfeld geen vertaling bij, dat zou een belediging geweest zijn. Ook Hella’s klasgenoten kunnen met het Latijn weinig moeite gehad hebben. Een boeloe ajam is een plumeau. Of de in Sinterklaas overzee (Paul Faber, 2006) bijgegeven vertaling van Haasse is, valt te betwijfelen. Het Latijn bevat in dat overigens aardige boek helaas een aantal spelfouten, die beslist niet van Haasse stammen.
Het ‘equus terribilis’ is een toespeling op Timeo Danaos et dona ferentes (ik vrees de Grieken, zelfs al brengen ze geschenken mee), een gevleugeld gezegde uit Vergilius’ Aeneas.
Is dit Sintdicht impliciet al een ode op het CAS-onderricht, ook expliciet heeft Haasse zich er in haar latere leven ondubbelzinnig over uitgesproken.

■   ■   ■                                                  ■   ■   ■

1. Aya Zikken, Haasse en P. Koets 1934 — 2. Koets en CAS-leerlingen op een vlot op Telaga Warna, ca. 1937 (LM).

HH: Hij [Koets] ging ook met ons mee kamperen in de bergen en nam echt aandeel in het leven van de school.
Zonneveld: Ja, ik heb die Koets ook nog heel goed gekend de laatste jaren van zijn leven.
HH: Ja, dat weet ik. PEEJEE.
Zonneveld: PeeJee, en die was heel trots op jou. Die liet mij trots dezelfde foto’s zien die jij mij net hebt laten zien over die uitstapjes naar Tjipanas in de bergen.
HH: Ja en naar Telaga Warna aan het meer en zo, weet je wel. We hebben met hem ook dat ongeluk beleefd waar Oeroeg op gebaseerd is.
Uit gesproken interview met Peter Zonneveld op 6 nov 2009.

 

 

1. Tijdschrift School en huis, waarin P. J. Koets een artikel ‘Kamperen in Indië’ schreef. In 1951 zou Hella voor de VPRO een ultrakort hoorspel schrijven, Gemengd Kamperen, waarin het gezinnetje Wegmans discussieert over het gemengd kamperen. Zowel de argumenten vóór (kinderen) als tegen (de ouders) komen aan bod. De kinderen winnen. CAS-archief.
2. Ernest Dezentjé (1885-1972), Telaga Warna, olie op doek,58 x 66 cm. Maart 1958 Bogor. Particuliere collectie.

“Onze klassen telden zeven leerlingen, elke les was bij wijze van spreken een privé-les. Vaak gingen we tijdens de weekends kamperen met onze leraren in de bergen, en dan besteedden zij, vooral meneer Koets staat me nog bij, al hun tijd aan de ontleding van de klassieken. Ik ben die school en haar leraren heel dankbaar voor alles wat ze me gegeven hebben. Lezen is ongetwijfeld een talent. En elk talent kun je ontwikkelen.” (…)
   “Maar toen ik zes jaar was, werd mijn moeder ziek. Ze kreeg pleuritis, en de Chinese longarts in Soerabaja raadde haar aan het klimaat van Indië een tijdje volledig te verlaten. Ze heeft toen tweeëneenhalf jaar in een sanatorium in Davos doorgebracht. Mijn broer en ik zijn met haar meegegaan. Wij werden in Baarn ondergebracht. Ik ben die tijd behoorlijk eenzaam geweest. In Baarn heb ik ervaren wat een grote troost het genot van het lezen kan bieden. Ik was zes en kon wel al letters schrijven, maar nog geen verhalen maken. En dus las ik, en ontdekte dat ik, door te lezen, mijn eigen fantasie en gedachten kon voeden. Later, toen de oorlog begon, en ik in Nederland verbleef, heb ik een tweede periode van diepe eenzaamheid beleefd. Maar toen kon ik schrijven, en vonden mijn gevoelens een andere uitweg.”  Hella Haasse in De Morgen van 22 nov 2006.

Drie jaar later :
“… de leraren waren fantastisch, vooral de leraren klassieke talen en leraren Nederlands en moderne talen. Wij hadden het voorrecht om als conrector en als leraar klassieke talen dr P. J. Koets te hebben. Ook in Nederland een bekende verschijning en iemand die, hoe moet ik het zeggen, voor mij een soort tweede vaderrol heeft vervuld. Ik zal mijn hele leven dankbaar blijven voor de lessen die we van hem hebben gehad. Hij ging daar ook met hart en ziel in op, hij deed heel veel met ons. Hij ging ook met ons mee kamperen in de bergen en nam echt aandeel in het leven van de school, onze literaire club enzo al dergelijke dingen daar was hij ook bij betrokken.     En hij deed ook veel meer met ons dat strikt genomen op het lesprogramma stond. Extra lezen van de grote klassieke schrijvers van de tragedie-schrijvers, van Tacitus en Vergilius en ons dan nog meevoeren want hij was ook een uitstekende spreker en wist ontzettend veel om ons wegwijs te maken in de sfeer van die antieke ereld.”  Uit gesproken interview met Peter Zonneveld op 6 nov 2009.

t.g.v. het 25-jarig jubileum van de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letteren, die de 91-jarige Haasse voor een spreekbeurt op het symposium “Ooggetuigen van de Indische geschiedenis” uitgenodigd had. Maar dat zag Haasse niet meer zitten, daarom werd een interview opgenomen dat tijdens het symposium te beluisteren was.

In een Opgang uit 1937 schreef hoofdredactrice Hella Haasse op de voorpagina de nu volgende aansporing voor haar medeleerlingen in penta- en hexameters, toespelend op „Arma virumque cano” (Vergilius) en „Andra moi ennepe Mousa” (Homerus), door elke lyceïst herkend als de beginwoorden van de Aeneis resp. de Ilias. Gedicht niet ondertekend, maar qua inhoud en op gezag van Johan Gerritsen, vast medewerker van de redactie, geschreven door HSH.

R e d a c t i e v e r g a d e r i n g

Bezing mij, o Muze, de daden van ’t moedige vijftal (24 regels)

■     ■     ■
  Inline afbeelding 1
Sumatra Post, 25 mei 1938
 

Inline afbeelding 1

BatNbl 4 juni 1938

■     ■     ■
Eindexamen CAS (LM)

 

Ernest Dezentjé (1885-1972), gezicht op Javaans bergland. De boom wordt flamboyant of bosvlam genoemd.
Een foto kan de sfeer van zo’n schilderij niet benaderen. Van dít land nam Hella afscheid, een afscheid dat ze als definitief ervoer. Het moet een hard gelag geweest zijn.
Particuliere coll.

 


Nederland. Toneel, cabaret



                   Coll. WHP.

Op 16 juli 1938 reed Hella door het hek voor haar ouderlijk huis aan de Kramatlaan in Batavia om naar de haven gebracht te worden. Voor de laatste maal zag ze het hierboven afgebeelde naambord, door haar vader gemaakt, aan de paal naast de uitrit hangen. Of ze gaan zou was i.v.m. de internationale situatie een moeilijk te nemen beslissing voor haar ouders. Willem hakte de knoop door. Vgl “Een paar jaren voor de oorlog reisde ik op de Johan de Witt van Holland naar Indië om mijn vakantie door te brengen bij mijn ouders en broers in Batavia. In Holland had ik al de 2e en 3e klas afgemaakt op de Van Limburg Stirumschool in Arnhem en de bedoeling was dat ik die school [verder] zou doorlopen. Doch toen intussen Hitler Polen binnenviel, vond mijn vader het beter dat ik bij hun bleef” (oud CAS-leerling).
   Dat Willem en Käthe op zeker moment kleiner zijn gaan wonen toen Hella het huis uit was schijnt niet het geval geweest te zijn.
   Haar vader had haar aan de universiteit van Utrecht ingeschreven om Nederlands te gaan studeren. Hij had in Baarn, Utrecht of Bilthoven via een familielid of kennis (Deierkauf?) kamers voor haar geregeld. Hella reisde met de Baloeran, die op 16 juli 1938 uit Batavia vertrok en op 16 aug. 1938 in Rotterdam aankwam. Broer Wim was tot Medan met haar meegereisd (zie zijn Recollections, verderop te lezen), niet tot Sabang, zoals HSH in Persoonsbewijs schrijft. In Utrecht heeft ze zich echter niet bij de BS ingeschreven, maar is een kamer in Amsterdam gaan zoeken. Dat lukte en zo betrok ze op 13 sept. een kamer in het pension van mevr. Hora Adema aan de De Lairessestraat 3 in Amsterdam. Op het laatste moment was ze kordaat naar Amsterdam geswitcht om daar colleges Scandinavisch te gaan lopen. Zo zelfstandig was ze dus wel! Misschien heeft ze in Baarn of Bilthoven bij familie nog even onderdak gevonden terwijl ze op zoek ging in Amsterdam, waar het universitaire jaar op 1 sept. begon.
   Haar koppige daadkracht doet wel vaker aan Seraphia Weitzel denken, de moeder van haar moeder. De abrupte overgang van Batavia naar Amsterdam zal haar niet erg moeilijk gevallen zijn, ofschoon Haasse in haar jeugd naar eigen zeggen “eigenlijk in de negentiende eeuw geleefd had” (Calis p. 176) en haar vader volgens een familielid “een 19de-eeuwer” was. Haar eerdere kennismakingen met de eigen tijd, vooral die in 1935 opgedaan, vormden voldoende voorbereiding. Wel begon de wereld er donkerder uit te zien toen het uitbreken van de oorlog in sept. 1939 haar dwong van een studiereis in Zweden uit Göteborg terug te keren (Singel 262, zesentwintig biografieën, 1949). In Nederland stond ze er alleen voor, zoals ze later klaagde. Maar dat is met de feiten in tegenspraak.

 Inline afbeelding 35  CAS-archief
          april 1940

Van dit schoolblad, Cas-Contact, na Hella’s vertrek opgericht, was H. Planting aanvankelijk hoofdredacteur, maar dat duurde niet lang. In april 1940 werd  met trots melding gemaakt van de plaatsing van gedichten van oud-leerling Hella Haasse in PC en WERK.

Haasse 2007 in vraaggesprek met Patricia de Groot : “Ik kende Wim Hora Adema, die als journaliste aan Het Parool verbonden was. Ik had haar ontmoet toen ik in 1938 uit Indië kwam ; als studente ben ik in huis geweest bij de familie Hora Adema, die toen een pension had in de De Lairessestraat. Zij werkte bij het illegale Parool. Ook tijdens de oorlog hebben we contact gehad, en in 1943 heb ik door haar bemiddeling teksten geschreven voor het cabaret van Wim Sonneveld.” Bij Eijlders, waar ‘iedereen’ kwam, lieten ze zich zelden zien. In WERK 1939/5 staan gedichten van Haasse en Hora Adema (1914-1998) gezusterlijk naast elkaar. Volgens Dijkgraaf (Spiegelbeeld p. 94) hielden Haasse en haar vriendin Luisa Treves “na het eerste studiejaar allebei op met hun studie” (Hella Zweeds en vooral Oud Noors). Dat is dus medio 1939. Truijens zegt in De School van de Literatuur “maar zij brak die studie al in 1940 af”. Haasse in Zwanen schieten geeft medio 1941. Weer volgens Dijkgraaf (p 97) gaf ze haar universitaire studie in 1941 op omdat de noordse sagen na de bezetting steeds meer door de nazi-ideologie geannexeerd werden. Het Dig HH Mus (nu opgeheven) deelde mee, voor wie het wil geloven, “1942 : Hella stopt met haar studie Scandinavische Talen en Letteren in Amsterdam”. Dit is een van vele voorbeelden van de norm van nauwkeurigheid die Haasse-scribenten hanteren.
  Hella zou tijdens een college – wie zou dat dan gegeven hebben? – letterlijk onpasselijk geworden zijn van de germaanse sagenuitleg, schrijven vele literatoren. Ook Jan van Lelyveld debiteert het verhaaltje in een interview in De Groene van 18 feb. 1998. Zelfs Tom Steendam (2013) schermt er weer mee. Lector mevr. Nel Boer-den Hoed kan daar niets mee te maken hebben gehad, die was boven elke twijfel verheven anti-nazi. Hoogstwaarschijnlijk is het hele incidentje verzonnen. Wie zich afvraagt door wie, zoekt gewoon de eerste vermelding op.
   Haasse, en velen in haar voetspoor noemen een zekere deutschfreundliche meneer D. die bij vader Haasse in Rotterdam op de HBS in de klas heeft gezeten. Enig onderzoek leert dat de heer D. vier jaar ouder dan WH Haasse was en het gymnasium doorlopen heeft, maar niet in Rotterdam. Waarom niemand die loze eindjes, onjuiste opgaven en verzwijgingen in de artikelen en boeken van Haasse en de Haasse-studiosi uitzoekt en invult, is duidelijk. Men is bang zijn vingers te branden. Dom, want het komt toch uit, en dan werpt de sensatiepers zich erop. Hella Haasse is dan het slachtoffer. Dat zou vermeden kunnen worden door open kaart te spelen, maar dan wel door iemand die Haasse’s jeugd grondig kent en daarvoor de juiste woorden weet te kiezen.
   “Dat Hella Haasse Scandinavische talen zou hebben gestudeerd wordt met enige regelmaat vermeld. Haar studie is van zo’n korte duur geweest is dat er absoluut geen sprake was van een afgeronde of zelfs maar enigszins gevorderde studie. Bijvakken waren dus ook niet aan de orde. Ook volgens Professor Boer is Hella’s studie van zeer korte duur geweest” (met dank aan An Duits, assistente van Nel Boer-den Hoed vanaf 1961, wetenschappelijk medewerker sinds 1965). Boer-den Hoed was lector vanaf 1929. Van 1960 -1969 was ze professor. Hella’s belangstelling ging overigens meer uit naar Oud Noors dan naar het hoofdvak Zweeds. Volgens Keuls (2018 p. 173) heeft ze "een jaar Scandinavische talen gestudeerd".

HH heeft een Schoevers-cursus gevolgd (wrs 1939). In 1940 was Instituut Schoevers gevestigd v. Baerlestraat 13, bij het Vondelpark. Mogelijk heeft Haasse de opleiding in de zomer van '39 of '40 gevolgd (in mei gestopt met Scandinavistiek en in sept gestart met Toneelschool). Er werden namelijk ook zomercursussen gegeven. Wellicht viel de toelage uit Indië weg. Maar ze kreeg vaste voet in de toneel- en cabaretwereld. Voor het jaar waarin ze toelatingsexamen toneelschool deed worden weer diverse jaartallen opgegeven. Wat Haasse onderstaand opgeeft (1940) is n.m.m. juist, wordt bijv. door Elisabeth Andersen bevestigd – alleen verscheen ‘De verborgen bron’ niet in 1951 maar in 1950.

■     ■     ■
Haasse zelf in een ca. 1985 opgesteld curriculum. (LM)

■     ■     ■
Johan van Ebbenhorst Tengbergen (1883-1969), buitengewoon hoogleraar in de Geneeskunde, ondertekende namens het Hoofdbestuur van het Nederl. Toneelverbond het diploma van de Tooneelschool in 1943. (LM)

Cornelis Casanova in Amsterdam
   De schitterende schuinmarcheerder en machtige minnaar Casanova, voorgesteld door Cornelis Laseur, schrijdt thans in een geel en blank gewaad van fluweel en brokaat over het toneel van het Centraal Theater. Drie kostbare decors die een architectonische indruk geven van oud-Amsterdam, vormen de achtergrond van een liefdesavontuur waarin de hoofdrollen worden gespeeld door de bekoorlijke Hella Haasse, in de toneelwereld deze zomer gelanceerd door Adriaan Hooykaas en opgevallen in de onder diens regie meer dan vijftig maal gespeelde „Mariken van Nieumeghen” èn Rie Gilhuys. Laseur speelt met zijn vertrouwde en vertrouwelijke beminnelijk charme den hartenveroveraar en wordt ter zijde gestaan door Ko van Dijk als een lichtelijk clowneske dienaar. […]
Het publiek heeft het ensemble van het Centraal toneel met hartelijk handgeklap welkom geheten in het nieuwe seizoen.

   Cornelis („Cees”) Laseur als Casanova en de jonge actrice Hella Haasse, die thans naast Mary Dresselhuys en Rie Gilhuys een plaats is in komen nemen in het ensemble van het Centraal Toneel, als Sibilla in „Casanova in Amsterdam”, het stuk van dr: F. N. Huebner, dat thans in het Centraal Theater gaat. (Foto C.N.F. Noske.)
Het Volk, 18 sept. 1943.

÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷

Correspondentie over Mariken.
■     ■     ■

Je bent 25 jaar en je vindt zulke brieven tussen de post. Lacht het leven je niet toe? Hella is hersteld of herstellende.
“Na uw herstel” schrijft Hooykaas op 9 juni 1943. Op 6 aug. 1942 is Hella in Haarlem ingeschreven, maar haar postadres was kennelijk de De Lairessestraat in Amsterdam gebleven, waar ze althans in 1943 ook min of meer woonde.

Toneeloptreden               

1. Hella Haasse samen met Kees Brusse in de sketch ‘De infante en de dwaas’, die zij had geschreven voor Wim Sonneveld. Foto Ytzen Brusse. Tingel Tangel 16 nov. 1945.2. Programma SPROOKJES. (Coll. TIN/UVA).

Een andere onvergetelijke herinnering: Wim Sonneveld zou met zijn gezelschap een voorstelling komen geven in Musis Sacrum in Arnhem, maar vlak voor de aanvang werd hij geveld door een hevige koortsaanval. Zijn medewerkers (o.a. Kees Brusse en Hella Haasse) begonnen maar vast, maar Wim knapte niet op. Kees en Hella bleven dus improviseren en schmieren om het publiek bezig te houden.

   En dat deden ze de hele avond lang. Van bijrollen tot hoofdrol. Ik vond het een kostelijke avond, een van de leukste uit mijn jarenlange ervaring als cabaretconsument. De directie van het theater had evenwel een andere mening en liet na afloop weten, dat dit toch niet de bedoeling was en dat iedereen aan de kassa een kaartje kon afhalen voor de herhaling op een later tijdstip. 

Ton Oosterhuis, Het Vrije Volk, 1946. 

 

WIM SONNEVELD’S CABARET. Met Sprookjes.
   Zingen Elly Weller en Wim Sonneveld binnen de omlijsting van die heusche poppenkast hun naief-wijze Pierrot en Pierrette-liedje en knoopt Sonneveld daar de wrange moraal aan : we zijn allemaal maar poppenkast-poppen, die moeten bewegen zooals de touwtjes van onze “bazen” dat willen, dan is daar de waarachtige sfeer van het cabaret ; je wordt even met je neus op een waarheid geduwd en Hella Haasse behoeft, wat mij aangaat, nooit ernstige gedichten meer te schrijven wat tientallen overigens beter doen – als ze maar genoeg van dit soort cabaret-gevalletjes schrijft. Het openings-nummer “In de sprookjeshemel” bezit in aanleg ook genoeg geestigheid om van allure te zijn, terwijl “De harp, de cel en Pieternel” – met een heerlijke parodie van Conny Stuart op een harpiste – ook bewijst, dat Hella Haasse bij het onderwerp-kiezen genoeg speelschen geest bezit om in dit genre te kunnen slagen.
   Wim Sonneveld weet door een artistieke regie een zeer eigen sfeer om deze liedjes te hangen. Overigens is deze jongeman een voortreffelijk cabaretier, die een chanson op een zeer bijzondere wijze weet te brengen. Dat Conny Stuart zoo volledig slaagde in haar Fransche chanson “Mon parfum d’amour” – geschreven door Hella Haasse! – was voor geen klein deel aan een zuivere regie en het gezellige décortje te danken. [….]
Bruno Weykamp in De residentiebode 19 aug 1944

Wim Sonneveld vertelt SPROOKJES
   [….] Op een fantasie als die van Hella Haasse moet onze Nederlandsche kleinkunst zuinig zijn: zij zijn te dun gezaaid om er roekeloos mee om te springen. Wim Sonneveld, voor wiens cabaret de jonge begaafde dichteres een nieuw programma getiteld “Sprookjes” schreef, schijnt dat uitstekend te beseffen, want met welk een zorg en enthousiasme worden de bedenksels door zijn uitgelezen troepje in het Leidschepleintheater over het voetlicht gebracht! Het eerste programma was een opzienbarend debuut, zoals het de hoofdstad enkele maanden geleden verraste; het tweede bevestigt alle goede verwachtingen, toen gewekt. Het is bezonkener en nòg harmonischer, wellicht omdat Hella Haasse thans de eenige autrice is.
Leo J. Capit
Sprookjes: een cabaret-succes voor WS en HH.
CINEMA & THEATER — 24ste Jaargang — No. 7 — 12 Februari 1944

 

Inline afbeelding 3

Utrechtse Crt 22 mrt 1944 

 

 Nieuwe Tilburgsche Crt 24 feb 1944


Sprookjes op het Leidscheplein
De jeugdige Hella Haasse heeft voor het cabaret van Wim Sonneveld een sprankelenden tekst  geschreven, geheel in sprookjes-sfeer waar een eivol Leidscheplein-theater enthousiast van heeft genoten. Dit is volop cabaret! Wim Sonneveld, Conny Stuart, Sophie Stein, Elly Weller, Eri Rouché, Lia Dorana, Robert Martin en Jack Terpoorten geven van deze sprookjes een aanschouwelijke vertolking, muzikaal geïllustreerd door Wim de Vries en Wim de Soet, die het publiek weer een avond tot kinderen maakt. Zóó wordt men geboeid en zóó geamuseerd. 
Fred Thomas.

Hella noemde zich hier Hella Haasse, zoals ook bij de toneelstukken uit 1951 en 1953. Voor het overige was haar nom de plume Hella S. Haasse, met enkele uitzonderingen, zoals Serafyntje Nooyt-tevreden (in ’t schoolblad ‘De Echo”, dat overigens eerder aan de columns van haar vader doet denken!), C. J. (Casper-Jan) van der Sevensterre, June en Theophila. Toen ze in 1947 ermee stopte liet ze een leegte achter. Nummers van haar werden nog tot in 1953 gebracht. Ik heb de indruk dat ze ook na 1947 nog enkele nieuwe nummers voor Sonneveld schreef, zoals Klatergoud (1953). Haasse schreef ook teksten voor Cor Ruys, zoals Cabaretrevue Corveetjes (1945/1946) en Cabaretrevue Zeegeruys: Van toen en thans (1945/1946). En ze kon er nog meer bijschnabbelen op personeelsfeesten in dat laatste oorlogsjaar. De feestnacht (gedurende de Sperrzeit binnen blijven in de Apollohal!) van de N(ederlandsche) S(cheepsbouw) M(aatschappij) Feestavond Gouden Jubileum der NSM (25 aug. 1944) werd anderhalve week voor Dolle Dinsdag (5 sept.) gevierd. “Augustus 1944 moest koste wat het koste een maand worden waarin er weer iets aangenaams te beleven was. De gedachten even de andere kant op en de zinnen verzet. En daar werd werk van gemaakt”. Men had kans gezien gerookte paling uit Volendam te smokkelen! Een van de programmanummers was een toneelstuk, 50 Jaar Scheepsbouw, waarin ook het NSM-koor optrad. Het programmaboekje vermeldt “Toneelspel met NSM acteurs onder regie van Gerard J. Metzelaar met teksten van Hella Haasse en Clinge Doorenbos”. De NSM was evenals Shell Noord een bedrijfsstad op zich met sportieve, culturele, medische en andere organisaties en voorzieningen.

 

FEESTAVOND GOUDEN JUBILEUM

                        der

                   NSM

met o.a.

50 Jaar Scheepsbouw

T o o n e e l s p e l    o p g e v o e r d    d o o r    N. S. M. – e r s

Regie : Gerard J. Metzelaar

Koor : G. Brouwer

Teksten : Hella Haasse – Clinge Doorenbos

100 medewerkenden

          coll TK

 

=========================================================================

Cor-veetjes is al van na de oorlog, juni 1946.

                   TIN

Hella regisseerde zelfs de cabaret-revue onder de leuk bedachte titel Raffinaat op 15 maart 1947 in Krasnapolsky voor de personeelsverenigingen van Shell (Amsterdam Noord), waarvoor ze ook teksten schreef. Onder de medewerkenden vallen Dick Morks, Peter Dogger en het Shell Orkest op, indertijd bekende namen in kunst en kleinkunst. Ik heb 15 jaar later een paar maal voor ‘de Shell’ gewerkt. Alle respect voor wat daar verricht werd.

  coll TK

           Inline afbeelding 9

Coll TK

Hella heeft viermaal teksten voor Cor Ruys’ Cabaret geschreven samen met Brammetje, een schuilnaam, waarachter zich Maurice Henri du Croo (8 april 1887 Arnhem – 23 april 1951 Aalten) verborg. In het Bataviaasch Nieuwsblad schreef Brammetje indertijd columns. Een ander pseudoniem van du Croo was Abraham Exodus. Du Croo is Luitenant der Infanterie geweest en heeft bij het KNIL gediend. Schreef boeken en liedjes (ook ‘Indische’), o.a. :
— M. H. du Croo, Jan Fuselier – Schetsen uit het Indische soldatenleven.1916.
— A. Exodus, Het land van bij-ons-buiten. 1930.
— M. H. du Croo, Generaal Swart, pacificator van Atjeh. 1943.
— Abraham Exodus,
De makelaar en ik, Uit het leven van twee Indische vrijgezellen van rijpere leeftijd. 1941.
Schreef als journalist ook na de oorlog nog in de Ned. Dagbladpers te Batavia.

  Inline afbeelding 1   Inline afbeelding 2
                        Bat Nbl 11 mei 1938                Java Bode 25 april 1951

Hella zal ten behoeve van haar bijdragen aan feestjes en schoolfuiven weleens in Brammetjes liedjes geneusd hebben of er iets van haar gading bij was. Na de oorlog heeft ze verscheidene keren met hem samengewerkt.

Eigenwijze Liedjes

        Geweest.

Zoodra de eerste blaren vallen,
Zoodra de zomer is gedaan,
Dan zie je dikwijls ouwe menschen
Aan ’t venster in gedachten staan ;
Ze staren naar de felle tinten
Van een verkleurd zomersch feest,
Dat nu wellicht – wie zal het zeggen ? –
Hun laatste zomer is geweest.   […]   

 

 

 

 

 

 

  Soerabajasch Handelsblad 11 feb 1933  Lees hier het hele gedicht

        

De drie mannen van de Eigenwijze Liedjes : Brammetje, Cor Ruys en Han Beuker. Op het Scheveningse terrastafeltje ligt een exemplaar van het boekje Eigenwijze Liedjes van Brammetje. Kranteknipsel TIN.

Ondertussen had Haasse eind 1945 haar gedichtenbundel Stroomversnelling het licht doen zien.

 

 

Inline afbeelding 1

6 juli 1946   Coll. TIN      De Tijd, 22 juni 1946  

En wie waren in het seizoen ’46-’47 aan het Residentie Tooneel verbonden ?

JOHAN DE MEESTER over de plannen van Het Residentie Tooneel.
Een nieuwe opvoering van de „Drie Stuivers Opera”.

Het Residentie Tooneel, dat in den Koninklijken Schouwburg te Den Haag zijn tehuis heeft, komt dit seizoen met een belangrijk repertoire voor den dag. ’t Zal ieder genoegen doen dat de „Drie Stuivers Opera” van Kurt Weill en Bertold Brecht — waarmee Van Dalsum jaren geleden zooveel succes boekte en welk stuk ook door de gelijknamige film bekend is geworden — opnieuw ten tooneele wordt gebracht. […]

Het tableau de la troupe
Het is hier de plaats om in te voegen de namen der actrices en acteurs, die dit seizoen aan het gezelschap zijn verbonden. Het zijn de dames: Marja van Bergen, Hélène Berthé, Lily Bouwmeester, Fie Carelsen, Mary Dresselhuys, Caro van Eyck, Mieke Flink, Françoise Flore, Jos Fooy, Georgette Hagedoorn, Coba Kelling, Ans Koppen, Annie Leenders, Enny Meunier, Marie Meunier-Nagtegaal, Jet Naessens, Bets Ranucci-Beekman, Ida Wasserman, Diny Sprock, Hella Haasse, mevrouw Kooper, Loukie Ruys en Eri Rouché (laatstgenoemde zal een belangrijke rol in de „Drie Stuiver Opera” spelen). Verder de heeren: Piet Bron, Henk van Buuren, Joris Collet, Pim Dikkers, Richard Flink, Theo Frenkel, Jos Gevers, Jack Gimberg, Wim Hart, Gerard Hartkamp, Guus Hermus, Wim Hoddes, Eric van Ingen, Hans Kaart, Bob van Leersum, Jan van der Linden, Van Lingen, Ton Lutz, Van Maanen, Johan de Meester, S. Nijenbranding de Boer, Luc Philips, Anton Roemer, Ben Royaards, Paul Steenbergen, Hans Tiemeyer en Dirk Verbeek.
    Johan de Meester verheugde er zich over, dat dank zij het coördinatieplan de leidende gezelschappen nauw samenwerken, waardoor b.v. Het Residentie Tooneel weer geregeld in Amsterdam zal optreden en ook de belangrijke steden in de „provincie” bespelen. Dat Groningen hieronder valt is een feit, dat ongetwijfeld door mijn lezers gewaardeerd zal worden, vooral als zij hebben gelezen welk belangrijk werk van dit gezelschap verwacht mag worden. 

JAN UBINK

In het solovoordrachtprogramma ‘Balladen en Legenden’ bracht Haasse vanaf 8 dec. 1946 toneelmatig haar bewerkingen van Nederlandse, Engelse en Franse volksliederen van de twaalfde tot de zeventiende eeuw op de planken, zelfs in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Je moet ervan houden, zou ik zeggen. Bijgeloof, primitieve ‘denk’beelden, wreedheden, magische rituelen, sprookjes, zó opgediend, het is niet mijn cup of tea. De folksongs die Benjamin Britten op muziek zette en de volksliederen die Brahms componeerde zijn van geheel ander kaliber, vind ik, al zullen de onvergetelijke melodieën daaraan wel het hunne bijdragen. Maar ook Een karretje op de zandweg reed / De maan scheen helder, de weg was breed / Het paardje liep met lusten / ‘k Wed dat het zelf zijn weg wel vindt / De voerman lei te rusten … / Ik wens je wel thuis, me-vrind, me-vrind / Ik wens je wel thuis, me-vrind! wint het als door-het-volk-gezongen-lied van Haasse’s volksliederen. Toen in april 1947 haar dochtertje Chrisje aan difterie gestorven was staakte Hella de voorstellingen en heeft die niet hervat. Het boekje Balladen en Legenden (1947) herinnert aan die episode. Maar later heeft Haasse ook goede vertalingen van mooie gedichten neergezet, zoals de twee ballades van Charles d’Orléans in De eerste stem. Een album voor Kees Fens (1994).
   Lyriek der Natuurvolken uit 1947 doet in de verte denken aan de weltpoëtische verzamelbundels Polydora I en II (1855) van Georg Friedrich Daumer, waaruit Johannes Brahms voor zijn Liebesliederwalzer putte. Haasse en Münsterberger blijven ver bij Daumer achter. Maar de ruime keus die Lyriek der Natuurvolken biedt heeft documentaire waarde en ligt kwalitatief hoger dan Balladen en legenden uit hetzelfde jaar 1947.

Inline afbeelding 4    De Vrijheid, 25 juni 1945                                                                           Haarlems Dagblad, 4 maart 1947             

  Haasse’s titel Edeltraut is Ehrenbraut blijkt reeds op 25 juni 1945 veranderd te zijn in Edeltraut, die Ehrenbraut, wat illustreert hoe onbevangen de acteurs de aangeleverde teksten naar hun hand zetten. Haasse schreef een gedicht, maar Sophie Stein moest het spelen, en dat is iets heel anders dan  lezen of voorlezen, het spel voegt een complete dimensie toe. Haasse had dat niet helemaal in de vingers. Het boekje HSH, Yvonne de spionne (De Lange Afstand) drukt Haasse’s oorspronkelijke versies af, maar niet wat er uiteindelijk op de repetities van gemaakt is, zoals op enkele bewaard gebleven opnamen en tekstblaadjes te horen en te zien is. —  (De) Vrijheid was het illegale kopblad van Het Parool.

÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷    ÷

            

De Waarheid, 11 april 1946                              Tutti Frutti 1946. Verjaardag decorbouwer?  Coll TIN

                    Inline afbeelding 1/

Vlnr: Conny Stuart, Wim Sonneveld, Hella Haasse, Sophie Stein en Kees Brusse in Verre Reizen, 1946.
            Foto: Ytzen Brusse
.

Hoe werd zo’n programma in die tijd ontvangen? Een aantal knipsels.

Inline afbeelding 5   Inline afbeelding 3
Handelsblad 21 jan 1946   Knipsel uit onbekende krant. TIN

NB: Hella Haasse zong het nummer Jeanne de Sessac !

Inline afbeelding 1             Inline afbeelding 2  


De Waarheid 19 jan 1946     — — — — — — — — —     Sonneveld en Haasse, De Telegraaf 16 feb 1944
 

“Verre reizen”  
Als het schrijven van critieken ja of neen zeggen is, dan moet het dezen keer wat mij betreft , “nou – neen” wezen. De totaalindruk van dit nieuwe Sonneveldprogramma in het Leidschepleintheater is slapjes, maar het “neen” komt toch pas na een aarzeling, die geschreven mag worden op rekening van liedjes als “Ansichtkaarten”, tot den indruk waarvan de tekstschrijfster Hella Haasse en de knappe typeur Kees Brusse alle twee bijdragen. Ook een navrant oorlogs-scènetje als “De reis in het donker” heeft zijn verdiensten evenals “Chineesche wijsheid” – al mist het toon en sfeer van het cabaret. Conny Stuart beschikt stellig over den humor voor menig Fransch liedje maar om van “Yvonne de spionne” te maken wat er in zit is meer talent voor noodig dan men bij haar aantreft. […]
  De baarden van de moppen moet men eens laten bijknippen.
S. CARMIGGELT.
Het Parool, ongedateerd, 1946

 

“VERRE REIZEN” IN GOOILAND
H i l v e r s u m – Hoe verder het programma vorderde, dat Wim Sonneveld met zijn cabaret “Verre Reizen” ons gisteravond in  Gooiland voorzette, hoe beter het werd. In tegenstelling tot de meeste cabaretvoorstellingen was het deel na de pauze het beste, waardoor ieder tevreden naar huis ging. Wim Sonneveld heeft eenige artisten om zich heen verzameld, die toonen het cabaret tot in de toppen van hun vingers te verstaan. Over Sophie Stein kan men kort zijn, zij kan alles, of zij nu een Chineesche, of een oude douarière moet voorstellen. Peronne Hosang is ook al geen onbekende in de kleinkunstwereld, terwijl het danspaar Truuk Doyer en Albert Mol van tijd tot tijd voor een welkome afwisseling zorgde, waarvan vooral de fijne dans tusschen clown en paardrijdster, genoemd moet worden en de aardige vondst van een filmvoorstelling anno  1910.
   En daar was tenslotte Wim Sonneveld zelf in zijn repertoire van Hollandsche, Fransche en Engelsche cabaretliedjes, waarvan de “oudjes” het nog het beste deden, al was het “Matelot” een typisch Engelsch liedje van den bekenden tooneelschrijver Noel Coward een aangename  verrassing. En toen we na afloop ons afvroegen, waar nu de zwakke plek in het geheel te vinden was, kwamen we tot de oude conclusie : Nederland heeft gebrek aan goede tekstschrijvers. Het zijn altijd dezelfde krachten die naar voren moeten komen. We wachten met spanning op de jongeren, waarvan slechts Hella Haasse een representante schijnt te zijn.  Fr. E.

Gooi en Eemlander 16 oct. 1946

 

Naast het politieke G. G. Cabaret zijn er momenteel in Nederland nog enkele cabarets van een meer luchtig en ook salonachtig karakter, die men toch beslist moet gaan zien. Ik zou hiervan willen noemen het ABC-cabaret met haar doorgaans volslagen pretentieloze humor, en het cabaret van Wim Sonneveld. […] Sophie Stein is niet alleen de spil, waarom de sketches draaien, maar tevens een goed parodiste, b.v. het “Edeltraut, die Ehrenbraut”. (Jammer , dat die vervelende moraal er weer aan zijn oren bijgesleept diende te worden) ;

   “Yvonne de spionne” was een kostelijke creatie van Peronne Hosang, die plotseling weer eens naar het cabaret is overgesprongen. […] Sonneveld is iemand, die de zaal kan laten schateren om een oudbakken mop en kan laten genieten van “het lied van den Dominé”, die in vollen vrede met zijn apostelen de weg naar het aardse geluk vindt. Eén ding is mij bij dit cabaret […] sterk opgevallen, n.l. de neiging om aan alle liedjes en sketches een moraal te knopen, waarmee blijkbaar de hoge gedachten en idealen gemanifesteerd moeten worden op een honingzoete wijze. Heus, zonder dat geloven wij het ook wel !      

J. F. W. in De Waarheid, 25 oct 1946, Haarlem.

Met Yvonne de spionne en Edeltraut zette HSH een stapje gezet in de richting van een pittiger cabaret dat onderwerpen als politiek, politici en maatschappelijke wantoestanden op zou pakken. Critici begonnen daar ook op aan te dringen. Maar dat soort cabaret lag Hella niet. Bovendien was ze in deze jaren nogal zweverig en had moeite met minder verheven tendenzen mee te gaan. Karakteristiek is dat ook haar meeste toneelstukken van rond 1950 eindigen met een moraal, in versvorm.

                Inline afbeelding 1

De Waarheid, 20 nov 1945                                            De Tijd, 16 jan 1947

Kort na de oorlog maakte Fien de la Mar furore met het cabaretnummer Circusvrouwen. Na een reeks voorstellingen met Tooneelgroep 5 mei ‘45 sloot zij zich onder meer aan bij het cabaretgezelschap van Cor Ruys in Scheveningen, waar ook Conny Stuart haar opwachting maakte. Hier pakte de geboren cabaretière het publiek in met het op haar verzoek geschreven ‘De drie vrouwen’ van Hella Haasse, dat weldra in ‘Circusvrouwen’ omgedoopt werd. Fien de la Mar zong het lied Circusvrouwen in haar eigen De la Mar-theater in een door Willy van Hemert samengesteld programma met o.a. Hetty Blok en Kitty Knappert in 1947. Op een opname met het kwartet Cor Lemaire uit ca. 1960 zingt ze niet maar is ze te horen als vertelster (diseuse) en vertolkster (interprète) van de echtgenotes van de optredende luchtacrobaten.
   De tekst van de opname uit 1960 verschilt sterk van het origineel van Haasse. De bewerking door de la Mar en componist Cor Lemaire is honderdvoudig op internet te vinden, steeds met dezelfde wijzigingen. Het origineel geef ik hieronder. Hella zal bij het schrijven van dit nummer de grootmoeder naar wie ze vernoemd is, de zangeres en variété-artieste Hélène Serafia Weitzel, wel eens in gedachten hebben gehad.

                       D R I E   C I R C U S V R O U W E N  
1.  
Begint het al? Geef me dat kluwen even.
■   ■   ■      Drie cpl elk van 16 regels. De 15e regel van het eerste cpl ontbreekt in de druk.  
Tekst Hella Haasse ; Muziek Cor Lemaire  


*   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *   *

In het boekje Yvonne de spionne (De Lange Afstand) staan alleen liedteksten die Haasse voor Sonneveld en Ruys schreef, tot ca. 1947, schat ik. Maar voor onderstaand programma van 1 juli 1949 schreef Haasse zes (volgens mij nieuwe) items, Annie Schmidt drie, Sonneveld en van Hemert ieder een. 

                       TIN

 
Goed Geboekt, Boekenweek 1954
In „Goed Geboekt” komen natuurlijk de — we zouden willen zeggen geijkte — stukjes voor over wat vrouwen lezen, en wat mannen lezen, welke thema’s spiritueel verwerkt zijn door Annie M. G. Schmidt en Jacques den Haan, die het overigens niet laten kunnen, op elkaars terrein te komen. Voor ons gevoel wint Den Haan den wedstrijd in spirituele bondigheid met de constatering; „Voor de vrouw is het leven belangrijker dan de literatuur en als er mensen zijn, die slechts schriftelijk leven, dan zijn dat mannen”.
   De meeste medewerkers zoeken het in geestigheid en Annie Schmidt heeft nog een niet onverdienstelijke parodistische ballade op de Noorse trilogie-manie geschreven. Want waarover alle literatoren het onderling ook oneens mogen zijn, zodra het die Scandinavische turven betreft vormen ze er eensgezind een front tegen. Wáár de boekenweek ook gunstig voor is — zeker niet voor propaganda van de trilogie. Enfin : er is een tegenwicht:
   “Wij zijn hard, maar nergens bitter zegt op Zondag Doctor Ritter”.
   Wanneer men het geheel dan zo doorgenomen heeft, en alles wat er zoal rondom het boek en de schrijvers en dichters te vertellen valt, glimlachend heeft gesavoueerd, dan kan men het gevoel hebben, een beschaafde cabaretavond met een goed verzorgd programma te hebben bijgewoond.
   Maar één ding loopt er uit, heeft een bepaalde allure, is wèrkelijk literatuur. Dat is de schets van Hella Haasse : “Incompleet”, de vertelling van haar contact met een oud Pools-Joods echtpaar tijdens den oorlog. In enkele bladzijden wordt, zonder effectbejag of zelfs maar een enkel heftig woord het schrijnende drama van de Joden-vervolging in herinnering gebracht. Vervult het de rol van het “levensliedje” dat met zijn navranter toon de grappen van het cabaret komt onderbreken? Het is toch wel wat méér dan dat . . .
 


In de Leeuwarder Crt van 27 mrt 1954 wordt Haasse als tegenwicht tegen cabaretachtige niemendalletjes geprezen.

 

Bibliografieën

Bibliografie 1 

      Autobiografische en familiebiografische notities en beschrijvingen van Hella Haasse :

  • Zelfportret als legkaart, 1954.
  • Op zoek naar een huis. In: Eenentwintig jeugdindrukken (Singel 262, Querido), 1955.
  • Persoonsbewijs, eerste druk 1967.
  • Krassen op een rots, eerste druk 1970.
  • Een handvol achtergrond, ‘Parang Sawat’, eerste druk 1993.
  • Zwanen schieten, eerste druk 1997, tweede druk 1998.
  • Het dieptelood van de herinnering (eerste druk 2003, 7e herziene druk 2010) is een selectie uit Zelfportret, Persoonsbewijs, Krassen op een rots, Een handvol achtergrond.
  • Toen ik schoolging, 2007.

        Biografische publicaties met medewerking van Haasse :

  • Leven en Werk van Hella S. Haasse. Helle Alofs. Bzzlletin 91, dec. 1981.
  • Hella, Indonesië en ik. Margaretha Ferguson. Bzzletin 91, dec. 1981.
  • Een doolhof van relaties. Samenstelling en redactie Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich. Met bijdragen van Dorian Cumps, Rudi van der Paardt en Aleid Truijens, 2002.
  • Ik maak kenbaar wat bestond, Schrijversprentenboek 35 (1993). Catalogus bij de tentoonstelling van 23 okt. 1993 tot 24 april 1994 in het Haags Letterkundig Museum.
  • Hella S. Haasse. Kritisch lit. lex. aug. 1994.
  • Een nieuwer firmament. Hella S. Haasse in tekst en contekst onder redactie van A. Heumakers, A. Mertens en P. van Zonneveld, 2006.
  • De literatuur heeft mij gemaakt tot wie ik ben. In: Oude schrijvers gaan niet dood. Samenstelling Margot Vanderstraeten, 2008, pag. 150-156.
  • Ik besta in wat ik schrijf – Hella S. Haasse in beeld (2008). Patricia de Groot, samenstelling.
  • Digitaal Museum Hella Haasse, 5 feb 20081 nov 2016).
  • De tien geboden. Gesprekken met schrijvers. Arjan Peters, 2011. Het gesprek vond plaats in 2003.

        Over Baarn :

  • J. Kruidenier, ‘Ik maak kenbaar wat bestond’. Hella Haasse in Baarn 1925-1928. In tijdschrift Baerne, jrg. 18 nr. 2 (juni) en 3 (sept.), 1994-2 en 1994-3. N. van Sillevoldt-Haasse wordt niet genoemd.
  • NN Schrijvers in Baarn. Een literaire fietstocht door Baarn en Lage Vuursche (2005). W. H. van Eemlandt wordt genoemd, Hella Haasse uiteraard, maar Nel van Sillevoldt-Haasse ontbreekt zoals gebruikelijk.

 Miscellanea (tijdens Haasse’s leven geschreven al dan niet m.m.v. Haasse) :

  • In de donkerte. Toneelspel van Hella Haasse. 1944-45. Manuscript, onuitgegeven. Voltooid 1951 (Het donkerste uur). Omgewerkt tot Bloch (1953). *)
  • Balladen en legenden, voorwoord, Hella S. Haasse, 1947.
  • Kleren maken de vrouw, Hella S. Haasse, 1947.
  • Oeroeg, 1948.
  • De verborgen bron, 1950.
  • Bloch, een toneelspel van Hella Haasse. Geschreven voor toneelgroep Puck. Twee bedrijven. 1953. Typoscript.
  • Uit de korf. Een boekje over nederlandse schrijvers en nederlandse boeken, red. De Bezige Bij, 1955. Bert Schierbeek heeft gesprek met Hella Haasse n. a. v. het verschijnen van Zelfportret als legkaart.
  • De doolhof, door Anna Blaman, Antoon Coolen, Max Dendermonde, Henriëtte van Eyk, Hella S. Haasse, Alfred Kossmann, Adriaan van der Veen en Simon Vestdijk. HSH schreef hoofdstuk 4. 1951.
  • Schrijvers blootshoofds. Over de roman en eigen werk. Bijeengebracht door Nel Noordzij, 1956.
  • De vijfde trede (W. H. van Eemlandt, voltooid door Hella S. Haasse 1957.
  • Anna Blaman. Twee lezingen door Hella Haase en Alfred Kossmann, 1961.
  • De meermin. 1962.
  • Leestekens, Hella S. Haasse, 1965.
  • Grote ontmoetingen. Hella Haasse, Ed Popelier, 1977.
  • Recollections of the past. Spanning the period from October 1921 to October 1956. W. H. J. Haasse. Typoscript, ca 1980.
  • Haasse Family History 1665-1976. Researched and written by WHJ Haasse 1990. Typoscript.
  • Rotterdam, een reis door de tijd. Van HSH : Hoog bezoek aan Rotterdam, anno 1481. 1990.
  • De aantrekkingskracht van het labyrint. A. M. de Bakker, 1984. AO-reeks no. 2030.
  • Engagement of escapisme? Interview. Fernand Auwera, 1985.
  • Bzzlletin 268 (aug./sept. 1999). Marja Pruis, Een stil water. Het dubbelleven van Hella S. Haasse.
  • Nauw verwant. Schrijvers over familiebanden (Biblion Den Haag, 1999, samenstellers niet genoemd).
  • Information obtained from sources in Germany concerning our ancestors. W. H. J. Haasse, 2002. Typoscript.
  • Aanvulling op Recollections of the past (ca 1980) voor de periode feb 1942 – sep 1944. Gedateerd feb 2005.
  • Deurwaarder van de vriendschap. Wim Hora Adema (1914-1998). Eric-Jan Weterings, 2006.
  • Wim Sonneveld. De parel van het cabaret. Hilde Scholten, 2006.
  • Wim Sonneveld. Moeder, ik wil bij de revue. Onder redactie van Hilde Scholten, 2006.
  • De handboog der verbeelding. Arjan Peters in gesprek met Hella S. Haasse, 1998 – 2003 – 2006. Uitg. 2007.
  • Jeugdzonde. Dichters en schrijvers over hun allereerste gedicht. Onno Blom, 2007.

    *) Het programmablad van toneelgroep Puck vermeldt “Bloch is niet haar eerste toneelstuk, studenten speelden reeds eerder Man en macht (in 1950 ging Man en macht in Nijmegen). Bloch is wel haar eerste stuk dat door het beroepstoneel werd gespeeld. De eerste notities hiervoor maakte zij in de oorlogswinter van 1944-45. In opdracht van het Ministerie van O. K. en W. verwerkte zij deze aantekeningen in het toneelstuk Het donkerste uur.  De tegenwoordige versie, Bloch geheten, voltooide zij in het voorjaar van 1953 in nauwe samenwerking met de Toneelgroep Puck”.
   De Telegraaf van 31 jan. 1951 meldt dat vijf auteurs onder wie mevrouw Hella S. Haasse (Het donkerste uur) met de hun door het ministerie van O. K. en W. verstrekte opdracht tot het schrijven van een toneelstuk gereed zijn gekomen.

Niet alleen hebben plaatsing van leestekens, spaties en witregels, en zelfs spelling invloed op de visuele presentatie van een gedicht, kùnnen die althans hebben, aan de hand van spelling enz. laat zich over tijd van ontstaan en sociale gezindheid soms een mening vormen (‘één’ van de ‘aksievoerders’ ; ‘ekspressie’ ; ‘photo’).
   Hella Haasse toonde zich in haar gedichten niet bijzonder gepreoccupeerd met spelling en interpunctie. In de bundel Stroomversnelling (1945) komt zowel ‘teken’ (p. 12) als ‘teeken’ (p. 17) voor, ‘geesel’ en ‘stromen’. Wel naamvals -n als in ‘vol diepen twijfel’, geen -sch als in ‘mensch’ of ‘tusschen’. Maar de bron voor Phoenix bij Hendrik de Vries (1949) had ‘eischt’. Haasse zond in haar beginjaren verzen naar velen die ertoe deden in de literaire wereld.
   Spelling is voor velen een non-onderwerp, maar werd door talrijke woordkunstenaars wel degelijk van belang geacht, zo blijkt uit de verzenbundel Pro Patria (zomer 1941). Daarin schrijven de samenstellers Klaas Heeroma en Gerrit Kamphuis “van blz. 137 af zijn de meeste gedichten op verzoek van de dichters in de oorspronkelijke spelling blijven staan”. Dat verzoek deden H. Roland Holst, P. C. Boutens, Jan Prins, A. Roland Holst, J. W. F. Werumeus Buning, Martinus Nijhoff, Hendrik Marsman, Jan Engelman, Jan de Groot, Anthonie Donker, Anton van Duinkerken, Clara Eggink en Ida Gerhardt. De enige uitzondering, Willem de Mérode, kon niets verzoeken want hij was in 1939 overleden. Redacteur Muus Jacobse (= Klaas Heeroma) gebruikte in zijn eigen bijdrage de nieuwe, redacteur Kamphuis de oude spelling. Enig voorafgaand gekibbel laat zich vermoeden. Heeroma had in 1934 al over Marchant en het ABN geschreven. Nog in 1951 en 1952² schreef jhr dr E. van Nispen tot Sevenaer zijn ‘woord vooraf’ bij Het versterkte huis van Hella Haasse in oude spelling, terwijl Haasse haar essay en A.I.J.M. Schellart zijn historische en bouwkundige aantekeningen in datzelfde boek bij de prenten en foto’s in moderne spelling schreven.
   In dit verband werpt zich dikwijls de vraag op wat op rekening van de auteur en wat op rekening van de uitgever / redacteur / zetter gezet moet worden. De verschillende versies van Ik zag Cassandra geven al enige aanleiding zich in dit soort kwesties te verdiepen. Maar hoe zit het met Eis Daimona? En met De bitt’re toespijs? Een overzicht van de volgordes van ontstaan en publicatie, met of zonder titel, met boven·, onder- en bijschriften kan in elk geval een basis leggen voor een bundel Gedichten van Hella S. Haasse, die er Querido ten spijt (zie verderop) toch wel zal komen.
Bibliografie 2 bevat daarom notities over spelling. — De hinderlijke spellingcontrole van de computer kan uitgeschakeld worden. Men kan dus zijn eigen versie op site of blog zetten, of zijn artikel inleveren en hopen dat het niet te zeer mishandeld wordt. — Als de zetter Ä niet in huis had, werd MäDCHEN gedrukt en dergelijke ; zulke onvolkomenheden in de bronnen corrigeer ik meestal stilzwijgend.
   Dan zijn er de diakritische tekens. Waar kritische uitgaven van Bach of Mozart zowel de noten als ook de boogzettingen, de staccatotekens en noem maar op zo nauwkeurig mogelijk in ‘Urtext’ trachten weer te geven, al is het bereiken daarvan een utopie, waarom zou dan samensteller T. van Deel in de bundel ‘Lees eens een gedicht’ in Haasse’s In het park niet gewoon Haasse’s “mèt” uit Stroomversnelling overnemen? Wat beweegt iemand om dichters met een vermeend correcte of toevallig actuele schrijfwijze (één, òm, nóg, wél, mèt) op te schepen? In 1945 schreef Haasse zowel “nòg dreunt de zee – nòg lokt de wind”, als ook “wie zich dús heeft bezonnen”. Ze is één, excusez, een van de velen die de Nederlandse spellingautoriteiten niet serieus namen en jarenlang hun eigen weg gingen of maar wat aanrommelden, totdat er gekozen moest worden.
   Op de werklijst staan ook toneelstukken. De meeste bevatten enig dichtwerk. Haasse lijkt een paar dichtregels aan het slot als een kers op de taart te ervaren. Vermeld wordt steeds wanneer Haasse ‘Hella Haasse’ i.p.v. ‘Hella S. Haasse’ als auteursnaam gebruikt.

 ■     ■     ■                  ■     ■     ■ 

1) Paul Citroen in zijn atelier in den Haag voor het getekende portret dat hij in 1953 van HSH maakte. Foto De Vringer, juni 1954. Coll. prentenkabinet van de RU Leiden. — 2) De tekening, sign. P Citroen 16 I 53 ; l.o. Hella S. Haasse.

Hella S. Haasse, die door Citroen in 1953 getekend werd, schreef in een complimenteuze reactie: “Maar zijn het niet juist die röntgenogen, dat magische vermogen tot doorgronden en het wezenlijke blootleggen, die vooral in de portretkunst kwaliteit en waarde bepalen. […] Paul Citroen heeft dieper gekeken dan de oppervlakte, verder dan huid en gelaatstrekken. […] Niemand van mijn familieleden en vrienden vindt eigenlijk dat het lijkt. Maar ik herken mezelf er in”.

Dikwijls wordt beweerd dat Haasse na Stroomversnelling (1945) geen poëzie meer geschreven heeft. Onderstaand overzicht geeft een ander beeld.
   Volledigheid wordt nagestreefd maar niet gepretendeerd. Titels, drukjaren enz. zijn in verschillende kleuren gezet, terwille van de leesbaarheid. Paginanummers worden vermeld om onnodig gezoek in oude kwetsbare boekjes en tijdschriften te helpen vermijden.
TITELS van gedichten worden in HOOFDLETTERS weergegeven, zoals doorgaans ook in de bundels het geval is.    Van de titelloze gedichten wordt de eerste regel of een deel daarvan in kleine letters gegeven. Ik onderscheid oude spelling (menschen loopen den langen weg), gemengde spelling (wel/geen naamvals -n, -s/-sch, ee/e oo/o) en nieuwe spelling (geen naamvals -n, -sch, ee, oo). De jaren 1934-1947-1955 liggen in een overgangsfase. Sommigen gebruikten spellingen van eigen maaksel, ook vóór 1934 en ná 1955 trouwens.


Bibliografie 2  –  Het dichtwerk

  • Cantus een schriftje vol gedichten en schetsen voor gedichten 1935, 1936, 1937 (LM).
  • Cantuscahier met vijf gedichten voor Hella’s ouders, Kerstmis 1936. In 1938 heeft ze er vijf bijgevoegd (LM).
  • Amsterdamsche Studenten-Almanak AO 1830 voor het jaar 1939, jg. 109, redactie J. E. de V. [= J. E. de Visser, Praeses Commissie ter redactie van den Amsterdamschen Studenten-Almanak, en M. J. M. (Marres J. M.). De  rechtenstudent J. van Lelyveld was Abactis. Hij zou in 1944 met Hella Haasse trouwen. In de rubriek Mengelwerk staat op pag. 236 Ik hief mijn hand op van H. S. H.
  • In WERK van mei 1939, jg 1 nr. 5, staan op p. 21-23 VIRGODER TOD UND DAS MÄDCHENNACHTLIEDVERDWENEN SCHEPEN en PAVANE POUR UNE INFANTE DÉFUNTE (Ravel). Ontstaan 1938-39, schat ik. Pavane zou nog in Indië geschreven kunnen zijn.
  • In het Amsterdamsch Studentenweekblad Propria Cures van 10 febr. 1940, jg. 51, schreef Haasse het gedicht TER INTREDE en een titelloos verhaal.
  • Twee Lentes. De beste gedichten uit WERK 1939 en CRITERIUM 1940. Ed. Hoornik, keuze en inleiding (1941). Hierin alleen VIRGO, p. 74, uit WERK.
  • Tien gedichten in handschrift gezonden aan F. v. Heerikhuizen.
  • Stille Opmars. Verzen van de nieuwe generatie in Nederland, verzameld en ingeleid door F. W. van Heerikhuizen, 1942. Bevat VIRGO DER TOD UND DAS MÄDCHEN PAVANE POUR UNE INFANTE DÉFUNTE Weer valt het loof en Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw op pag. 101-103. FvH vermeldt dat de eerste drie eerder in WERK zijn verschenen, en dat de laatste twee ongepubliceerd zijn. De inhoudsopgave kondigt Pavane als Pavane pour une Infante Défunte aan. In besprekingen werd zijn bundel wel Stille Opmarsch (!) genoemd. De bloemlezing bevat gedichten uit 1931-1941.
  • Twee recht twee averecht, een bloemlezing uit de hedendaagse dichtkunst, samengesteld door Anthony Bosman en Cees Buddingh’, 1942. Deeltje uit De Plejaden Reeks, een letterkundig zevengesternte gekozen uit de nationale en wereldliteratuur. VIRGO, pag. 72, bron: WERK, 1939.
  • Mon parfum d’amour, 1944.
  • Hella S. Haasse. Stroomversnelling, Querido 1945. Ik hief mijn hand op – VIRGO – IN HET PARK – CREDO – naamloze God die ik belijd – Een vogel Phoenix vloog en vond – Een boze wind verdreef mijn boot – In deze zeeën die ik mij verkoos – REI VAN STEDELINGEN (Stem & Tegenstem) – ARIADNE OP NAXOS – De bitt’re toespijs van genot – Ruk mij nu los van dezen tak – Wie van den vollen beker proeft. Gemengde spelling.
  • [[ Hella S. Haasse. Fragment van een brief. In: maandschrift Het Woord nov. 1945. Nieuwe spelling. De overige teksten in het nummer zijn in oude of gemengde spelling geschreven.]]
  • Hella S. Haasse. Legende (vrij naar een oud-Frans verhaal) De Koningin des Hemels. In: [tweewekelijks] Tijdschrift voor de Nederlandse jongeren Ruim Baan, 21 dec. 1945 [kerstnummer].
  • Levende dichters. Een verzameling gedichten bijeengebracht door W. J. van der Molen, 1946. Bevat van Haasse alleen ARIADNE OP NAXOS, pag. 134, in gemengde spelling (-n). Voorwoord en andere gedichten grotendeels oude spelling.
  • Apollo. Maandschrift jg 1 nr 4, maart 1946. Twee items uit Lyriek der Natuurvolken, Afrikaansch gebed en Indiaansch lied, geïllustreerd door Jettie Olivier. Vooraankondiging van de uitgave van 1947.
  • Lichtvoetig ging de dans voorbij. Geschreven voor de voorstelling “Nederland helpt Indië”, 1946.
  • In het park. In Perspectieven van sept. 1946.
  • KOMPAS der Nederlandse Letterkunde onder redactie van Clara Eggink, J. C. Bloem, C. J. Kelk, Ed. Hoornik en Ad. Morriën, 1947. Betuwe, September 1944, p. 169. Naamvals -n.
  • Hella S. Haasse. Balladen en legenden (vertalingen en bewerkingen van  Nederlandse, Engelse en Franse specimina uit de 12e tot de 17e eeuw), 1947. In ’t voorwoord een enkele gemengde spelling : “individueele”.
  • Werner Muensterberger (ill.) en Hella S. Haasse. Lyriek der Natuurvolken, 1947. Verzameld, ingeleid en van aanteekeningen voorzien door W. Muensterberger. In Nederlandsche verzen overgebracht door Hella S. Haasse. Oude spelling. • Anthon van der Horst heeft er delen uit gecomponeerd. In 1989 heeft Haasse op basis van deze teksten een scenario samengesteld voor een toneelspel met muziek, Tawera. Zie verderop. In de jaren ’90 heeft Haasse de zes Maleische pantoens in moderner Nederlands gezet. Zie appendix.
  • CREDO. 1947. Libretto voor Johannes den Hertog.
  • Vrouwe van Amsterdam. 1948. Hella Haasse. Rijmprent. In gedenkboek De Nederlandse Vrouw 1898-1948. Op voorpagina van Het Nieuwsblad voor Sumatra van 30 aug. 1948, Koninginnedag. Zie Appendix.
  • De Kerseboom (Singel 262, jaarboekje 1948). Uit Balladen en legenden (1947).
  • Dichterkeur (1949). Een keuze uit verzen dezer eeuw. Ingeleid, verzameld en van een bio-bibliografie voorzien door Dr. W. L. Brandsma, p. 170-171. Naamloze God die ik belijd en In deze zeeën die ik mij verkoos. Idem 2e druk 1961. Uit Stroomversnelling genomen met behoud van de spelling aldaar, behalve “twede” in Naamloze God, dat “tweede” werd.
  • Vers tegen vers, Hendrik de Vries, 1949, p. 35-43. PHOENIX. De Vries’ bron zou, blijkens leestekens, spelling en het toevoegen van een titel, een andere (oudere) dan Stroomversnelling geweest kunnen zijn : “eischt” en “zoo” i.p.v. “eist” en “zo”, en het in Stroomversnelling ontbrekende ‘aanhalingsteken sluiten’ aan het eind van het gedicht. In Stroomversnelling stond het gedicht titelloos. De Vries vergelijkt Haasse’s met Marsmans PHOENIX uit Porta nigra (1934), de uitdovende vuurtoren van het vitalisme. Haasse wint. — Fraaie stofomslag, band en typografie van Henk Krijger (1914-1979), bevriend met Hein de Bruin, winnaar van de staatsprijs voor boekverzorging in 1948. Markant punt in Krijgers ontwikkeling.
  • Liefdespoëzie, bijeengebracht door Hendrik de Vries, 1950. Met een inleiding door Hendrik de Vries. Verlucht door J. P. van der Zee. Uitgeverij Born N.V., Assen, [1950]. Honderd gedichten uit de 19e en 20e eeuw, beginnend met Bilderdijk en Staring. Daarin plaatste de Vries Haasse’s gedichten op een ereplaats, na Eybers aan het slot van de bundel, zodat de bundel met Haasse’s drietal uit Lyriek der Natuurvolken eindigt : Mooi ben je, Lied van een meisje en Naar jou verlang ik eindeloos, tevens de slotregel van de bundel. Compleet oude spelling, behalve De Vries’ voorwoord.
  • Wie “Holland” zegt, geschreven t.g.v. ingebruikname carillon Grote Kerk Vlaardingen 29 juli 1950. Kranteknipsel AD.
  • Een Amsterdamse jongen redt de beurs (toneelspel, 1951). Eenacter van 8 blz. Uitgave : Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale, Utrecht 1951. Auteur Hella Haasse, zonder S.
  • Hoe de Schout zichzelf aan de schandpaal bracht. Kort toneelspel. Uitgave : Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale, Utrecht 1951. Epiloog (hier “Moraal” geheten) van tien verzen. Ook uitgegeven in De Toneelbibliotheek, Hauwert (NH) z. j. Auteur Hella Haasse, zonder S. Ook uitgegeven door de Christen Jonge Vrouwen Federatie, Utrecht 1951.
  • Het treurig spel van Jan Klaassen en Katrijn of Ongeschikt voor de Houwelijcke staat. Korte eenacter (10 blz.). Uitgave : Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale, Utrecht 1951. Auteur Hella Haasse, zonder S.
  • Liefdadigheid naar vermogen of Graag of niet. Kort toneelspel. Uitgave : Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale, Utrecht 1951. Moraal van tien versregels. Auteur Hella Haasse, zonder S.
  • Zeventien dichters. Reeks Singel 262, jaarboekje 1952, samenstelling Querido, inleiding C. J. Kelk : Poëzie de taal der contrasten. DE RAADSELRIDDER, Wentel de steen van mijn graf en Goudgroen geboomte, p. 67-71.
  • Stroomgebied. Een bloemlezing uit de poëzie van de na-oorlogse dichtergeneratie, samengesteld door Ad den Besten, 1953 (1e druk). VIRGO – WEER VALT HET LOOF… – EEN VOGEL PHOENIX… – EEN BOZE WIND… – NAAMLOZE GOD… – WENTEL DE STEEN… . Pag. 44-47.
  • Stroomgebied. Een bloemlezing uit de poëzie van de na-oorlogse dichtergeneratie, samengesteld door Ad den Besten, 1954 (2e druk). VIRGO – WEER VALT HET LOOF… NAAMLOZE GOD… EEN BOZE WIND… WENTEL DE STEEN… . Pag. 43-45.
    – Bij de uitgever is mede verschenen Stroomgebied, een inleiding tot de poëzie van de na-oorlogse dichtergeneratie, door Ad den Besten, 1954. Op pag. 118-121 een artikel over Hella S. Haasse.
  • Spiegel van de Nederlandse poëzie door alle eeuwen deel 3 (1940-1957), samengesteld door Victor E. van Vriesland, 1954. VIRGO Een boze wind. Pag. 234-235. Tweede druk 1957 idem.
  • Een draad in het donker, toneelspel in drie bedrijven, gedrukt 1963. Geschreven 1954. In acte III,3 spreekt Dionysos na zijn aanhef “Treur niet!” 56 verzen in dichtvorm. Auteur Hella S. Haasse.
  • De vrijheid is een Assepoes. Bevrijdingsspel in één bedrijf. Uitgave : Nederlandse Jeugd Gemeenschap, 1955. Auteur Hella S. Haasse.
  • Nederlandse dichteressen na 1900, bijeengebracht door Nel Noordzij (1e druk 1956, 2e 1957) Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw Een vogel Phoenix vloog en vond De bitt’re toespijs van genot Geen winterakker hard en zwart EIS DAIMONA (I en II) Ik heb er geen woorden voor geen gebaren. 1e druk p. 93-100, 2e druk p. 89-96. In de 1e druk wordt Geen winterakker in de inhoudsopgave niet genoemd (!), in de 2e druk wèl. De drie coupletten van Geen winterakker vormen dus niet het slot van De bitt’re toespijs, zoals de 1e druk door de opmaak suggereert, maar vormen een zelfstandig gedicht. Vgl. de situatie in Stroomversnelling 1945, waar de onhandige opmaak de lezer doet denken dat p. 13 het vervolg van p. 12 is.
    Noordzij annoteert in de eerste druk Cassandra, Eis Daimona II en Geen winterakker met “ongepubliceerd”, waaruit geconcludeerd kan worden dat deze versie (Cassandra) resp. noviteiten van Haasse zelf afkomstig zijn. Nieuwe spelling.
  • Stroomgebied. Een bloemlezing … samengesteld door Ad den Besten, 1958 (3e druk). Naamloze God – Wentel de steen – EIS DAIMONA. Pag. 57-58. Eis Daimona II ontbreekt, hoewel de vermelde bron, Noordzij, het gedicht in beide drukken volledig weergeeft.
  • Tweeërlei schriftuur. Gedichten en handschriften van 24 auteurs. Reeks Singel 262, 1958. Samenstelling Querido-A.B.C. Inleiding Alfred Kossmann. Als de anachoreten – DE GALERIJ OP HET FREDERIKSPLEIN – Het groen-uitgeslagen cement, HSH, p. 28-30.
  • Onderbelicht. Gedicht in vrije verzen bij amateur-foto’s van een jurylid van HÈT . . . STUDENT. Uitgegeven onder auspiciën van de Amsterdamsche Vrouwelijke Studentenvereeniging (AVSV). 1958.
  • Muziek en poëzie. Verzen over muziek bijeengebracht door Johan de Molenaar. De eerste druk uit 1941 bevat niets van Haasse. In de 2e druk van 1959 staat Ik zag Cassandra op pag. 178 in de laatste (blok)versie.
  • Nieuw Vlaams Tijdschrift 1967 / 4 De Boomkikker, Wordt zij nooit vrijgezongen?, Nu zijt gij overal (= in Noordzij 1956 EIS DAIMONA II).
  • Eerste schets van een rijmloos gedicht.   ■ ■ ■    Ca. 1968.
  • De Brug. Een spel van de bevrijding. Frieschepaaltjesserie. Uitgave van de STICHTING NOORDELIJK TONEELGEZELSCHAP “DE NOORDER COMPAGNIE” te Frieschepalen. April 1970. Proloog en epiloog in verzen. Auteur Hella S. Haasse.
  • Geen Bacchanalen. Een toneelstuk. Première 10 dec. 1971 den Haag. Gestencilde tekstboekjes voor regisseur en spelers nooit tegengekomen. Uitgegeven 1985 bij A. de Boeck, Brussel, voor de behandeling in de klas bewerkt door A. Bertha. Auteur Hella S. Haasse.
  • De merklap, HSH. In: Poëziealbum voor de 60e verjaardag van Wim Hora Adema. 1974. Afgedrukt in Deurwaarder van de vriendschap. Wim Hora Adema (1914-1998), Eric-Jan Weterings, 2006.
  • De Gids, jg 147 8-9-10, nov. 1984. Kakawin Manusasampur : Een ‘Javaanse krijgszang’ (Hevige smart beving hem) ; en een ‘Maleise romance’ (SAMUN VERLIEST ZIJN HART). Vertaald door Haasse.
  • SIC 1988/1, Reisnummer. Twee prentbriefkaarten, POMPEI en PAESTUM.
  • Gedichten 1988, een keuze uit de tijdschriften. Redactie Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen. 1988. POMPEI. NB: Haasse spelt Pompeï niet met trema, maar zonder.
  • Tawera, toneelspel, 1990. Zie Lyriek der natuurvolken 1947.
  • Geen letter blijft bewaard in zand, HSH. In: De transparant (Museum Beelden aan Zee / De Nieuwe of Litteraire Sociëteit De Witte)1998.
  • Hella S. Haasse, Yvonne de spionne en andere cabaretteksten. 2000. Niet in de handel, oplage 50 exx.
  • Goed geboerd. 81 schrijvers, 25 tekenaars en één bord voor Ary [Langbroek]. Afscheidsgeschenk, niet in de handel gebracht. Tuinrijm voor Ary. 2001.
  • In Het Liegend Konijn, Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, red. Jozef Deleux, jg 4 nr. 2 (oct. 2006) staan acht gedichten van Hella S. Haasse uit de jaren 1960-1980. POMPEI PAESTUM MISTRA HET EIND VAN HET LIED Je slaapt, je bent weg Al valt de vorm tot gruis Dus komt de bloei nog Huis niet meer veilig.

DIVERSEN

  • Helle Alofs, Doctoraalstudie I : Biografische aantekeningen bij leven en werk van Hella S. Haasse; II : Bibliografisch overzicht van het werk van Hella S. Haasse alsmede van wat er aan recensies en artikelen over dit werk is verschenen; III : Sieraad en kristal, proeve van motievenonderzoek. Nijmegen 1968.
  • Ten huize van … 12. Joos Florquin, 1976. Neerslag van een tv-interview, door Haasse en Florquin bewerkt.
  • CAS Gedenkboek 1902-1977 van de scholen der Carpentier Alting Stichting te Batavia en Buitenzorg. 1977.
  • Hella S. Haasse. Een interview. Johan Diepstraten. 1984. Met bibliografieën door Ch. de Cloet en A. van den Berk.
  • Hella Haasse. Interview Ischa Meijer. Vrij Nederland 26 mei 1984. Ook in ‘De interviewer en de schrijvers’ (2003).
  • De meisjes van de CAS. Spektakel, KRO radio. Uitgezonden 14 dec. 1985, samenstelling W. Welling. Gesprek tussen Margaretha Ferguson (1920), Aya Zikken (1919) en Hella Haasse (1918).
  • De Lust tot Lezen. Nederlandse dichteressen en het literaire systeem. Maaike Meijer, 1988.
  • Gerard Mulder en Paul Koedijk, H.M. van Randwijk. Een biografie, 1988.
  • Baarn in oorlogstijd. S. J. Vermeulen-Brauckman. 1990.
  • BZZLETIN. Speciaalnummer Hella S. Haasse, dec. 1991. Artikelen van Helle Alofs, Margaretha Ferguson, Johan Diepstraten, C. van der Heyden, C. Vergeer & HSH, A. Brandenburg, H. van Buuren, A. Musschoot, A. van den Berk.
  • Ik maak kenbaar wat bestond. Leven en werk van Hella S. Haasse. Schrijversprentenboek 35, redactie Mariëtte Haarsma, Greetje Heemskerk en Murk Salverda (eindred.), 1993.
  • Dane Beerling, Hella S. Haasse. 1994. Tjabe Rawit, dé Indische site. http://tjaberawit.nl/indisch/
  • Interview met Philip Freriks, NTR 1994, n.a.v. het boekenweekgeschenk Transit.
  • Rebel, mijn hart. Kunstenaars 1940-1945. Red. Max Nord [et al.], 1995.
  • In tekst gevat. Inleiding tot een kritiek van representatie. Maaike Meijer, 1996.
  • Een bejaard meisje. Interview door Piet Piryns in KNACK, 18 dec. 1996.
  • Hella S. Haasse. Draden trekken door het labyrint. Aleid Truijens, 1997, in de reeks ‘De school van de literatuur’. ISBN 9061684862 (SUN, Nijmegen) -- ISBN 9063036973 (Kritak, Leuven/Antwerpen). Ook wordt aangegeven ISBN 9789061684862, Nijmegen, Boom/Sun, 1996. Voor de titel van dit boekje cf Hella Haasse Een draad in het donker (proza-toneelspel geschreven 1954, gedrukt 1963).
  • The Defiant Muse: Dutch and Flemish feminist poems from the Middle Ages to the Present. A Bilingual Anthology, 1998. Edited and with an introduction by Maaike Meijer, co-editors Erica Eijsker, Ankie Peypers, Yopie Prins. Hierin VIRGO en Ik zag Cassandra.
  • Gesprek van Els Broeksma met HSH en Jan Fontijn. Biografie Bulletin 1998 / 2.
  • Marja Pruis, Een stil water. Het dubbelleven van Hella S. Haasse. Bzzletin nr 268, 1999.
  • Voor het vandaag werd. Ontmoetingen met schrijvers in de jaren zestig. Aya Zikken, 2000.
  • CAS Gedenkboek 1902-2002 van de scholen der Carpentier Alting Stichting te Batavia en Buitenzorg. 2002.
  • Wij Amsterdamsche Studiosi. 150 jaar Corps in Amsterdam. ASC/AVSV. J. W. Ebbinge e.a. 2002.
  • Twee maal twee is vijf. Getuige in Oost en West. Hebe Kohlbrugge. 2002.
  • Dane Beerling, HOLA HELLA en Indische gelijkenissen. In: Tjabé Rawit Spésial nr. 33 / januari 2003, jg 2002 / 2003.
  • Retour Grenoble. Anthony Mertens in gesprek met Hella S. Haasse. 2003.
  • Het vierde leven : gesprekken met Hella S. Haasse. Door Max Pam. Video, 2004.
  • De Toonder Toneelstukken. Jan Cornelissen en Tony Agterberg. 2004.
  • “Ik ben niet manipuleerbaar”. Gesprek met Hella S. Haasse door Ad Fransen en Peter Hoomans. HP/De Tijd 5 nov 2004 jg 15 nr 45, pp 62-67, 69-70, 72.
  • Welvaart en teloorgang in Batavia. Annie de Baan, 2005.
  • Gestrand in Indië. Nadet Somers en Frans Schreuders. 2005.
  • W. H. van Eemlandt. Biografie en bibliografie van een wereldburger. Bart Rietkerk. 2007. Niet uitgegeven.
  • De oostenwind waait naar het westen, Henk Mak van Dijk, 2007.
  • Er bestaan geen Oeroegs door Lizzy van Leeuwen. De Groene 4 nov. 2009.
  • Schrijvende vrouwen. Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen 1880-2010. Redactie Jacqueline Bel en Thomas Vaessens. 2010.
  • De zwanenzang van Hella S. Haasse, vraaggesprek in De Groene Amsterdammer van 11 aug. 2011 door Daan Heerma van Voss en Daniël van der Meer.
  • Literaire vriendschappen en andere misverstanden, Piet Calis. 2012.
  • Marc van Zoggel, ‘Tussen aanmelding en lidwording. Hella Haasse en de Kultuurkamer’. Op: Textualscholarship.nl (www.textualscholarship.nl). Mei 2012.
  • Labyrint van de verbeelding. Een onderzoek naar de bibliotheek van Hella S. Haasse. Tom Steendam. 2013.
  • Indische Letteren. Tijdschrift, themanummer Hella S. Haasse, juni 2013, jg 28 nr. 2.
  • Hélène Serafia Haasse. Batavia/Jakarta 2 feb. 1918 – Amsterdam 29 sept. 2011. Margot Dijkgraaf. 2013. Jaarboek van de Maatschappij der Ned. Ltrk. 2012-2013, pag. 62-77.
  • Spiegelbeeld en Schaduwspel. Het oeuvre van Hella S. Haasse. Margot Dijkgraaf. 2014.
  • Altijd piano. Muziek in het leven van Hella Haasse. Ellen van Lelyveld. 2014.
  • Bitterzoet Indië. Herinnering en nostalgie in literatuur, foto’s en films. Pamela Pattynama. 2014.
  • Eigen meester, niemands knecht. Het leven van Pieter Sjoerds Gerbrandy. Cees Fasseur. 2014.
  • Jacoba van Tongeren en de onbekende verzetshelden van Groep 2000 (1940–1945), Paul van Tongeren. 2015. Vierde vernieuwde druk 2016.
  • Een schitterend vergeten leven. De eeuw van Frieda Belinfante. Toni Boumans, 2015.
  • Zoals ik jou ken, ken jij mij. Mijn jaren met Hella. Yvonne Keuls. 2018.

 

Tom Poes en Heer Bommel

Wim Sonneveld heeft in de periode 1941-45 acht Tom Poes-spelen opgevoerd. Haasse schreef er, naar de recensies te oordelen, drie. Het manuscript van Tom Poes en de Japanse Tovenaar is niet volledig bewaard, met name het slot ontbreekt. Of Haasse dit toneelspel in twee bedrijfjes met een paar versregels beëindigde is dus niet te zeggen. Wel is bekend dat in Tom Poesvoorstellingen tot groot vermaak van de zaal tot slot een Tom Poeslied gezongen werd. “Met het gezamenlijk zingen van het lied van Tom Poes werd deze gezellige kindermiddag besloten” (Heldersche Courant 28 aug. 1944 over de voorstelling ‘Tom Poes en de Verdwenen Kroon’). Haasse (Tom Poes) moet het ooit samen met Sonneveld of Brusse (Heer Bommel) gezongen hebben. De zaal zong het refrein – als er een refrein was – neem ik aan. Van wie de tekst is? En de muziek? Veel later zou Haasse over haar cabarettijd zeggen “ik kon niet zingen, dus dat hoefde ik niet”.
   Van Tom Poes en de Verdwenen Kroon en Tom Poes en de Toovertaart (kindertoneel, 1944), wordt het auteurschap van Haasse door sommigen betwijfeld en door haarzelf ontkend. Waar de handschriften gebleven zijn is niet bekend. Alleen van Tom Poes en de Japanse Tovenaar erkent Haasse het auteurschap. Het stuk is niet in druk verschenen. De tekst was voor de acteurs uitgetypt. Het is bijna geheel in nieuwe spelling geschreven, op een paar woorden na van de behoudende kasteelheer Bommel, en beleefde zijn première in 1945, een paar maanden na de Bevrijding. Hella herinnert zich “Ik heb zelf één of twee keer in een Tom Poes-pak op de planken gestaan in het Centraal Theater te Amsterdam. Dat was op de dag dat Japan capituleerde, namelijk op 2 september 1945”. Hirohito capituleerde op 15 aug. en ondertekende de akte van overgave op 2 sept. Op 15 aug. was er een voorstelling, op 2 sept. niet. Hella vergist zich in de datum. Sonneveld speelde Tom Poes in de schoolvacanties ! en zijn cabaretvoorstellingen daartussenin. Zie de aankondigingen.
  Even aandacht voor de artiestennamen die tot de verbeelding van jong en oud spraken : in Tom Poes, waar het mee begon, is de Britse Tommy te zien, in Ollie B. Bommel een oliebol. Dan zijn er tovenaar Hocus Pocus Pilatus Pas, minister Harrewar, de heksen Schoreliena en Antje Dyvie, koning Suddersmul en anderen, waarvoor Hella misschien ideetjes heeft aangedragen.
   “Hella voorziet in haar eigen levensonderhoud door als toneelschoolleerling op tournee te gaan met een jeugdtoneelgezelschap. Zij schrijft de tekst voor een van de kindervoorstellingen over Tom Poes, getiteld Tom Poes en de Japanse tovenaar, die in de jaren 1942 en 1943 wordt gespeeld door het gezelschap Tierelantijn Toneel onder leiding van Huub Janssen en Wim Sonneveld”, aldus Ik maak kenbaar, Schrijversprentenboek. Dat is onmogelijk. Het stuk is na de bevrijding geschreven, blijkt uit de volgende regels onderaan de eerste pagina van het ms.

   Ollie B. Bommel : […] Nederland is bevrijd en alle kinderen van Nederland zijn blij. Maar daarginds, op den gordel van groen smaragd —
Tom Poes : Nee, nee, Heer Bommel, dat is véél te langdradig en te stijf. Kinderen, wat hij bedoelt is dit : Jullie zijn allemaal blij, maar nou vinden Heer Bommel en ik het zo verschrikkelijk naar dat de kinderen in Indië nog niet zo blij kunnen zijn als jullie. Want jullie weet toch wel dat daar nog een hele massa Japanners zitten en zolang die er zijn, kunnen de kinderen in Indië geen plezier hebben. Maar nu wilden Heer Bommel en ik naar Indië gaan om aan die kinderen daar te vertellen, dat ze nog maar héél even geduld moeten hebben —

De bewering in Ik maak kenbaar kan alleen juist zijn wanneer in 1945 een volledig nieuw script geschreven is. Maar bovenstaande regels zijn niet later ingevoegd, zo blijkt duidelijk uit het handschrift. Dan moeten ook aankondigingen in de pers te vinden zijn, en recensies van kindervoorstellingen in de oude versie. Maar die zijn niet gevonden.

        Utrechtse Courant,  8 jan. 1944

        

       De Gooi en Eemlander,  1 aug. 1944                                         Haarlemsche Courant, 23 aug. 1944 

          

              Heldersche Courant, 28 aug 1944

Inline afbeelding 1   Inline afbeelding 2

           De Waarheid, 2 aug 1945                                                De Waarheid, 20 dec 1945

De vraag of Haasse alleen Tom Poes en de Japanse Tovenaar (sic, Haasse en de drukker schreven niet Toovenaar) geschreven heeft, of ook de Toovertaart en de Verdwenen Kroon, wordt besproken in Het Hella Haasse-mysterie in De Toonder Toneelstukken, zie Bibliografie 2, Diversen. Haasse herinnerde zich niet, een ander Tom Poesspel geschreven te hebben dan Tom Poes en de Japanse Tovenaar. Goeie titel overigens : Tom Poes en de Duitse Tovenaar zou te zwaar uitpakken zo vlak na de bevrijding, maar Haasse greep de kans de Jappen met een enge tovenaar op te schepen. Aan de discussie kan ik bijdragen dat ik in het LM in de Haasse-collectie, die in het vroegere Ltrk Mus uiteraard nog niet gedetailleerd gecatalogiseerd was, een manuscript aantrof, in Haasse’s handschrift, van Tom Poes in het land van de Sneeuwmannen aan. Het is niet uitgesloten dat er elders méér boven water komt.
     ■     ■     ■             LM

Van Jan Cornelissen en Tony Agterberg verscheen De Toonder Toneelstukken (2004), waarin verschillende omissies en een paar foutjes goedgemaakt worden door het afdrukken van het Tom Poes-lied.
 

Haasse op muziek gezet

Cabaret, revue, pantoens. — Het Matrozenlied is in 1943 gecomponeerd door de pianist/arrangeur Wim de Vries voor Wim Sonneveld. Circusvrouwen 1945 door Cor Lemaire. Het Zeemanslied is in 1946 gecomponeerd door Wim de Vries, ook voor Sonneveld. Er zijn meer cabaretteksten van Haasse gecomponeerd, o.a. door Han Beuker, maar waar de muziek gebleven is?
Van toen en thans Gezelschap: Cor Ruys’ Cabaret. Auteur: Brammetje, Hella Haasse. Muziek: Han Beuker, A. Mercier
De Stuart Story Auteur: Hella Haasse, Annie M.G. Schmidt, Wim Sonneveld, Martie Verdenius, Guus Vleugel. Muziek: Harry Bannink, Han Beuker, Jelle de Vries, Wim de Vries e.a.
Zee-Geruys Gezelschap: Cor Ruys’ Cabaret. Auteur: Brammetje, Hella Haasse. Muziek: Peter Kellenbach, A. Mercier.
De Mallemolen Auteur: Brammetje, Hella Haasse, Cor Ruys Muziek Han Beuker, Wouter Denijs.

       Yvonne de spionne. Tekst: Hella Haasse.
      10 + 4 + 8 + 12 + 4 + 8 + 8 + 4 + 4 + 1 + 4 = 69  regels
      ■   ■   ■
             Muziek: Jos Cleber, gezongen door
     Conny Stuart.
      Live opname door studio NEKOS,
      Amsterdam, 1961.

 

*    *    *    *    *    *    *    *

Zes Maleise Pantoens vertaald door Hella Haasse, gecomponeerd voor zang, chromatische gamelan, basklarinet en viool door Sinta Wullur in opdracht van Muziekcentrum De IJsbreker. Uitgevoerd in de Rode Hoed in het programma ‘De muzikale wereld van Hella Haasse’ (2001) door het ensemble Multifoon. Opgenomen op de cd Duo Merpati, door Sinta Wullur zang en Monique Copper piano, dus met sterk gereduceerde begeleiding. De teksten (uit Lyriek der Natuurvolken) zijn door Haasse voor de gelegenheid gemoderniseerd en herzien. Haasse had ook het Klaaglied uit Leloba (bij Timor) aangeboden. Multifoon heeft bij andere gelegenheden “Soendanese liefdesliederen” in vertaling van Haasse uitgevoerd.

  Zes Maleische pantoens (kwatrijnen)   Malaya (herziene versie)
  Van waar komt de duif aanzweven ?   ■   ■   ■
1. ■   ■   ■           6 cpl van 4 regels

 

*    *    *    *    *    *    *    *

Klassiek.

1.   Credo gecomponeerd in 1947 door Johannes den Hertog (1904 – 1982). Tekst van Hella Haasse. De componist heeft een toelichting op dit oratorium geschreven die hieronder weergegeven is.

Over de samenwerking tussen Hella Haasse en Johannes den Hertog, ’s-Gravenhage, De Althæa Pers, 7 nov. 2012, 24,7 x 19,8 cm., [15, I + [12] p. [1]: Franse titel, [2]: frontispice en opdracht; [3]: titel, [4-13]: tekst, [15]: colofon + [1-12: facsimilia].

   Specificatie. Uitvoering: boekje, in omslag met betiteling en boekje, beide met cahiersteek bevestigd in driemaal gevouwen omslag met schuin in de rechter bovenhoek geplaatst titeletiket. Papier: binnenwerk 100 grams conqueror velin Blanc en 80 grams Adagio chamois; omslagen 200 grams Neutral lichtbruin en 290 grams Sirio Color cherry. Letter: Cambria. Drukprocedé: laserprint. Oplage: 12 genummerde exemplaren.
   Bijzonderheden. Vervaardigd voor Hilde van Zanen. De uitgave bevat de neerslag van een onderzoek naar de herkomst van en de achtergronden bij een programmaboekje met de tekst ”Credo” van Hella Haasse en de toonzetting ervan door Johannes den Hertog. Dit boekje is in facsimile opgenomen in de uitgave. Het frontispice is een portret van Johannes den Hertog, afkomstig uit de beeldbank van het Nationaal Archief.

Het tekstboekje draagt de titel Credo. Zo heet ook een gedicht in Stroomversnelling. Maar Haasse heeft onder diezelfde titel een geheel nieuw, veel langer gedicht gemaakt, daarbij gebruik makend van één fragment uit Stroomversnelling, het slotgedicht, dat ook hier aan het slot staat. Het volledige libretto is in de Appendix te vinden. De compositie is niet in het bezit van het NMI. Verblijfplaats van het materiaal onbekend.

JOHANNES DEN HERTOG

„CREDO”

TEKST

HELLA HAASSE

                               Toonkunstkoor

Geïnspireerd door den schoonen tekst van Hella Haasse schreef de directeur van het Haagsche Toonkunstkoor Johannes den Hertog een boeiend „Credo”, dat gisteravond de première beleefde. Het effectrijk stuk werd onder leiding van den componist uitnemend verklankt : het koor zong met overtuiging, het orkestrale gedeelte was goed verzorgd en de solisten – de sopraan Martha Rolloos, die Greet Koeman verving, de coloratuur-sopraan Coby Beek,
de alt Ans Stroink en de bariton Laurens Bogtman – hebben een schitterende beurt gemaakt.
Over de uitvoering van Beethoven’s Mis in C, die kennelijk onvoldoende was voorbereid, kunnen wij helaas niet enthousiast zijn.
Na het „Credo” langdurige ovaties en bloemenhulde.
J. V.

De Tijd, 24 april 1947

↑             De Tijd, 18 dec 1947
 

  Inline afbeelding 2

                 

 

Alg. Handelsblad, 24 april 1947

 

 

   

Slechts drie muzikale hoofdgedachten beheerschen de geheele compositie: in den eenvoud harer constructie lag de mogelijkheid om deze motieven door geringe maar specifieke veranderingen telkens het “gewaad” te verleenen, dat past bij het te ondersteunen beeld van den tekst.
   
A en B symboliseeren in hun wezen tesamen de groeikracht der Aarde: A, met zijn enkelen toon als uitgangspunt, via kleine en groote secunde langzaam zwellend tot kleine terts – in sommige gevallen nog verder: tot den majeurterts – geeft de groei weer, het weerbarstig-stootende rhythme van B de kracht, het baanbrekende geweld daarvan. Tot het eerste optreden van motief C – de bezieling door God: de vier aanvangsnoten van het “Zoo vond U God” in de eerste alt-solo – zijn de gegevens A en B oppermachtig: de korte orkestinleiding zoo goed als de aanroeping der moeder-aarde door het koor (regel 1 en 2), de schildering der stroomen (r. 24) en der wolken (r. 30 vlg.) zoo goed als die van den regen (na r. 36), van het schuim der zee (r. 26), van de stengels (r. 18) en de bijen (r. 19): het zijn alle varianten van A, al dan niet vergezeld van B, waarbij veelal een versterking der uitdrukking is nagestreefd door verdubbeling op quints- of kwartsafstand (A¹). De recitatieven waarin de koorgroepen, het woord van elkander overnemend, het ontstaan der nog onbezielde Aarde beschrijven, worden geschraagd door een zeer verlangzaamden vorm van A in het orgel.
   Nadat de a capella voorgedragen phrase van de alt-solo (r. 47 – 51: de intrede der Goddelijke Bezieling) door het volle orkest is herhaald, vangt de schildering aan van de oer-zee (C) als de stem Gods in orgel en tuba als “basso ostinato”), van het oer-gewas, van het oer-dier.
   Na de gespannen vraag van de altsoliste naar het oogenblik der geboorte van den Mensch (r. 86 vlg.) – wederom een variant van
A – bezingt de solo-sopraan den primalren drang in de menschelijke Ziel naar het zich-losmaken van de Aarde (motief C als basis). Wanneer dit streven den mensch bewust gaat worden, teekent zich het doel ook scherper af: het ontkomen aan de onrust der Aarde, het vinden van rust in God.

Drie variaties van C (op harmonisch gebied) in verschillende orkestgroepen karakteriseeren – inleidend – de twijfelenden (r. 114), de hoopvollen (r. 117), de verslagenen (r. 119) onder de zoekenden.
   Een stem verheft zich plotseling (het is weer de solo-sopraan), die “de vreugde der wereld” durft te aanvaarden als ook-van-God: “Is niet dit Leven heilig èn fel?” (Van nu af krijgt B – “bezield” – bij zijn rhythme ook melodischen inhoud: zie voorbeeld B¹.)
In vurig gebed belijdt vervolgens het koor zijn gevoel van diepe verwantschap met God: een koraal, tweemaal onderbroken door C in overtuigd “unisono” – smeekend om verlossing der Ziel van den “daimoon van het Bloed” (motief A als grondslag hierbij).

     Een parallel tusschen het Leven en den Boom (baryton-solo, r. 149 vlg.) en een melodisch daarmee verwante wisselzang der solisten vormen de eerste – groote – “coda” van het werk. In de uiteindelijke afsluiting “zingt” de Ziel (coloratuursopraan) zich “vrij” van de pijn, die haar onvereenigbaarheid van Hemel en Aarde veroorzaakt (zie de slot-strophe!), kwinkeleerend als een hoog in de lucht staande leeuwerik. De keuze van het melodisch gegeven hiervan (D), dat aan het begin van het stuk een voorname rol heeft gespeeld, zoowel als de terugkeer van A in zijn oorspronkelijken vorm, verleenden aan den bouw van het geheel een symmetrische afronding.


HAAGSE TOONKUNST

Het was minder juist gezien van Johannes den Hertog een herhaling van zijn “Credo” te geven na Honeggers Le Roi David. Daardoor werd immers te sterker aangetoond, hoe zwak het is in inspiratie op de gezwollen tekst van Hella Haasse met de germaanse oer- en almoeder verheerlijking, en tevens, hoe filmisch de muzikale illustrator dier pseudo filosofie der menswording te werk is gegaan.
   De originele kracht, de zuiver religieuze mystiek, de felle rhythmiek, het warme coloriet en de stug-dramatische spanning, die in Honeggers oratorium zo ongemeen boeien en meevoeren naar een wereld van schone gedachten, mist men ondanks alle pathos en effectjes bij Den Hertog volkomen. [….] K.
Algemeen Handelsblad 18 dec 1947

Ook uit deze recensie blijkt dat Haasse in deze jaren voor dit soort opdrachten geen ‘normale’ teksten kon leveren, maar automatisch op een mengelmoes van sagen als Edda en theosofische vaagheden terugviel .

“Er zijn geen concrete punten die overeenkomen in beider biografieën en het is onduidelijk hoe en wanneer ze elkaar hebben ontmoet”. Te lezen in : Ligatuur – Paul van Capelleveen over zijn ervaringen als conservator in de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag – 135. Een vroege Hella Haasse.
   Nou, die concrete punten zijn er wel. Johannes den Hertog was dirigent van de Wagnervereniging, tweede dirigent van het Concertgebouworkest (1938-1941), intendant van het Gemeentelijk Theaterbedrijf Amsterdam (1940-1945, ‘de Opera’). De Stadsschouwburg is het concrete punt waar Haasse en Den Hertog elkaar geregeld tegen het lijf liepen. Het gebouw van de Tooneelschool lag een paar meter verderop aan de Marnixstraat, Américain was het trefpunt. Den Hertog was de Wagner-autoriteit in Nederland. Werd in ’45 geschorst maar in ’46 door de Ereraad vrijgesproken en in 1974 tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau geslagen. In 1968-1971 heb ik als repetitor bij de Operastudio gewerkt onder Den Hertog, die daar de leiding had.

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

2.   Maria Elizabeth van Ebbenhorst Tengbergen (1885-1980) heeft een Muzikale Illustratie bij een Marialegende voor vioolsolo bij eurhythmie gecomponeerd. Vertaling uit het Oud Fransch van Hella Haasse. Partituur met vioolsolo gedateerd 19 jan. 1954. Manuscript, in NMI. De betrokken Marialegende is het laatste item in ‘Balladen en legenden’ (1947), zie Appendix.    “Mej. van Ebbenhorst Tengbergen en Anthon van der Horst waren collega’s : ze gaven Solfège en Algemeene Muziekleer aan het Gooisch Muzieklyceum” (aankondiging schooljaar ’27-’28, Gooi- en Eemlander, 27 aug. 1927).

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

3.   Kees Kef  (1894 1961) heeft in 1954 De raadselridder (uit Balladen en legenden) voor gemengd koor gezet.

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

4.  Anthon van der Horst (1899-1965) heeft verschillende teksten van Haasse getoonzet. Diepgaande beschouwingen over ‘zielsverwantschap’ kunnen eenvoudig vermeden worden door te stellen dat het klikte tussen beide breed georiënteerde kunstenaars. Uit het radiokerstspel Winterhard (1957) is een lied voor drie zangstemmen en orgel [man.] of piano op een titelloos gedicht (Die waakt de langste nacht) van Haasse bewaard. De overige muziek is spoorloos, evenals composities op teksten van Barnard en anderen, die in de reorganisaties van de VPRO tenondergegaan zijn (Gert Oost in zijn Van der Horst-biografie). Het lied is niet uitgegeven, het staat op 1 los vel muziekpapier en berust in het NMI. De tekst komt goedddeels overeen met een niet gepubliceerd ongetiteld gedicht van dezelfde lengte, Genezing voor de ziel, rechtsboven gedateerd Hemelvaartsdag 1947 (LM).

 

Die waakt de langste nacht, denk aan het blad   
3 cpl 4 r

■   ■   ■ W i n t e r h a r d   (1957).

Van der Horst gebruikte Heft koninklijk uw jonge bloesem op als titel, wat enige verwarring schept aangaande de volgorde der coupletten. Het lied maakt deel uit van een radio-Kerststuk waarin gesproken woord en zang aan bod kwamen, afgewisseld met geluiden uit de buitenwereld op taperecorder. Het lied (3 cpl van 4 regels) bevat motieven uit Nu zijt wellecome en Christe qui lux es et dies, (duits) Christe der du bist Tag und Licht (geref. Gezang 39).   Het gedicht draagt geen titel. Had Haasse het een titel willen geven, zou die   W i n t e r h a r d   hebben kunnen zijn.

Ik geloof dat beide kunstenaars, Haasse, die de tekst leverde, en Anthon van der Horst, die de muziek voor het geheel componeerde, elkaar geïnspireerd hebben tot hun beste kunnen voor dit werkstuk, Winterhard getiteld. Een door Haasse getypt script tevens draaiboek is bewaard, zo te zien een ontwerpversie, niet het eindproduct van de samenwerking : wereldse geluiden op toonband zijn ingeprogrammeerd, de tekst over sprekers en zangers verdeeld. Haasse heeft voor dit stuk eigen gedichten bewerkt en teksten geschreven zonder terug te vallen op gekwezel. De teksten zijn soms wat zwaar op de hand voor een kerststuk, kun je zeggen. Van der Horst paste althans in het lied zijn muziektaal bij het onderwerp aan, dwz gebruikte zijn modernere modus conjunctus-idioom niet. Hij koos, als Haasse’s script gevolgd is, voor een volwassenenkoor, een kinderkoor en solostemmen, met een paar instrumenten hoogstwaarschijnlijk ook apart op de band gezet. De VPRO verstrekte de opdracht en zond Winterhard uit op woensdag 25 dec. 19.30 u. op Hilversum II, eerste Kerstdag. Duur : ca. 15 minuten. Het script is in zijn geheel in de Appendix te vinden. Het is niet revolutionair maar toont hoe Haasse met haar tijd meeging. En misschien bij het toneelstuk Winterwake (1948) van Luisa Treves zocht aan te sluiten :
   “Die pretentieloze, ijzeren moed van het sneeuwklokje om te zijn, alleen maar te zijn, de aardkorst, de sneeuw, de kou, de grimmige winter ten spijt . . . […] Het is een lange winternacht, . . . maar het zal lente worden.”

 

Genezing voor de ziel is in het blad

■   ■   ■

3 cpl van 4 regels

 

Inline afbeelding 1

Nieuwsblad van het Noorden, 24 dec. 1957

Inline afbeelding 10    Inline afbeelding 9

       VPRO archief

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

5.    In zijn Derde Symphonie (1959) heeft Anthon van der Horst een koor ingezet, dat op teksten uit Lyriek der Natuurvolken zingt. De symphonie was een opdracht van het Ministerie van O. K. en W. ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Amsterdams Conservatorium. Van der Horst nam de oude spelling van Haasse over.
   Deel 1 heeft Zonnehymne, Regenlied en De Regenboog als tekst. Deel 2 (Scherzo) gebruikt het Ooievaarslied, deel 3 Tusschen lianen en slingerplant, Een wonder is je schoonheid, O, zij vloog van mij weg, Naar jou verlang ik eindeloos en Heilig lied. Deel 4, de Finale, gebruikt Schaduw van den dood, Nu beeft mijn ziel en de eerste helft van Bidzang.

Tekst van de Finale van de 3e symphonie, Anthon van der Horst

  Schaduw van den dood (Yalo mate)    
  Godinnen van den dood sling’ren wijd hun netten.   Volgens de mythologie der Fiji
  ■   ■   ■             36 regels   ■   ■   ■

             

 *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

 

Tekstkritiek, receptie, de PEN, doolhoven &c

Aan de hand van de opgestelde poëzie-bibliografie kunnen gebloemleesde gedichten, met het meestgeciteerde VIRGO aan de top, een eindweegs gevolgd worden bij hun gang over de bureaux der florilectoren. Wanneer men zich realiseert dat van verschillende meesterwerken der muziekliteratuur, diverse malen herzien en heruitgegeven, nog nooit een foutloze versie gedrukt is (Bachs MP, Brahms’ Requiem), mag met enige bezorgdheid de vraag gesteld worden hoe het met gedichten in de verschillende uitgaven gesteld is.

Laten we de lotgevallen van VIRGO eens bezien. Uitgangspunt is WERK 1939. In kleindruk geef ik de achtereenvolgende versies weer. Sommigen beschouwen de wisselende interpuncties als een futiliteit, anderen zien daarin het veronachtzamen of verstoren van subtiliteiten, of het aanbrengen van een onbedoelde bedoeling / nadruk / doordenker. Zie hieronder de komma van Ed. Hoornik in “een hart, dat wacht”. Alvorens te oordelen zou eerst uitgemaakt moeten worden, welke de intentie van de dichter was, wat drukfout is, en wat een eigenmachtige ingreep of slordigheid van de redacteur is geweest. Geen gemakkelijke opgave. – Ik had de vier versies van Virgo daarvoor uigekozen, maar het auteursrecht ligt uiteraard dwars.

V I R G O             (een getypte versie gedateerd 1939 bevindt zich in het LM)

1.  WERK 1939, Stille Opmars 1942,
Bosman & Buddingh’ 1942

Zij is een wezen tussen vrouw en knaap.–

■   ■   ■      

Stroomgebied, A. den Besten 1953, 1956

Spiegel deel 3, V. van Vriesland 1954, 1957

Vier verschillende drukken, 4 cpl van 4 r
■   ■   ■                    ■   ■   ■                    ■   ■   ■                    ■   ■   ■

5. In Twee Lentes (1941) respecteert Ed. Hoornik de strofenindeling en interpunctie van WERK 1939, maar in de laatste regel heeft hij helaas een komma toegevoegd : “een hart, dat wacht, en aan de stilte luistert”.

6. In De Lust tot Lezen (1988) analyseert Maaike Meijer Virgo op p. 268-276. Ze gebruikt de versie van Stroomversnelling (2.), met invoeging van een komma na ‘veel wegen’ in r. 6. Ook Den Besten heeft die komma ingevoegd. Het kan inderdaad een drukfout of een schrijf-slordigheid van Haasse betreffen. In The Defiant Muse (1998) van Meijer staat de versie van WERK (1.), met een Engelse hertaling ernaast.

In Stroomgebied, een inleiding … (1954), geeft A. den Besten aan de regels 5 en 6 een andere interpunctie mee dan die van 1. en 2. : “veel wegen, die haar mond aan geen verraadt” betekent iets anders dan “veel wegen die haar mond aan geen verraadt”. Of de komma in “de trots van hen, die eenzaam zijn” in WERK van Haasse of van een redacteur stamt, weet ik niet – maar tenzij ‘hen’ op ‘nonnen’ terug moet slaan (wat ik niet geloof) hoort de komma er volgens huidig gebruik niet te staan, en heeft Den Besten op dit punt de enige correcte versie. Maar hoe Haasse daar – toen – over dacht is me niet bekend. Ook weet ik niet of de comprimering van de laatste vier regels na drie eerdere drukken in de vierde (Stroomversnelling) van Haasse zelf stamt of op een slordigheidje van de zetterij berust.
   Waar Haasse in In het park (Stroomversnelling) mèt schreef, maakte T. van Deel er in zijn bloemlezing Lees eens een gedicht (1971) mét van. Haasse zou dat niet erg belangrijk gevonden hebben, vermoed ik. Maar Van Deel vond kennelijk van wel. Curieus dus om te zien dat hij in zijn eigen gedicht Parterre in dezelfde bundel het woordje hè niet in hé veranderd heeft, omdat dat als hee klinkt. Maar hij schrijft wel Tóm, al bedoelt hij natuurlijk niet Toom. Van Deel en vele anderen gebruiken het accent aigu zowel om nadruk als om klinkerlengte aan te geven, en ook om het telwoord ‘een’, zelfstandig gebruikt, als één te schrijven. Gelukkig beperkt deze laatste hebbelijkheid zich doorgaans tot dit telwoord. Je krant zal maar négen van de tien keer over twéé van de Grote Drie gaan berichten!
   De uitkomst van dit onderzoekje is duidelijk en weinig verrassend. Er werd dikwijls slordig met de leestekens omgesprongen. Maar dat is minder erg dan de willekeur van de spellingsdictatuur van Het Groene Boekje, dat elke tien jaar door nieuwe deskundigen herzien wordt, en het Groot Dictee.

Du Perron schreef in april 1940 aan Ter Braak aangaande de tekstcorrecties die Lekkerkerker in de drukproef van het eerste deel van de Verzamelde gedichten van Slauerhoff had aangebracht :

Aan den anderen kant lijkt het mij niet twijfelachtig dat L. hier en daar verbeterd heeft op eigen houtje, leestekens en ook een enkel woord. Nu heeft hij dit m.i. vaak goed gedaan en het best is dan maar het te laten staan, omdat Sl. zelf voor zulke verbeteringen meestal dankbaar was, en omdat het kleinigheden zijn. Maar hier en daar is L. te kwistig geweest met komma’s en vooral gedachtestrepen […], zoodat ik daar zal ‘ingrijpen’ als ik merk dat het geen leestekens van Sl. zijn. Enfin, ik stuur jou de revisie ; kijk, S. zei tegen mij ook altijd: “één ding, niet teveel komma’s”.

 

Tableau: waar is de haas?

“Er bestaan betrekkelijk weinig diepgravende studies, essays, dissertaties over werk of aspecten daarvan. En wat er bestaat richt zich vooral op een paar, steeds dezelfde, aspecten: Hella S. Haasse en Nederlands-Indië, Hella S. Haasse en de historische roman, Hella S. Haasse als vrouwelijke schrijver. […] Op de landkaart van Hella S. Haasse zijn tal van plekken niet ingevuld door de kritiek” (Een nieuwer firmament, woord vooraf).
Dit artikel houdt zich in eerste instantie bezig met de verkenning en inventarisering van haar dichtwerk. Laat op dit punt aangekomen iets meer gezegd zijn over onderscheid en vermenging van poëzie en proza in het werk van Hella Haasse.

Hella’s tante Nel (Nellij, Nelly) van Sillevoldt-Haasse (*1885) dacht er in haar roman Noodlanding (1940) zó over : “Het gaf haar een gevoel van teleurstelling, alsof de poëzie die zij, veertigjarige, nog van het leven verwachtte, in proza, koud en nuchter, werd omgezet”. Evenzogoed schrijft Nel zelf hier en daar onmiskenbaar bevlogen proza.

Alfred Kossmann meent in 1958: “Prozaïsten die gedichten schrijven blijken niet altijd weet te hebben van de magie van het woord ; zij delen iets mee, zij drukken iets uit, zij gebruiken de versvorm wanneer zij dingen te zeggen hebben die men liever fluistert. De poëzie van Hella S. Haasse, Albert Helman, Theun de Vries leest men nauwelijks als poëzie ; men heeft hen uit hun romans leren kennen en het lijkt alsof men hen nu voor het eerst persoonlijk ontmoet. En zij zijn bewogen, in de war, onder de indruk, bereid om het achterste van hun tong te laten zien”.

Haasse zelf schrijft “…. zat ik te broeden op de best denkbare weergave van een bepaalde versregel [in haar schooltijd TK], niet alleen letterlijk, maar zo dat ritme en klankschoonheid behouden zouden blijven. Dit werk, ook al betrof het een fragmentje van tien regels, gaf mij bevrediging, zelfs meer nog dan het opstellen maken ….”. Volgens Koets “waren de klassieken voor haar meer van waarde om hun aesthetische, dan om hun intellectuele kwaliteiten. Zo sprak poëzie haar onmiddellijker aan dan proza”.

“…. niemand kan zich onttrekken aan de greep van de machtige poëzie der ‘reien’ aan het slot der verschillende bedrijven. Wie bij het horen van “O Kerstnacht schoner dan de dagen”, en “Waar werd oprechter trouw” uit de Gijsbrecht, of van “Wie is het, die zo hoog gezeten” uit de Lucifer niets in zijn binnenste heeft voelen trillen, kan van zichzelf vermoeden dat hij geen aasje gevoel heeft voor echte poëzie”. Uit een nummer van Opgang. Auteur onbekend.

In geconcentreerde lucide essays als Kwaliteit, een verkenning (1987) bereikt HSH een hoogte die ze bijvoorbeeld in de lange dubbelroman De verborgen bron / Ingewijden naar mijn mening niet haalt, hoewel ook in Kwaliteit het gepolijste proza, het gebrek aan visuele vormgeving van de inhoud, de bladzijdenlange alinea’s, de weinige witregels, de afwezigheid van tussenkopjes, leestekens als het uitroepteken, een waarneembare hoofdstukindeling of hier en daar een flinke initiaal een versuffende (‘bijslaapverwekkende’, drs. P) uitwerking op de lezer hebben. Oog en brein willen houvast! Zichtbare structuur! Geen Vinex! De gelijkmatige voortgang der woorden en zinnen doet de waakhond niet aanslaan, zogezegd, reißt einen nicht vom Stuhle, anders gezegd.

Die sobere vormgeving is gedeeltelijk inherent aan de tijdgeest. Zie toch eens de geestdodende uniformiteit van de 150 blz. van Kassandra van Christa Wolf (1983). Niet één witregel, geen hoofdstukindeling, nergens wordt ingesprongen. Gelukkig schrikt de lezer steeds wakker door het ontbreken van aanhalingstekens in de dialogen, “wie is er nu eigenlijk aan het woord?”. De ascetische monotone opmaak drukt als een robotwals het verhaal plat. Je zou het opnieuw willen uitgeven. Elk levensteken, elk leesteken ontbreekt. De vergelijking met het na 1950 vooral in Duitsland gepropageerde ‘Bach op de naaimachine’ (onpersoonlijk = levenloos = objectief = authentiek) dringt zich op. We zullen verderop zien dat ook een gedicht onder een slechte opmaak kan lijden. Muziekdruk geeft vanzelf iets van zijn inhoud prijs, maar boekdruk kan hermetisch zijn. Als men al de indruk heeft dat Haasse gepredisponeerd was voor werk dat een lange adem vereist van auteur en lezer, wordt die indruk door een niet-betrokken opmaak zeker niet versterkt, hoeveel verbanden de auteur ook tracht te leggen “tussen de afzonderlijke waarnemingen en gebeurtenissen en tussen heden en verleden” (Elsbeth Etty, flaptekst Zwanen schieten).
   Hier schijnt een laat zonnestraaltje. In Portret van prinses Beatrix (1955) van HSH leest men in de Verantwoording bij de herdruk (2013) “Het verouderde gebruik van ‘men’ is in de tekst vervangen door het modernere ‘je’ – een verandering waar Hella S. Haasse het mee eens kon zijn”. En “een andere modernisering betreft het aanbrengen van witregels en paragrafen. Oorspronkelijk is het één doorlopend geheel, met slechts weinig nieuwe alinea’s – de lezer van nu krijgt wat lucht in de tekst”. Beatrix die Haasse helpt. Terecht en goed bedoeld, maar het aanzetten van de airco helpt niet, het verhaal heeft te weinig structuur.
   Vasalis besluit Sub finem, posthuum als laatste vers in de bundel Vergezichten en gezichten geplaatst, met “Het werd, het was, het is gedaan”, Haasse eindigt in het laatste van de acht in 2008 gedrukte gedichten, waarvan ze de volgorde niet aan het toeval overgelaten heeft, Huis niet meer veilig, op zich een prachtig gedicht, met “ik ben hier en niet hier”. Een sprekend verschil toch — aanwezigheid versus vervreemding — dat algemeen genomen zou kunnen verklaren waarom een inniger band tussen Vasalis en haar lezers kon ontstaan. Men bewonderde Haasse, men hield van Vasalis, is mijn indruk.

Eind 2006 startte Uitgeverij Querido met de uitgave van het VERZAMELD WERK van Hella S. Haasse. Tussen 2006 en 2014 verschijnen al haar romans en essays in een luxe-editie. “Deze delen van het Verzameld werk kwamen tot stand in nauw overleg met de schrijfster zelf”. Zo schrijft een medewerker van Querido in het Digitaal Hella Haasse Museum. Querido, in deze vertegenwoordigd door Patricia de Groot, sinds 1997 Haasse-redacteur bij Querido, bevestigde mij desgevraagd dat men daar niet van zins is Haasse’s poëzie een plaats in haar Verzameld Werk te geven. “Omdat mevrouw Haasse dat niet wilde”.

Tot uw dienst, maar Haasse heeft in 1998 haar gedicht (ze had ook een stukje proza kunnen leveren) Geen letter blijft bewaard in zand in Scheveningen in de ±70 m. lange glaswand De Transparant laten graveren. Voor jubilea en dergelijke schreef ze nog graag een gedicht. Behalve uitgerekend voor Rotterdam. Een reis door de tijd.
   Voor de filmdocumentaire ROSA SPIER – Een leven voor de harp van Deborah van der Starre – heeft ze in 1998 op het podium van het Amsterdams Concertgebouw haar Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw voorgedragen, een visionair gedicht als weinig andere, dat deel uitmaakt van de vaderlandse geschiedenis, dat bij de voorspellingen van de barbaarse onderdrukking, beter gezegd de poging tot uitwissing van Nederland in 1940-45 niet weg te denken valt, al heeft het niet de bekendheid gekregen van Het lied der achttien dooden van Jan Campert.*) Is Haasse tegen haar wil op dat podium neergezet? Werd zij buiten beeld door Van der Starre met gericht pistool gedwongen dat gedicht voor te dragen? Heeft zij daarvan bij de politie aangifte gedaan?
     *) Cassandra had een probleem: haar sombere profetie klopte, maar kwam niet onmiddellijk uit. Tegenstanders konden haar dus makkelijk wegzetten als pessimist en de kop weer in het zand te steken. Troje stond er immers nog. (Dirk Bezemer, Loze lessen. De Groene 19 sept 2018). Haasse publiceerde Cassandra pas in 1942.
   Heeft mevr. Haasse in 2006 onder bedreiging acht gedichten voor Het Liegend Konijn aan Jozef Deleu afgestaan? Of is de overeenkomst goedschiks tot stand gekomen?
   In 2006 liet Haasse in kleine kring weten dat zij enkele ongepubliceerde gedichten beschikbaar had. Geert Buelens mailde dat aan Jozef Deleu, die onmiddellijk Haasse opbelde.* Zij stuurde acht gedichten en schreef in een begeleidende brief “Blijft de vraag, of je überhaupt iets van mij moet opnemen. Ik leg me graag neer bij je oordeel.” Deleu berichtte Haasse de gedichten in het oktobernummer van Het Liegend Konijn op te willen nemen, stuurde drukproeven en kreeg die met kleine veranderingen retour. Ook vroeg Haasse hem te vermelden: “Deze gedichten zijn uit de jaren 1960-1980.”
 *Veel over Jozef Deleu in Jan Campertprijzen, BZZTôH 1981.

Voor Het Digitaal Museum Hella Haasse verzorgde Patricia de Groot Content, research en redactie t.a.v. tekst, foto’s en bijschriften. Die research heeft zo te zien uit niet veel meer bestaan dan het noteren van wat Haasse dicteerde, aanreikte of suggereerde. Anders zijn de vele onnauwkeurigheden en omissies niet te verklaren. Hella had een selectief geheugen voor bepaalde aangelegenheden. Ze vermeldt het overlijden van haar vader in 1955, dat van haar moeder in 1983 niet. Zo ook Greetje Heemskerk in Korte bio-/bibliografie van Hella S. Haasse (Ik maak kenbaar 1993).
    Dat ze haar gedichten weleens bescheidenlijk, of coquetterend, als “jeugdzonden” bestempeld heeft, geeft de uitgever die het VERZAMELD WERK pretendeert uit te geven niet het recht de vele gedichten die tussen 1938 en 2006 in druk verschenen zijn van zijn uitgave uit te sluiten. Hoe kon Haasse een gedicht uit 1958 een jeugdzonde noemen? Heeft ze zo lang van een zondige jeugd mogen genieten?
   De opvolger van het Digitaal Hella fHaasse Museum gaat op de oude voet verder. Het is nu ondergebracht op literatuurmuseum.nl/verhalen/hella-haasse/ . Daar valt te lezen “Eerst worden Hella en Wim bij de grootouders ondergebracht, deels bij die van moederskant in Amsterdam en deels bij die van vaderskant in Baarn. Maar deze oude mensen kunnen er niet zomaar twee kinderen bij hebben. Wim blijft bij de grootouders in Amsterdam, Hella wordt ondergebracht in een kinderpension in Baarn dat geleid wordt door twee strenge, liefdeloze vrouwen, die ze ‘de tantes’ moet noemen”. Wim bij de grootouders in A’dam ! Wie dit geschreven heeft, heeft geen flauw idee van de jeugdjaren van de kinderen. Waarom niet iemand aanstellen die een beetje op de hoogte is ?

[Haasse in 2006:] “Gedichten … Ik heb er wel meer. Maar ik vind het te privé”. [Arjan Peters:] “Wat u betreft komen die niet in het Verzameld Werk?” [Haasse:] “Nee. Dat heeft geen zin. Ik wil ook niet dat er een biografie over me gemaakt wordt. Dus waarom dan dergelijke gedichten, die natuurlijk schreeuwen om uitleg?” (A. Peters, De handboog der verbeelding, p. 62). Peters had drie gesprekken met Haasse, in 1998, 2003 en 2006.
   Uitleg? Zeker, er zitten een paar cryptische gedichten tussen, maar de meerderheid kreunt niet om uitleg, vraagt soms wel om een ogenblik van bezinning, van herlezing, van ontwarring. En wat die biografie betreft, Alfred G. H. Kerckhoffs te Breda (*29 april 1939, echtgenoot van Nell Kimenai, overleden te Breda 11 mei 2001 op 62-jarige leeftijd) is er in de jaren ’80 al eentje begonnen. Hij was leraar Nederlands, had in Leiden gestudeerd en zette zich in voor een literair café in Breda. Met instemming van Haasse heeft hij in de jaren 1995-96 voor zijn promotie-onderzoek aan een studie over haar proza gewerkt, waarbij biografische elementen niet zouden ontbreken. Kerckhoffs kwam bij Haasse in Amsterdam thuis, waar hij mocht overnachten als het te laat was geworden (hij was niet zo gezond), soms met zijn vrouw, ook in St.-Witz, waar Haasse van 1981 tot 1990 woonde ; en ook bezocht Hella hem in zijn woonplaats Breda, waar ze verscheidene keren is blijven slapen. Haasse nam het heel serieus. Kerckhoffs en zijn promotor in spe Kees Fens zochten een noemer waaronder het geheel te vangen zou zijn. Aanvankelijk waren ze het eens over ‘de doolhof’, maar zijn daar van teruggekomen. En toen werd Kerckhoffs ziek en hield het op. Op zijn grafsteen staat Vaarwel die aan de einder wijkt / ik mag uw pracht in mij bewaren (Ida Gerhardt).
   Kerckhoffs schreef o.a. ‘Worstelen met Kronos. Variabele constanten in werk van W.F. Hermans’, in Dietsche Warande & Belfort 117 (1972), pag. 659-679. Als studiebegeleider/docent van het studiecentrum Den Bosch initieerde “de helaas te vroeg overleden drs. Alfred Kerckhoffs” een aantal jaren geleden Retor, een soort studentenparlement zoals hij het zelf noemde. Wij noemen het liever een platform voor studenten van de OU, met name van de faculteit Cultuurwetenschappen (Theo Ellerman, coördinator voorbereidingsgroep, Open Universiteit Den Bosch).

Querido, althans de Haasse-redactie van die uitgeverij, heeft Haasse’s gedichten dus niet in het Verzameld Werk opgenomen. Dat kan dan natuurlijk niet Verzameld Werk genoemd worden, maar dat ziet Querido anders. En dat blijft zo, aldus Patricia de Groot. Nu zal de uitgever zich op dat standpunt nog wel eens beraden, dunkt me. Best mogelijk dat de boeken van Haasse over 50 jaar niet meer gelezen worden, eerder zal wellicht een gedicht in een bloemlezing of een lucide essay aan haar blijven herinneren. Zulke overwegingen hoort Querido niet graag, maar de gedachten van Haasse zelf zullen in een onbewaakt ogenblik die kant misschien wel eens opgegaan zijn. Is het niet het tweede motief in ik hief mijn hand op (haar eerste gedrukte gedicht)? ”En toch — dit hart, dat binnen in mij brandt / doet nimmer afstand van zijn zoeten waan / dat er iets blijft van mij — al zal mijn hand / diep in het stof tot kleurloos stof vergaan”. Word je ouder, kan dat besef zwaarder gaan wegen.

En nu ik terugdenk aan die reeks van jaren,

■   ■   ■      16 regels

Zo dichtte Haasse ca. 1962 voor Sophie Stein. Geciteerd uit Wim Ibo, En nu de moraal van dit lied. Overzicht van 75 jaar Nederlands cabaret. 1970.

   Veel later, in KNACK van 18 dec 1996 vraagt Piet Piryns :
“Denkt u dat uw werk u zal overleven?
   HSH Ik ben al buitengewoon tevreden dat wat ik in de loop van de voorbije vijftig jaar geschreven heb, nu nog gelezen wordt. Hoeveel schrijvers zijn echt onsterfelijk? Homerus, Tacitus, Dante, Shakespeare – dan heb je het volgens mij wel zo’n beetje gehad”.
   Nog weer later komt In het vraaggesprek dat Ad Fransen en Peter Hoomans op 5 nov. 2004 met Haasse hadden in HP/De Tijd, onder de titel ‘Manipuleerbaar’ de volgende passage voorbij :
“Bent u nog nieuwsgierig naar wat er met uw werk gebeurt na uw dood?
   HSH : “Je hoopt altijd dat je in de canon blijft opgenomen of dat studenten er nog studietjes aan zullen wijden. Maar het heeft geen zin daarop te speculeren, want misschien overheerst de beeldcultuur straks wel zo erg dat het lezen ondergronds gaat. Dan wil ik wel graag behoren tot die ondergrondse club”.

Arjan Visser schrijft in De tien geboden, Gesprekken met schrijvers (2011) “Hella Haasse […] debuteerde in 1945 met de dichtbundel Stroomversnelling”. Kom, kom, wat is een debuut? In werkelijkheid lag haar debuut vóór 1940. In hetzelfde vlak ligt, dat Querido recent heruitgegeven werk als Sterrenjacht (1950) of Kleren maken de vrouw (1947) niet in de œuvrelijst opneemt. Ook Stroomversnelling (1945) niet. Querido begint met Oeroeg (1948).
   Hoe het hoort kan men bij Van Oorschot zien, die de Verzamelde gedichten van M. Vasalis presenteerde. Vasalis heeft ook proza geschreven, dus de band werd niet ‘Verzameld werk’ genoemd. – In het Verzameld werk van Greshoff is een aparte band Verzamelde gedichten opgenomen. – Van Jan Hanlo kennen we de band Verzameld proza en de band Verzamelde gedichten. – Vestdijks Verzamelde romans, Verzamelde verhalen, Verzamelde gedichten, Verzamelde muziekessays, het is er allemaal. – Marsmans Verzameld Werk (Querido!) bevat poëzie, proza (1938) en de in 1947 toegevoegde band critisch proza. —– Ik weid hierover uit n.a.v. van het moeilijk te bevatten feit dat in Haasse’s Verzameld Werk geen poëzie is opgenomen. “Mevrouw wilde het niet” aldus de redactrice. Omdat Haasse in 2006 nog gedichten liet publiceren hoeft aan deze bewering weinig geloof gehecht te worden. Wel is het zo dat haar gedichten van zeer ongelijke kwaliteit zijn en de uitgever een keus moet maken.
   Er is trouwens nóg zo’n ‘wilsbeschikking’. Maar die wordt genegeerd. “De schrijfster heeft meermalen te kennen gegeven dat ze niet wil dat er een biografie over haar wordt geschreven”, aldus Marja Pruis op 5 oct. 2011 in De magische zone van Hella S. Haasse in de Groene Amsterdammer. In april 2013 werd echter bekendgemaakt dat Aleid Truijens voor Querido een biografie van Hella S. Haasse gaat schrijven.

Vlak voor de publicatie van Het tuinhuis, zeven nooit eerder gebundelde verhalen uit de jaren 1948-2006, dook Haasse ineens met acht gedichten in het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn (2006/2) op. Een verrassing, zeker voor degenen die meenden dat ze sinds haar debuut Stroomversnelling uit 1945 geen poëzie meer had gepubliceerd. Haasse in interview met lachend, afwerend gebaar: “Besteed maar geen aandacht aan die mistroostige oprispingen van mijzelf uit een verleden tijdperk. Ik heb ze na lang aandringen van de hoofdredacteur Jozef Deleu van Het Liegend Konijn afgestaan. Ze komen niet in een Verzameld Werk. Eigenlijk is het privé”.
   “Zo wil ik ook niet dat er een biografie over mij wordt gemaakt. Jazeker, mij bereiken regelmatig verzoeken om zo’n biografie. Maar ik ben er in mijn werk. En een goede lezer kan daaruit zó de kritieke punten van mijn leven oppikken. De rest is van mij – en daarbij, mijn leven is niet van mij alleen, maar ook van mijn man en van mijn kinderen. Je verwerkt sowieso alles wat je beleeft en denkt in het schrijven. Verkleed en vermomd komt het erin naar voren.”
   Ik maak hieruit op dat voor een goede lezer Haasse’s proza níet, maar haar dichtwerk wèl om uitleg schreeuwt. Het klinkt misschien wat raillerend, maar toch moet opgemerkt worden dat niemand in het Concertgebouw om uitleg riep nadat Haasse daar haar Ik zag Cassandra had voorgedragen. Na vertoning van de documentaire vroegen krantenlezers niet om uitleg aan de kunstredacties. Sterker, ik heb ook andere gedichten van Haasse horen voordragen en gelezen zien worden zonder dat tekenen van onbegrip zichtbaar werden.
   Dat neemt niet weg dat additionele informatie heel zinvol kan zijn. “Zijn die biografische gegevens, analyses en andere toelichtingen nu noodzakelijk om de gedichten […] te waarderen? Strikt genomen misschien niet, maar ze zijn wel buitengewoon verrijkend”. Veel details zie je bij een meer oppervlakkige lezing over het hoofd. (M. Kardaun in: Wat de verbeelding niet vermag! Essays bij het afscheid van Maaike Meijer, 2014).

In 1951 begon Haasse aan de roman Het huis op de Ida, die ze nooit afmaakte (wel zou er zes jaar later De ingewijden uit voortkomen), met een passage die ze in Persoonsbewijs (1967) prijsgaf. Daarin stelt de oudere schilderes Elin Breskel zich de verzoening met de dood voor als niet langer gepijnigd worden door het besef wel te horen en te zien maar niet te bevatten. Geen vragen meer, geen analyse en synthese meer – dat is oud zijn, denkt Elin. “Zoiets schrijf je als je jong bent”, relativeert Haasse, 56 jaar later : “Als ik oud ben, dan weet ik het. Nou, vergeet het maar! Dat manuscript heb ik toen terzijde gelegd, om rechtstreeks over mijn leven te gaan vertellen. Geen fictie meer, even niet in de geschiedenis duiken, ik heb zélf een geschiedenis. Hoe zit ik eigenlijk in elkaar?”
   “Daarna ontdekte ik dat met dat autobiografische schrijven iets wezenlijks verloren ging. Ook dan blijft er veel fragwürdig: herinner ik me dingen, of zijn ze werkelijk zo gebeurd? Ik denk dat fictie, dat wat je verwerkt via je verbeelding, dichter komt bij je beleving dan wanneer je je beperkt tot puur autobiografisch schrijven. Het essentiële van mijn leven heeft zich altijd afgespeeld in wat ik mij voorstelde, bedacht. In fictie blijft de kern over, al is het een beetje verkleed. Fictie is échter” [Arjan Peters 2006 Volkskrant]. “Het valt mij in toenemende mate op dat wie zoekt, ontdekt dat ons leven uit louter dergelijke strengen en weefsels bestaat; niets is boeiender dan de loop der draden te volgen en te ervaren hoe ontelbaar veel ‘patronen der werkelijkheid’ er zijn.”
   ‘Louter’ nog wel. Dat klinkt mij nogal zweverig, maar ook een beetje triest in de oren. Biedt het leven niets anders te ervaren, niets zinvollers of mooiers te doen dan het leefweefsel te analyseren en van de uitkomsten verslag te leggen in romans? Overal verbanden willen suggereren dan wel aanbrengen lijkt op een omgekeerd complotdenken. Zonder een dosis wantrouwen vaart niemand wel, maar paranoïde wil je ook niet zijn. “Niets is toevallig, alles hangt met alles samen” (Margot Dijkgraaf, Bij de dood van Hella Haasse). Ik voor mij geloof niet in een totaal van samenhangende patronen en weefsels, in “er valt geen mus van het dak, zonder . . .”, evenmin in al die samenhangen en symbolieken die sommige auteurs in hun werk menen te moeten aanbrengen. In het werkelijke leven houdt geen mus zich daaraan, ze vallen gewoon van het dak of de tak als het zover is. Natuurlijk, samenhangen en patronen, achtergronden en dubbele bodems bestaan, maar te geloven dat het leven alleen dááruit bestaat, en dat het naspeuren of zelfs verzinnen (fabuleren) ervan een zinvolle bezigheid is, gaat erg ver. Een mens kan maar een allerkleinst minipercentage van bestaande samenhangen waarnemen, méér willen is een ijdel streven, om het woord ziekelijk te vermijden.
   Mij schiet een passend ad rem te binnen : Klant die geknipt wordt zegt tegen kapper “niet teveel eraf hoor, wat eraf is kun je er niet meer aanzetten”. Stem van wachtende klant “maar je kunt het wel proberen”.
   Een van origine Chinees spreekwoord schijnt te zijn: ‘A bird does not sing because it has an answer, it sings because it has a song’, d.w.z. richt je niet te zeer op het vinden van antwoorden op levensvragen, anders maak je het proces van het leven zelf niet mee. Zulke protesten tegen het duiden en tegelijk vergeten van het leven zijn in vele vormen te horen. Miljoenen hebben de Boroboedoer gefotografeerd, weinigen hebben hem gezien. “Mijn leven bestaat uit schrijven”. Geen bezwaar, maar . . .
   A. IJ. van den Berg schreef op zijn Boeklog “Hella S. Haasse zocht ook nogal vaak naar symboliek in haar stukken. Mij interesseert bewust ingebrachte symboliek hoegenaamd niet — die diskwalificeert een auteur eerder nog”. Teunis Bunt beleed zijn voorkeur voor “boeken, die allemaal in de eerste plaats verhalen waren, en niet zozeer problemen, sociologische studies of diepte-psychologische experimenten”.
   “Alles wat haar verbeelding aanraakt, krijgt samenhang” (Etty, 1999). We zijn nu bij de magie aangeland en daar wil ik het maar bij laten. Deze zeepbel blaast zichzelf op.

Een ideale basis voor een literair œuvre is Haasse’s zelfgestelde opgave niet. Ze verklaart her en der dat ze “moeite heeft met de theorie van het zinloze feit, en trouwens toch de neiging bezit om overal iets achter te zoeken (zoals degenen die ooit iets van mij lazen wel zullen weten)”, dit in het Dankwoord t.g.v. de Constantijn Huygens-prijs 1982, in Juffrouw Ida jg 8/1 april 1982. “Mijn thematiek is dat alles en iedereen met elkaar verbonden is” (interview NRC 21 mrt ’81, geciteerd in A. M. de Bakker, De aantrekkingskracht van het labyrint). Maar de lezer prikt op den duur door het behang en de onwaarschijnlijkheden heen. Samenhangen garanderen geen solide constructie laat staan een goed verhaal. Haasse schijnt ze nodig te hebben als houvast, om zich al werkende comfortabel te voelen. De noodzakelijkheid ervan zal haar ooit aangepraat zijn, of ze heeft het onnatuurlijke idee zichzelf eigengemaakt.
   Echter, in het betere deel van haar poëzie hebben Haasse en haar lezers weinig last van deze beslommeringen.

  Inline afbeelding 10  

1. Zwart-wit foto van portret (pastel) van Hella, geschilderd door de Javaanse kunstenaar Basoeki Abdullah (1915-1993), mogelijk kort voor haar vertrek in 1938. Het heeft altijd bij Hella thuis gehangen.
2. Foto van een portret (pastel) van Wim, vermoedelijk uit dezelfde tijd, van dezelfde schilder. Het is nu in het bezit van zijn zoon. Beide coll WHP.

Haasse’s poëzie onderscheidt zich in mijn ogen van haar proza door de afwezigheid van de genoemde preoccupaties. Haar gedichten geven indrukken weer waarin de lezer iets, zichzelf of een ander kan herkennen. Daarbij kan een gevoel van verwantschap opkomen.
   Hella, die een moeilijker jeugd heeft gekend dan je uit haar autobiofantastische schrijfsels zou opmaken, is naar mijn gevoel in een aantal gedichten uit vooral de eerste periode van haar lange leven zichzelf geweest. Ze had zichzelf niet gevonden, ze was zichzelf. Ze is zichzelf geweest, een en ondeelbaar gelukkig of ongelukkig, misschien slechts voor korte momenten. Toch : daarvan is haar beste dichtwerk blijven getuigen, tot het laatst toe. Maar ze is de tweespalt blijven zoeken. In haar doordachte, gepolijste, keurige proza heeft ze zich met elke bladzij verder verwijderd van de gave persoon die ze geweest is ònder bijvoorbeeld de tegenstrijdige gevoelens van trouw en mistrouwen jegens haar vader die haar door de ziel gespookt zullen hebben, ònder de tegenstrijdigheden die in bezet Nederland op haar nauwelijks gevormde persoontje afkwamen, ònder de ongemakkelijke relatie die ze met haar moeder had. Haar koppig zelfstandig-kunnen-zijn heeft haar geholpen — de verkeerde kant op, naar de dubbelconstructie van ‘geleerde mevrouw’ (Greshoff, Warren) wier vulpen zich automatisch vulde, die schreef, bronnenonderzoek verrichtte en schreef, culminerend in het beeld van de aimabele harmoniezoeker dat ze van zichzelf presenteerde, theosofisch angehaucht, maar dat realiseerde ze zich misschien niet. Haasse’s proza komt op mij, voorzover ik het gelezen heb, kunstig gemaakt over – ik bedoel niet gekunsteld – vanuit een enorm erudiete achtergrond. Maar het voelt niet bijster geïnspireerd aan. Sommige gedichten uitgesproken wèl.

Hella S. Haasse: Stroomversnelling. Em. Querido, Amsterdam, 1945.

De gedichten – het zijn er slechts weinige – die de jonge dichteres Hella S. Haasse in het bundeltje „Stroomversnelling” bij Em. Querido (Amsterdam, 1945) het licht heeft doen zien, bezitten een rhythme van donkere onstuimigheid, klinkend in een toon van ontwapenende frisheid.
   Ik kan nog niet getuigen, dat deze poëzie voldoende draagkracht vertoont, maar er blijkt toch een onmiskenbaar, zij het ook niet groot, talent uit, dat aan enkele gedichten het karakter van bijna stormachtige levenslust en jeugdige overmoed heeft verleend. Soms slaat er een accent van bravour door deze voortvarende verzen, die nergens ontsporen in de richting van wezenloze lieftalligheid. Om tot een definitiever verbeeldingsvorm der levensdrift te geraken, zal de dichteres moeten gaan inzien, dat een overwegend spontaan reageren op de menselijke bestaansbeperking te geringe waarborg biedt voor het totstandkomen van zuivere poëzie, doch zich dient te ontwikkelen tot het thematisch creëren, wil het gebied der dichtkunst, in de eigenlijke betekenis van het woord, worden bereikt.
   […] bijvoorbeeld „De bittere toespijs van genot”, kan reeds worden besloten, dat Hella Haasse in staat is, een vorm te scheppen, waarin een aangrijpende zielservaring een daaraan gelijkwaardige taalbewogenheid heeft gevonden. Een gedicht als „Credo” daarentegen mist de gloed, die men er van had mogen verwachten, omdat hier een bespiegelend element  er nog te veel het leidend motief in is gebleven. De grilligheid van Hella Haasse’s persoonlijkheid, voorzover die uit haar gedichten bespeurbaar is, doet mij ietwat sceptisch staan tegenover haar poëtische kansen.

Yge Foppema: Spijkerschrift (De Bezige Bij, Amsterdam, 1945)

 

[…] Een „dichter” die na de bevrijding zijn plaats op de Helicon komt opeisen met een bundel oorlogsgedichten, geuzenliederen en balladeske gebeden, maakt terecht een geringe kans. Ik wil geen ogenblik de oprechtheid van de gedichten die Yge Foppema heeft gebundeld onder de titel „Spijkerschrift” – inderdaad zou zulke poëzie niet met een pen moeten worden geschreven, maar met een spijker in een muur worden gegrift – in twijfel trekken. Ook wil ik stellig niet ontkennen, dat dit werk is ontstaan uit die vurige gevoelens van diep beleden menselijkheid, welke zo gemakkelijk worden verward met bezieling, doch de verzen zelf missen de bezieldheid van taal, die ze, buiten alle tijdelijke sentimenten om, zou kunnen bestendigen en verheffen tot het peil, waarop een gedicht poëzie mag heten.
   Met grote nadruk wens ik hier te getuigen, dat van alle mij bekende verzetspoëzie die van Foppema tot de beste behoort en mij in vele opzichten door haar moreel weerstandsgehalte heeft getroffen. Maar zo goed als ik dit niet wil verhelen, moet ik ook doen opmerken, dat zij van gemeenplaatsen en algemeenheden, banaliteiten en eenzijdigheden wemelt. Foppema’s „Spijkerschrift” zal haar uitwerking in een tijd, dat men geen psychologische schakering kon verdragen en geen poëtische verfijning kon waarderen, niet hebben gemist. Nu blijken zij sneller en definitiever verouderd dan een lijkklacht van Vondel of een liefdelied van Breero.

 D. A. M. BINNENDIJK.  (Het Vrije Volk, 14 dec. 1954)

 

Receptie

Hoe werd Haasse’s dichtwerk ontvangen ? En wat vond zij zelf van haar poëzie?

Hella Haasse in: ‘Het Vaderland’, Schrijversdebuten. Ze plaatst haar debuut als dichteres in 1939, bij WERK en Hoornik, vervolgt met Stroomversnelling, maar vergeet Stille opmars van FvH en Twee recht, twee averecht. PC-Redacteur De Rétrécy (ps. v. Huib van Krimpen), voorspelt in Propria Cures dat de jaren 1938 en 1939 later als belangrijke jaren zullen worden beschouwd voor de Nederlandse letterkunde omdat er een nieuwe generatie jongeren is opgestaan. […] Het belangrijkste is echter, dat door WERK gebleken is, dat er inderdaad een “vijfde generatie na ´80´ bestond, iets waarover men lang in onzekerheid heeft verkeerd” (maart 1940).
   Haasse behoort in poeticis tot de laatste generatie onder de verreikende parasol van de Tachtigers. De sprong naar de Vijftigers (Rodenko, Lucebert c.s.) heeft ze niet gemaakt, maar ze is naderhand wel elementen uit hun werk gaan gebruiken. Ze volgde op afstand. Haar dichterschap bleef zich ontwikkelen.

LITERAIRE KRONIEK       door Nol Gregoor

Hella S. Haasse: “Stroomversnelling”

Van deze jonge dichteres zijn mij maar weinig bijzonderheden bekend. Zij is in 1918 geboren; naar ik meen heeft zij voor onderwijzeres gestudeerd en de toneelschool bezocht. Wijst dit reeds op talent voor velerlei kunstvormen, Hella Haasse presteert nog meer. Niet alleen als dichteres en toneelspeelster, ook als de schrijfster van proza en cabarets leerden wij haar kennen en wie in Amsterdam het intieme Leidscheplein theater bezoekt, kan haar bovendien als cabaretartiste voor het voetlicht zien.

   In het Mei-nummer van het jongeren-tijdschrift “Werk” debuteerde zij met enige gedichten die sterk de aandacht trokken. Vooral het vers “Virgo” kreeg terecht een grote bekendheid en Ed. Hoornik koos het dan ook voor zijn bloemlezing “Twee Lentes”, een keur van gedichten uit “Werk” en “Criterium” die verdienden in een bundel samengebracht te worden. In 1942 kwam de bloemlezing “Stille Opmars” van F.W. van Heerikhuizen uit, met twee nieuwe verzen van Hella Haasse. En nu is bij Querido in Amsterdam de eerste verzamelbundel van haar verschenen: “Stroomversnelling”. […] gedichten is alleen “Virgo” hierin opgenomen. Het is jammer dat Hella Haasse de andere verzen weggelaten heeft; naar ik vermoed bracht zij in “Stroomversnelling” verzen bijeen die in hun totaliteit van een bepaalde levensinstelling een getuigenis geven.
   Deze levensinstelling moet bij haar generatiegenoten wel een sterke weerklank vinden. Er spreekt een vitaal verlangen uit naar levensintensiteit, naar bestendiging van de diepere waarden die een contemplatieve natuur zich bewust maakt; waarden die in deze tijd van onrust en onzekerheid verdrongen worden en daardoor sterker dan ooit een verlangen stimuleren, dat zich beurtelings als levensdrift of als een geloof in het herrijzen uit de dood manifesteert. Want wie op aarde geen mogelijkheden tot volledige vervulling van zijn wezen meer vindt, richt zich uit zelfbehoud al tot die eeuwige gebieden waar men zich naar eigen willekeur een geluksstaat projecteren kan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ik, ondanks de grote verschillen, bij sommige verzen aan Kloos heb moeten denken.

     Maandblad De Talen 24 nov. 1945

Gregoor besluit zijn bespreking dan met Ik hief mijn hand op.

 

Inline afbeelding 1Hella in april / mei 1946. Uitsnede. TIN.

Wat deze „Dichterkeur” betreft moet worden gezegd, dat zij tot de beste behoort die wij sinds lang onder de ogen hebben gehad, zowel wat de inhoud als de uitvoering betreft. Men vindt hier van alle belangrijke figuren uit onze hedendaagse poëzie een aantal representatieve verzen bijeengebracht, te beginnen met Dèr Mouw, J. H. Leopold, Jacqueline v. d. Waals en Henriëtte Roland Holst, en besluitend met A. Kossmann, Bert Voeten, Hella S. Haasse, A. Marja, Koos Schuur en Bertus Aafjes. [….]
Het nieuwsblad voor Sumatra 5 juli 1949

(…) Anthony Bosman en C. Buddingh’ hebben aan hun bloemlezing uit de hedendaagsche dichtkunst onder den titel Twee recht twee averecht een kort woord vooraf laten gaan. Daarin zeggen zij dat de jongeren in hun keuze sterk vertegenwoordigd zijn. Van de ouderen namen zij hen op, wier werk nog steeds invloed uitoefent op de jongere dichtergeneratie. (Van Heerikhuizen [de samensteller van Stille Opmars] beperkte zich tot Nyhoff en Vestdijk.)
   “Immers hiermee werd een continu beeld gevormd, dat het algemeen begrip slechts ten goede kan komen. En de aandachtige lezer zal dan opmerken hoe vele lijnen in een punt samenkomen; lijnen die lopen van de oudere dichters naar de jongere, en ook tussen de jongeren onderling”. (Van de ouderen zijn geplaatst Nyhoff, Greshoff, Marsman, Slauerhoff, Donker, Hendrik de Vries, Jan Engelman, Elsschot, Houwink, E. du Perron en Vestdijk). (…)
   Het is een bloemlezing geworden, zonder eenige pretentie, waarin voortreffelijke verzen zijn opgenomen. Het aantrekkelijke – en dit heeft ze met de bloemlezing van Van Heerikhuizen gemeen – is, dat er ook niet eerder gepubliceerde gedichten in geplaatst zijn. Wat opvalt in de verzen van de dichters van den allerlaatsten tijd is, dat de liefde voor het sonnet – en in het algemeen voor den gesloten vorm – groot is. Laat mij besluiten met een gedicht over te schrijven van Koos Schuur, dat een typisch wrange toon heeft en voor het eerst in deze bloemlezing wordt afgedrukt [als laatste gedicht. Virgo van Haasse (het konijn) is het voorlaatste, op de tegenoverliggende bladzijde].  

     G. H. ‘s-Gravesande.

     Nieuwe bloemlezingen op voorbeeld van Coster. Poëtisch jargon.

Het Vaderland 3 oct 1942


  BESLUITELOOS SPROOKJE Koos Schuur
     
  Diep in het bos achter de blonde bergen ■   ■   ■
  met mijlenver geen dorpen in het rond  
  staat aan een vijver ’t huis der zeven dwergen,  
  waar eens een heks als appelvrouw vermomd  
                                    
  ■   ■   ■ God, laat dit meisjeshart niet doelloos branden
    tot smart van vogels, herten en konijn ;
    zijn er geen prinsen dadelijk voorhanden,
    laat het dan een kantoorbediende zijn.
     
  ■   ■   ■  
    Lees hier het hele gedicht
     

 Jonge schrijvers lezen Hella S. Haasse

Gebatikte rookgordijnen
Vorig jaar is een begin gemaakt met de uitgave van het verzameld werk van Hella S. Haasse. Op deze plek wordt dit heuglijke feit op de voet gevolgd door een nieuwe generatie schrijvers.

Hella S. Haasse, Het tuinhuis: Verzamelde verhalen, Querido, 160 blz.
door Hans Hogenkamp, 23 maart 2007.

   Meer dan zestig jaar hebben we moeten wachten op de eerste verhalenbundel van Hella Haasse. Enkele maanden geleden verscheen, als onderdeel van het verzameld werk, Het tuinhuis, dat de zeven korte verhalen omvat die zij in de loop van haar carrière voltooide. Gemiddeld eens in de negen jaar een kort verhaal; het moge duidelijk zijn dat het niet haar favoriete genre is. Dat maakt des te nieuwsgieriger naar de inhoud van deze bundel, zoals poëzie van een auteur die nooit gedichten schrijft ook nieuwsgierig maakt. Overigens schreef ook Haasse slechts één dichtbundel (Stroomversnelling, 1945), die in tegenstelling tot de verhalenbundel juist helemaal aan het begin staat van haar oeuvre. […]
Lees hier het hele artikel   Hans Hogenkamp in De Groene Amsterdammer van 23 maart 2007.

Kroniek van Kunst en Wetenschap.

‘Zooveel verzen, zooveel persoonlijkheden. Hetzelfde euvel’.

“Twee recht, twee averecht” *) is de zooveelste bloemlezing uit het werk van dichters van dezen tijd en, om in de beeldspraak van den titel te blijven: men heeft er geen “steek” aan. Zij wil kennelijk weer eens het bestaan van de ‘nieuwste’ generatie “bewijzen”. Er verschijnen echter zooveel bloemlezingen over de nieuwe generatie van de hand van leden dier generatie, dat men op den duur het idee krijgt, dat er iets niet in orde is met die generatie. Zij begint op een soort vreemdelingenlegioen te gelijken van dichtende en dichterlijke menschen, wier kwaliteit men met de kwantiteit wil gaan bewijzen. Het is toch buiten kijf, dat de helft van de in dit bundeltje opgenomen poëzie niet door den beugel kan, door den beugel dan van ’n bloemlezing, welke zich ten doel stelt goede poëzie te leveren en niet een beeld van den tijd of iets soortgelijks.
   Nogmaals, een bloemlezing is een verzameling goede poëzie en niet een verzameling bewijsmateriaal. Het boekje ziet er als volgt uit. Van 52 dichters werden 52 verzen opgenomen [het zijn er 55, TK] ; 11 verzen daarvan zijn van 11 oudere dichters, die, naar gewoonte, als gangmakers fungeeren. Resteeren 41 verzen van 41 nieuwere dichters. Dichters genoeg dus. Maar als wij aannemen, dat de samenstellers het beste vers van deze 41 dichters opnamen, is het bedroevend te zien, hoe weinig werkelijk goede verzen er door de nieuwe generatie zijn geschreven.
   Maar wat is de nieuwe generatie eigenlijk? Volgens dit boekje alles, wat de laatste jaren met flair gepubliceerd heeft. Het is een ramp. Men kan van dit soort bloemlezingen er lederen dag een dozijn samenstellen. Over tien jaar kijkt men zoo’n bundeltje dan hoogst gegeneerd aan. De samenstellers, A. Bosman en C. Buddingh’ hebben zich, naar zij zeggen, “bij de keuze in de eerste plaats laten leiden door de persoonlijkheid van den dichter en er naar getracht daarvan, met het enkele vers dat hem vertegenwoordigt, een zo wezenlijk mogelijke karakteristiek te geven, wat in sommige gevallen (bij Slauerhoff bijv.) echter vrijwel onmogelijk was.” Gelukkige Slauerhoff, dat hij tenminste “vrijwel” niet in één vers te vangen is! Wat wil men toch in deze bloemlezing met al die persoonlijkheden, waarvan de helft nog niet eens een goed vers kan schrijven? Persoonlijkheden vindt men in een oeuvre, Slauerhoff, van de Woestyne, Verwey — in hun verzameld werk. Zij zijn niet in bloemlezingen weer te geven. Daarin verzamelt men hun schoonste verzen en dat is al een heele kunst. Voor lezers, die niet op de hoogte zijn van het laatste nieuws, citeeren wij nog het volgende uit de Inleiding: “De poëzie van de Hoornikgeneratie (de poëzie dus van de dichters Hoornik, den Brabander, v. Hattum e.a.) versmalde zich tot het eigen zielsgebied dier dichters, omdat de poëtische stof geconcentreerd was op het eigen ik, terwijl bij de jongeren (die men tot nu toe bij de Hoornikgeneratie rekende, maar die er zich nu definitief van afsluiten) de poëtische stof vanuit het eigen ik weggestoten wordt, zodat hier geen afwerende, terugdeinzende levenshouding in ’t vers ontstaat, doch een aanvallende. De jongeren durven de wereld weer aan en zij onderzoeken nauwkeurig de reacties van het ik in contact met deze wereld”. Wij hopen het. Waarom ook niet? En bemerken, dat er reeds weer jongeren op til zijn.

               BERTUS AAFJES
     De Tijd, 27 nov. 1942.

*) “Twee recht, twee averecht”. Samengesteld door A. Bosman en C. Buddingh’. Plejadenreeks.
Lees hier het hele artikel

Oeroeg (1948) wordt algemeen maar onterecht Haasse’s (proza)debuut genoemd. Sommigen weten dat ze al eerder Kleren maken de vrouw (1947) had gepubliceerd (Kleeren spelde het omslag nog, het was in de winter 1943-’44 geschreven) en een enkeling heeft nog weet van Stroomversnelling (gedichten, 1945), maar daar houdt het wel op.*) Evenwel, van Haasse waren al in 1939 zes gedichten gedrukt en het lukte haar in de volgende jaren er méér geplaatst te krijgen. In febr. 1940 nam Propria Cures een sonnet en een verhaal van haar op. Dat gedicht werd door Gomperts waarderend besproken. Van de tien gedichten die Haasse voor Frits van Heerikhuizen opschreef nam deze er in 1942 twee in zijn bloemlezing Stille Opmars op, Weer valt het loof en Ik zag Cassandra, naast drie reeds in WERK 1939/5 gepubliceerde. Dat waren er al negen! — In Stille Opmars ontmoetten Vasalis en Haasse elkaar ; FvH plaatste ook vijf gedichten van Vasalis. De eerste zin van vH’s Verantwoording, die aan zijn Inleiding voorafgaat, luidt “Sinds enkele jaren bezit ons land weer een nieuwe dichtergeneratie”. Haasse was van de opgenomen dichters de jongste.
  *) Voor Frank de Glas in Jaarboek voor Ned. Boekgeschiedenis 2003, Bouwstenen voor de reputatie van de jonge Hella Haasse, hield het daar niet op. Hij heeft het over “haar tweede dichtbundel”! Bedoelt waarschijnlijk Balladen en Legenden.

Gomperts in Het Parool, 14 sept. 1957 :
De ingewijden is een eerbiedwekkend werkstuk. Zij heeft in dit boek een grote greep gedaan naar een epische verbeelding, die toch heel dicht bij de werkelijkheid blijft … Het is een zeer ambitieuze conceptie … Zij heeft alle mogelijkheden om een sympathiek, ruimdenkend, fijnvoelend, breed-belevend boek te schrijven en dat heeft ze dan ook gedaan … Zij heeft zo vermoeiend veel woorden en zinnen nodig omdat zij overal omheen cirkelt … Maar met al haar aandacht en imposant formuleringsvermogen is zij er niet in geslaagd ze ook aan de lezer als onvervangbare individuen kenbaar te maken. Deze mislukking is niet alleen aanwezig, waar zij zich merkbaar aan haar personages heeft vertild … Het boek is een indrukwekkende inleiding tot een inwijding die niet komt.

Geen van die negen gedrukte gedichten geniet grote bekendheid, al uitten tijdgenoten zich met veel waardering over sommige van Haasse’s eerstelingen, en heeft Ik zag Cassandra veel later een zekere revival beleefd. Ze staan niet in de debuutbundel Stroomversnelling (1945), die naast Ik hief mijn hand op en Virgo twaalf nieuwe gedichten bevat. In 1945 stond haar score dus op 21. Hoe onbekend Haasse’s gedichten zijn valt op in De mens in de stroom van de tijd – Het vrouwbeeld in het werk van Hella Haasse (De Gids 154/9 sept. 1991) van Monika van Paemel, voor wie Haasse’s gedichten niet lijken te bestaan, en die alleen Het vrouwbeeld in het proza van Hella Haasse ontleedt. Hoe je De bitt’re toespijs van genot, het eerdere Virgo en het latere Treur niet in dit verband kunt negeren is onbegrijpelijk.
   Het gedicht Credo in Stroomversnelling bevat overigens een (te) optimistische zin die me als een passend bijschrift bij Haasse’s leven en werken getroffen heeft : “Véél stranden zal mijn branding slaan”. Gezien de tijd van ontstaan slaat die zin in de eerste plaats op haar dichtwerk, ze zag zich als dichteres, maar ook als denker. Ik zou zeggen als filosofe zonder œuvre – dat er dan ook niet gekomen is. Maar het was toen haar levensgevoel. De slotverzen luiden

En waar ik ga of sta, verteert
dit weten mij,        ■   ■   ■          2 cpl van 4 r

‘Credo’ betekent hier niet ‘ik geloof’ of ‘geloofsbelijdenis’, de betekenis gaat in de richting van leuze, motto, ideaal. Wat Jan van Lelyveld, met wie ze in febr. 1944 getrouwd was, van de bundel vond? Ach, hij had weinig met literatuur.
Jan van Lelyveld en Hella Haasse kregen drie dochters :
   Chrisje (Christina Margaretha) 11 nov. 1944 – 13 april 1947. Ze stierf aan difterie, slechts twee en een half jaar oud.
   Ellen (Ellen Justine) *15 dec. 1947.
   Marijn (Marina) *8 maart 1951.

Stroomversnelling is een chaotische bundel, naar kwaliteit en inhoud van de gedichten gemeten. Haasse is in een draaikolk terechtgekomen waar ze rond 1953 langzaam uit te voorschijn komt, terwijl ze nog maant “Credo quia absurdum”. De mens moet zich door een zone van schijnbare on-zinnigheid heenworstelen om te komen binnen de grenzen van het ervaringsgebied dat het ons al vertrouwde terrein afrondt tot vollediger werkelijkheid” (Zelfportret, 1954). Hoogdravende nietszeggendheid die je ongelezen kunt laten, maar die Hella door er in te blijven geloven geen goed gedaan heeft.

Men kende Hella Haasse vooral van het prachtige „Virgo”, maar wie verwachtte dat alle gedichten van haar eersten bundel van dit gehalte zouden zijn, wordt teleurgesteld. Wel vindt men in enkele dezer verzeneenzelfde overrompelende schoonheid van toon en rhythme („De bitt’re toespijs van genot”), maar in andere („Rei van Stedelingen”) ervaart men de onmacht van een dichterschap, dat door een bijna roekeloos temperament het evenwicht van woord en gedachte nog ontbeert. Waar Hella Haasse de folteringen dezer wereld binnen haar verzen toelaat, faalt zij ; maar waar zij haar eigen belevingen, hetzij van de ziel, het hart of het lichaam, in poëzie vertolkt en zich er al schrijvende van bevrijdt, ontstaat een waarlijk schoon gedicht, zuiver afgestemd op haar temperament, dat er een onstuimige beweeglijkheid aan verleent. Dan ook is haar poëzie het meest vrouwelijk en dus het meest natuurlijk. En men beseft op slag, dat een literatuur het niet zonder dichteressen kan stellen. —           

NN in Algemeen Handelsblad 8 april 1946

De vijf verzen die Ed. Hoornik opnam in het Nederlands-Vlaamse tijdschrift Werk in mei 1939 noemt Hella Haasse (in: Het Vaderland, serie Schrijversdebuten, 1960) “de eerste publikatie met literaire pretentie”. Gedichten uit de eerste oorlogsjaren werden door Alice von Eugen-van Nahuys van uitgeverij Querido gelezen. “Zij liet mij zeggen, dat zij die verzen na de oorlog wel wilde uitgeven. In 1945 verscheen dan ook de bundel Stroomversnelling”. Haasse vergeet de bloemlezingen Stille Opmars (1942) en Twee recht (1942) opnieuw en de datering klopt niet. Die verzen dateren uit ca. 1943. Slordigheidjes van HSH. Echt beschamend is wat over haar is geschreven : “Hella S. Haasse behoort weliswaar niet tot de grote drie (Hermans, Mulisch, Reve), maar is een geduchte concurrente van deze heren. Het immense œuvre van deze schrijfster bestaat uit gedichten, romans en essays” (Patricia de Groot, in Mijn eerste boek — 30 schrijversdebuten, en dezelfde auteur in Het Straatjournaal, jg 13, nr 133, febr. 2009, over Ik besta in wat ik schrijf Hella Haasse in beeld, het Schrijvers-dagboek). Hier worden de gedichten tenminste nog genoemd. T.a.v. Mulisch herinner ik aan het (ware) verhaal dat Haasse aankondigde spiernaakt in de gracht te zullen springen als Mulisch de Nobelprijs zou krijgen ; had Reve ‘m gekregen, had beslist iemand anders een dergelijke actie ondernomen. Arjen Fortuin en Aleid Truijens rekenen Haasse al bij de ‘Grote Vier’, met Jan Wolkers erbij wordt al van De Grote Vijf gesproken. Zo sneu voor Truijens dat ze het met nummer vier moet doen! We leven in Nederland en dat zullen we weten! Ceterum censeo . . . .

Querido gaf najaar 1945 dus een bundel poëzie van Haasse uit. “De bundel bestaat uit gedichten die ze schreef tijdens de oorlogsjaren”, zo wordt wel beweerd op grond van Haasse’s eigen opgave, maar de eerste twee gedichten uit Stroomversnelling zijn al in 1938 resp. 1939 verschenen.  Jan Elburg besprak Stroomversnelling in ‘Het Woord’, jg 1 nr 4, 15 jan. 1946, bekend door een aantal befaamde regels van C. Buddingh’ uit 1945. Van der Vegt spreekt in zijn Elburgbiografie van een niet onwelwillende beoordeling.

Een weerzien.

Wanneer men zich jarenlang¸ zij het gelukkig niet doorlopend¸ heeft gespitst op het uitkomen van een bepaalde bundel gedichten¸ maakt deze¸ bij het uiteindelijk verschijnen¸ alle kans de verwachtende teleur te stellen. Het gaat hiermee, als met de verre geliefde, die, in de jaren van scheiding, tot de muze binnen het hart is gegroeid en die, bij het eerste persoonlijke weerzien, over haar nieuwe vriend spreekt. Zo is het mij gegaan met betrekking tot de bundel Stroomversnelling van Hella S. Haasse.
   Van deze dichteres las ik destijds, in het jongeren-tijdschrift Werk, de eerste poëtische publicaties. Jaren later zag ik haar, als een van de onzen in de partijdige bloemlezing Stille Opmars van Van Heerikhuizen, weer, en opnieuw trof mij de ongemene plastiek, waarmee zij, uit de kleurige dingen der werkelijkheid een nieuw domein bouwde. Een nieuwe werkelijkheid waarvan haar verzen melodieus getuigden.
   Deze kwaliteiten mogen dan al niet de kern van het wezen der poëzie uitmaken, hier waren zij, onbetwijfelbaar de factoren die – mèt de onbekende van een bepaalde mystiek – het, voor mij, aantrekkelijke gedicht als uitkomst hadden. Kortom, Hella Haasse’s poëzie „lag” mij en ik verzuimde dan ook niet, wanneer er sprake was van een nieuwe dichtkunst, haar verzen aan te halen. „Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw” b.v. leek mij dè stap in de goede richting.
   Weer zijn enkele jaren voorbijgegaan en opnieuw zie ik haar terug. Dat wil zeggen, haar poëzie. Poëzie die als een soort grijs (en te ruim) boetekleed over haar persoonlijkheid hangt. Slechts hier en daar, door een vage ronding, de vorm prijsgevend van haar geestelijke gestalte. Eerste accent: dood-en-weerkomst; tweede accent: godsbesef; derde accent: gevecht met de zinnen; en meer niet.  Ik geloof, ondanks het feit dat ik van Hella Haasse slechts schaarse publicaties onder ogen kreeg, de bundel Stroomversnelling te mogen beschouwen als een volkomen aanvaardbare inzinking van een zoekend talent.               Jan Elburg

          Deel van het artikei in Het Woord’, jg 1 nr 4, 15 jan. 1946.      

“Ik had die gewaarwording van verstaanbaar te zijn, die lichte roes, al eens eerder gehad, in 1939, toen door bemiddeling van vrienden met literaire relaties de dichter Ed. Hoornik een paar verzen van mij las en daarna plaatste in een van de eerste nummers van het pas opgerichte jongerentijdschrift Werk. Het drong toen plotseling tot mij door, dat ik een taal sprak, dat de tot dien zorgvuldig verborgen gehouden, in rijm en beeldspraak vermomde mededelingen over allerpersoonlijkste ervaringen iets konden bevatten waarin anderen zichzelf herkenden. – De gedichten, die ik in de loop van de oorlog schreef (in 1945 onder de titel Stroomversnelling in druk verschenen), kwamen voort uit dezelfde hartstochtelijke behoefte om me uit te drukken als het toneelspelen” (Persoonsbewijs). Eind 50er jaren was Haasse nog niet zover van het theater af komen te staan dat zij de beginnende actrice Trins Snijders niet wilde instrueren en raad geven. Trins sprak lovend over die sessies.
   “De sfeer van de laatste bezettingsjaren, van onbegrijpelijke veranderingen en van onbegrijpelijke stilstand . . . Er loopt een scheidingslijn dwars door de categorieën en generaties, het is de aard van het bewustzijn achter het werk die de doorslag geeft. Al dadelijk valt mij dan op dat het onzinnig zou zijn bij het schrijven over dit onderwerp niet ook juist de poëzie te betrekken” (Hella S. Haasse, Sporen van geweld in: Leestekens, 1965, pp 148-170). Van die intentie komt echter in dat artikel weinig terecht : na 2 blz. handelt het 17 blz. lang over romans en vermijdt alle hete hangijzers. Haasse ten voeten uit. — In Persoonsbewijs rationaliseert Haasse “Niets is toevallig. Of anders gezegd : het vermogen tot verband leggen, tot religio, is in ons. Tussen schijnbaar willekeurig gekozen mensen, dingen, feiten, het abstracte en concrete, om kort te gaan tussen louter zaken die niet van dezelfde orde zijn, valt met behulp van de associatie een wonderbaarlijke en zinvolle samenhang te ontdekken. Dat is de poëzie”.
   Haasse bedoelt hier wat volgens haar in romans als De verborgen bron en De meermin poëzie is. Ze tamboereert op haar favoriete thema. Geconstrueerde samenhang in vermeende harmonie. Maar het doen samengaan van tegendelen vind ik kunstiger en echter. En een noodzaak om de wereld leefbaar te houden. Ik beschouw Haasse’s betoog als een vorm van zelfbedrog en citeer de passage alleen terwille van de volledigheid. Haasse heeft meer meegekregen van de theosofische ideeën van haar oma Cor en van het theosofische kinderklasje in Baarn waarop oma Cor haar plaatste dan haar zelf schijnt te zijn opgevallen. Ze moest ook naar de zondagsschool. Stroomversnelling getuigt nog van dit opvoedkundig mengelmoes.

“Zij was een levend partikel van dit geheel, zich bewust van haar individualiteit, maar tegelijkertijd door een oneindig groot aantal ragfijne draden verbonden met al het andere. Zij kende nu uit eigen ervaring, uit deelname, die inwendige structuur, dat harmonische dans-achtige onderling eeuwig gevarieerde van plaats verwisselen der samenstellende elementen, en dit besef vervulde haar met een onbeschrijflijk geluksgevoel” (De Meermin, 1962). Dergelijk filosofistisch holisme garandeert niet alleen dat veel van Haasse’s proza anno 2050 niet meer gelezen zal worden, het maakt daardoor ook het zichtveld op Carry van Bruggen weer vrij.

De meermin kwam in 1962 uit, een jaar nadat Haasse de Prijs Kunstenaarsverzet 1961 was toegekend. Dat lag nou niet zo voor de hand. Het juryrapport van Rein Blijstra, mr. E. Straat, Dr. Victor E. van Vriesland en Bert Schierbeek culmineert in de volgende passage.

„Wat ik vermomd in historisch kostuum tracht te geven, was mijn eigen werkelijkheid”. Daartoe werd eveneens Zelfportret als Legkaart geschreven, waarin zij haar leven, eerst in voormalig Indië, later als kind in Europa, zonder steun van het ouderlijk huis, haar periode op de toneelschool, haar twee maanden toneel en houding tijdens de bezetting en haar verhouding met het verzet de revue laat passeren, om haar eigen persoonlijkheid, de ontwikkeling daarvan en de drijfveren van haar daden te ontleden en tot een synthese te brengen in haar huwelijk en een sociaal verantwoorde houding niet alleen tegenover, maar vooral ook in de maatschappij.
   En dit in alle eerlijkheid zonder valse schaamte ten opzichte van eigen feilen of gaven.
   De moed waarmee zij dit deed en het niveau waarop, wettigen volgens de jury volkomen en eensgezind dat Hella Haasse de prijs van de Stichting Kunstenaars-Verzet 1942-1945 wordt toegekend.

Commentaar overbodig.

In Persoonsbewijs schrijft Hella S. Haasse over De meermin :
“Een van de grondproblemen in De meermin is de onmogelijkheid om eens en voor altijd een duidelijk formuleerbaar standpunt in te nemen. Alles verandert, alles fluctueert, alles hangt af van het standpunt van waaruit men toevallig de dingen bekijkt. Deze genuanceerde houding lijkt een intelligentere levensvorm dan die van het onwankelbare principe”.
Dit is een loze bewering uit de panta rhei-hoek. Niet alles fluctueert, niet elk standpunt is toevallig. Zulke redeneringen gebruikt Haasse dikwijls om haar gebrek aan / of wisselen van / standpunt te rechtvaardigen.

 

Een nieuwe periode. Kiest Hella partij ?

Haasse kwam in ‘De Waarheid’ onder spervuur van F. Baruch te liggen.

De Waarheid, 29 jan 1955 :

Grijp de vrijheid, Hella Haasse

“Ons gemeenschappelijk geloof is dat ieder menselijk wezen door God begiftigd is met waardigheid en met arbeid en onvervreemdbare rechten . . . . Uit dit diepgewortelde geloof komt het doel der regering voort, om gerechtigheid en vrijheid bij ons zelf in ere te houden en voor de gerechtigheid en vrijheid van  a n d e r e n  op te komen, zodat wij doeltreffend kunnen werken voor een duurzame vrede . . . .”
President Eisenhower, 6 jan 1953, voor het Amerikaanse Congres.

 

“Hoe kón ik de bevrijding, die wij tien jaar geleden hebben beleefd en alles wat daarop is gevolgd, in een eenvoudig en feestelijk stuk dramatiseren? Mijn critiek op het heden zou zich aan alle kanten baan breken – en dat zou mij in een  m o e i l ij k  p a r k e t  hebben gebracht. Denk eens aan de Duitse herbewapening, waar ik beslist niet dol op ben . . . .”
Hella Haasse, 22 jan. 1955, in Het Vrije Volk.

 

HELLA HAASSE, mogen wij ons woord tot u richten en door u tot allen, die vrezen in moeilijkheden te komen, wanneer zij zeggen wat zij denken?
   Hebt u zich wel eens afgevraagd, hoevelen – schrijvers, mensen van de wetenschap, gewone mensen in de fabriek of op kantoor – het zijn er, die vrezen in “moeilijkheden” te komen als zij voor hun mening uitkomen? Zijn het duizenden, tienduizenden, honderdduizenden?
Wij sympathiseren met u, maar wij kunnen uw houding niet billijken.
Wij sympathiseren met u, omdat wij zien, dat het anderen zijn – een bijna ongrijpbare kliek van stille heksenjagers met witte boorden, volgens een woord van het sociaaldemocratische blad de New Statesman and Nation – die dreigen u moeilijkheden te bereiden wanneer u zegt, wat u werkelijk denkt. […]

 

Hebt u wel eens bedacht, dat u, Hella Haasse, wie het woord is gegeven om de gedachten van uw tijdgenoten te vertolken, dat u een bijzondere verantwoordelijkheid draagt? Dat u de moeilijkheden van anderen, de naamlozen, die moeite hebben vorm te geven aan hun gedachten, vergroot door zelf te zwijgen? […]

 

U, Hella Haasse, hebt volgens een mededeling van Het Vrije Volk van 22 Jan jl. op zich genomen een bevrijdingsspel ter gelegenheid van de vijfde Mei te schrijven. Blijkens de woorden, die u tot de redacteur van dit blad hebt gezegd en die wij hierboven hebben aangehaald, hebt u heel goed begrepen dat men u – ongewild – een gelegenheid bood tot uw bewonderaars en uw luisteraars te zeggen, wat u denkt over de herbewapening van Duitsland. […]

 

Wat is dat voor een “moeilijk parket” dat u vreest, wanneer u uiting geeft aan uw critiek? Vreest u samen met Charles en Kan, met Sartre en Joliot-Curie, met Einstein en Oppenheimer beschimpt te worden door een “democratisch” dagblad? Vreest u boycot van uw uitgevers? Maar beseft u dan niet dat het dan de hoogste tijd is, alarm te slaan? […]

F. BARUCH

Link naar het hele artikel

 

De Waarheid, 15 febr. 1955 :

 Inline afbeelding 1

Amsterdam, 15 Februari.Mari Andriessen, de beeldhouwer, die het monument voor de Februaristaking maakte, Hella S. Haasse, schrijfster van het bevrijdingsspel, dat op 5 Mei zal worden opgevoerd, en […], onder wie de ouders van Hannie Schaft, hebben het volgende schrijven gericht aan de voorzitters en de leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal :

“Wij Nederlandse oud-verzetsstrijders en -strijdsters, oud-politiek gevangenen uit de bezettingstijd, nabestaanden van door de nazi’s ter dood gebrachte Nederlanders, zijn diep geschokt over het voornemen onze onderdrukkers van gisteren opnieuw te bewapenen.
Deze bewapening wordt mogelijk, wanneer de Parijse accoorden worden bekrachtigd.
   Wij zijn van diepe zorg vervuld, nu wij ons vaderland opnieuw bedreigd zien door het Duitse militarisme.
   Wij voelen ons verplicht U er aan te herinneren, dat dit herhaalde malen dood, vernietiging en ellende over de volkeren heeft gebracht.
   Wij herinneren er tevens aan, dat dit militarisme altijd overeenkomsten schond en dat aan garanties, die agressie heten te voorkomen, geen enkele waarde kan worden gehecht.
   Tien jaar geleden zagen de verzetsstrijders en alle goede vaderlanders hun ideaal vervuld : de bevrijding van ons land van het gehate nazi-juk.
   Onze gedachten vertoeven in de eerste plaats bij de honderdduizenden Nederlanders, die stierven als offers van de Duitse bezetting.
   Wederom wapens geven aan dezelfde onderdrukkers van toen betekent verraad aan het verzet, vooral aan de nagedachtenis van onze doden.
   Een ieder, die stemt voor de Parijse accoorden en het daardoor mogelijk maakt, dat een nieuwe Wehrmacht onder leiding van nazi-generaals wordt opgericht, laadt een uitermate zware verantwoordelijkheid op zich.
   Wij zeggen daarom tot U met de meeste nadruk : ratificeert deze accoorden niet. Denkt aan Putten, denkt aan Rotterdam, denkt aan de massa-deportaties, aan de hongerwinter.
   Denkt aan de meer dan 200.000 Nederlanders, die de nazi-bezetting niet overleefden.

     w.g.
Mari Andriessen
Mevrouw A. Bommezijn de Rochemont
Mevrouw F. Dekker-v.d. Molen
Dr C. van Emde Boas
Mevrouw Hella S. Haasse
Mevrouw H. F. Limpers-Posthuma
Mevrouw T. Menger
V. Oppeven
N. Rost
Jhr W. J. H. B. Sandberg
Mevrouw A. T. Schaft-Vrijen
P. Schaft
E. Wellerdieck
Mevrouw E. van Zon

Link naar het hele artikel

Aantekeningen bij het voorgaande.

“Wij Nederlandse oud-verzetsstrijders en -strijdsters, oud-politiek gevangenen uit de bezettingstijd, nabestaanden van door de nazi’s ter dood gebrachte Nederlanders”. “Wij”. Tot welke categorie zou ondertekenaar Haasse zich gerekend hebben ?

De ondertekening van de Accoorden van Parijs geschiedde op 23 oktober 1954.

— Beeldhouwer Mari Andriessen weigerde lid te worden van de Kultuurkamer. Hierdoor kreeg hij geen opdrachten meer en mocht niet exposeren. Andriessen hield in zijn Haarlemse huis Joodse onderduikers verborgen en het verzet had een wapendepot in zijn atelier. In de voorkamer van zijn huis kwamen leden van de Raad van Verzet bijeen, de groep waartoe Hannie Schaft behoorde. Truus Oversteegen (na de oorlog getrouwd met Piet Menger) heeft bij Mari Andriessen ondergedoken gezeten. Zijn beeldhouwwerk inspireerde haar. In de jaren ’60 heeft ze lessen bij hem gevolgd.
— Jeanne Helene de Rochemont, *23 mei 1891, is op 3 april 1943 in Ravensbrück aangekomen en op 24 april 1945 bevrijd door het Rode Kruis. Adrianus Baltus Bommezijn is geboren op 15 feb. 1882 in Geertruidenberg. President van de Arrondissementsrechtbank in den Haag. Verzetsman. Overleden op 31 jan. 1945 in kamp Vaihingen, Duitsland.
— Nico Rost, schrijver, vertaler, journalist en verzetsman, lid van o.a. Duitse comm. partij, getrouwd met een Joodse vrouw. Lid CPN, eruit geknikkerd. Heeft kamp Vught en Dachau overleefd.

In een lezing heeft Hella Haasse Annie Romein-Verschoor tot de twintigste-eeuwse ‘erflaters van onze beschaving’ gerekend. Zie : Hella S. Haasse, Annie Romein-Verschoor en Maria Dermoût. In: Erflaters van de twintigste eeuw (1991). Jan en Annie Romein waren marxistisch georiënteerd en hadden een aan-uit relatie met de CPN.

Het Parool, een linkse, progressieve, ietwat anarchistische krant kreeg o.l.v. redactrice Wim Hora Adema een geëmancipeerde vrouwenpagina. Of was het een pagina voor de geëmancipeerde vrouw? Was de vrouw wel zo geëmancipeerd? De redactie zelf, onder wie ook Hella Haasse, Annie M. G. Schmidt en Harriët Freezer, was het in ieder geval wel.

De Waarheid, 3 mei 1955 :

HELLA H. HAASSE, letterkundige: SCHAAMTE . . . .

Ik heb op Uw verzoek mijn gedachten bij 5 Mei 1955 te formuleren niet meteen ‘nee’ geantwoord, omdat ik geen enkel principieel bezwaar heb tegen het uiten van mijn mening in een milieu dat er andere overtuigingen op na houdt dan ik.
   Ik behoor tot geen enkele politieke partij, tot geen enkel geloof, geen groep of verbond. Ik ben, het zij hier met nadruk gezegd, openlijk noch heimelijk communist, en mijn instelling ten opzichte van het communisme is waakzaam en critisch.
   Ik ben bereid deze bijdrage aan DE WAARHEID te leveren, omdat ik betreur dat na tien jaar vrede het broodnodige begrip tussen mens en mens in toenemende mate bemoeilijkt wordt door angst, wantrouwen, machtsbegeerte en de neiging om anderen desnoods met geweld tot de eigen zienswijze over te halen.
   Het gevoel dat bij mij overheerst […] : schaamte om het onvermogen van ‘ik en jij en wij allemaal’, zoals Oubol altijd zegt, om samen te werken aan het bewoonbaar maken van de wereld, schaamte omdat wij elkaar niets anders schijnen te kunnen bieden dan leuzen, frasen en dogma’s.

Knipsel (zie hier) uit deze krant waaronder Hella Haasse eigenhandig  Hella S. Haasse   geschreven heeft.

De Waarheid, 22 sept. 1955 :

Nederland na Genève. — Vandaag publiceren wij de mening van Hella S. Haasse, schrijfster en dichteres :

[…] Voorzover nieuwsberichten de werkelijkheid weergeven, heb ik de indruk dat er “na Genève een aantal mogelijkheden tot vitaal contact tussen Oost en West zijn vrijgekomen. […]

   Maar wensen alleen betekenen niets. Nu moeten wij laten zien dat het ons ernst is, dat vrede ons doel is, en niet het praten over vrede een middel tot geheel andere doeleinden.
HELLA S. HAAASE.

Link naar het artikel

De Waarheid, 30 mei 1955 :

Extra „Londenkrant” komt van de pers   

AMSTERDAM, 30 mei. — Gisteren is begonnen met het drukken van de extra-editie van De Waarheid, die geheel gewijd is aan de besprekingen, welke onlangs in Londen werden gehouden tussen de regeringsvertegenwoordigers van Engeland en de Sowjet-Unie. Mensen van uiteenlopende politieke richting geven in dit nummer hun mening over de resultaten van deze besprekingen en over de mogelijkheden tot verdere ontspanning — internationaal en nationaal.

De deelnemers aan deze informatieve gedachtenwisseling zijn:

   CAMILLE HUYSMANS –  oud-secretaris van de Tweede Internationale.
   JAN VAN ZUTPHEN ROGER MOTZ – voorzitter van de liberale Internationale.
   PAUL DE GROOT – alg. secretaris van de CPN, lid van de Tweede Kamer.
   Dr. VICTOR E. VAN VRIESLAND – letterkundige.
   Prof. Dr. W. G. HELLINGA – hoogleraar te Adam.
   Prof. Dr. J. PRESSER – hoogleraar te Adam.
   I. C. DIJKSEN – voorzitter Holl. Mij. v. d. Landbouw.
   Prof. Dr. G. D. H. COLE – hoogleraar te Oxford.
   THEUN DE VRIES – letterkundige.
   A. VIRULY – letterkundige.
   Ds. G. KOCH – Herv. predikant te Haarlem.
   W. H. P. MEYER – secr. Socialistische Unie.
   Ds. G. LANS – Herv. predikant te Amsterdam.
   HELLA S. HAASSE – letterkundige.
   G. CROMMEN – hoofdredacteur van „Vooruit”.
   JOH. G. v. d. MARK – voorzitter „Mid-Fryslân”.
   KEES ANDREA – kunstschilder.
   HENRI ROLIN – voorz. senaatsfractie Belgische Socialistische Partij.
   WILLEM ELSSCHOT – letterkundige.
   Dr. W. H. VAN DOBBEN – wetenschappelijk hoofdambtenaar te Wageningen.
   FRANK FOULKES – voorzitter Britse vakbond van arbeiders in de elek. industrie.
   J. DU BOIS – voorzitter Nederlandse Unie van Speeltuin Organisaties.
   NICO ROST – letterkundige.
   G. ROORDA – HB-lid Soc. Unie.
   NATHALIS DE BOCK – nationaal secr. Algemeen Belgisch Vakverbond.
   ANNA VAN GOGH-KAULBACH – letterkundige.
   Mr. H. VAN LEEUWEN – bibliothecaris Ec. Hogeschool te Rotterdam.
   Dr. C. DE JAGER – wetenschappelijk ambt. Sterrewacht Utrecht.
   L. P. J. BRAAT – kunstschilder, beeldhouwer, publicist.
   M. LEWIN – directeur Letraco, A’dam.

Verder ontvingen wij nog een aantal bijdragen, waarvoor wij echter tot onze grote spijt in dit speciale nummer geen plaats meer konden vinden. Wij zullen deze bijdragen publiceren in de gewone edities van De Waarheid.

Lees hier het artikel


Juni 1956. BVD Bijlage bij No 343.577 – VERTROUWELIJK
C.P.N.-Propaganda in verband met bezoek Sowjet-leiders aan Engeland.
   Het aangekondigde speciale nummer van “De Waarheid”, waarin de mening van een aantal vooraanstaande Nederlanders en buitenlanders over het bezoek van BOELGANIN en CHROESTSJOW in de tweede helft van April 1956 aan Engeland zou worden weergegeven, is op 2 juni 1956 uitgekomen. […]
   Van de 23 Nederlanders zijn er 7 lid van de C.P.N. c.q. de communistische ideologie toegedaan; 8 hebben door hun optreden in het verleden laten blijken – b.v. door het verlenen van medewerking aan communistische mantel-organisaties – dat het hun onverschillig is, dat zij aan het communisme diensten bewijzen; van de overige 8 kon tot dusver niet worden vastgesteld dat zij steun aan het communisme verleenden. Enkele van hen zijn ongetwijfeld anti-communistisch ingesteld. Vastgesteld kan worden, dat de C.P.N. ook nu weer een aantal niet van communistische sympathieën verdachte personen bereid heeft gevonden mede te werken aan een communistische propaganda actie. Opvallend is, dat in het speciale nummer juist de bijdragen van Hella Haasse en prof. Cole, die voor de communisten onaangename waarheden bevatten, in kleine letters zijn afgedrukt. […]
   Bijlage bij No 343.577 -4- VERTROUWELIJK
Naam Hella S. Haasse ; Bijzonderheden Letterkundige ; Woonplaats Amsterdam
Samengevatte inhoud van de bijdrage

Hoewel dit soort stukken doorgaans VERTROUWELIJK vermeldt, zijn ze openbaar gemaakt.  Zie hier

De besprekingen te Londen zouden een eerste stap kunnen zijn in de richting van meer begrip voor elkaars situatie en standpunt.
Echter: Wij, gewone mensen, kunnen misschien niet beter reageren op deze gebeurtenissen, dan door ons te bezinnen op de binnen onze eigen gezichtskring vallende problemen van:
   a. de mentaliteit die als regel strak vasthoudt aan de eenmaal gegeven orde, die formeel en traditioneel, gesloten en wars van verandering is en:
   b. de mentaliteit die zonder blikken of blozen radikaal kan omslaan en vandaag kan verwerpen wat gisteren hemelhoog geprezen werd en omgekeerd, op gezag. Zowel a. als b. kunnen gevaarlijk zijn voor een democratische gemeenschap. Het zoeken waar de ware wijsheid die in het midden ligt, is de taak van de homo sapiens.
Wanneer een opinie-onderzoek als dit een dergelijke menselijke bewustheid en innerlijke waakzaamheid kan bevorderen, lijkt dat de beste waarborg voor de vrede. Nergens en nooit is co-existentie denkbaar, zonder de in de ware zin van dat woord volwassen, levende, individuele persoonlijkheid. Daar ligt het zwaarste punt van alle wereldproblemen.
Hella S Haasse


Auteurs verlaten PEN-centrum (van onze kunstredactie). [….] Steeds meer schrijvers bedanken voor het lidmaatschap van het Nederlandse PEN-centrum. De auteurs Johan Winkler, Henrik Scholte [opmerkelijke levensloop] en de schrijfster Hella Haasse zijn nu ook uitgetreden.
De Telegraaf 14 nov 1956

∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼ .∼.∼.∼.∼.∼.∼

B_I_N_N_N_E_N_L_A_N_D_S_E__V_E_I_L_I_G_H_E_I_D_S=D_I_E_N_S_T    Mei 1961
V E R T R O U W E L I J K
Maandoverzicht no. 5 – 1961 (Tijdvak 1-5-’61 t/m 31-5-’61)

Op 12 april 1961 werd in Krasnapolsky in Amsterdam een openbare vergadering belegd waar, aan de vooravond van het proces tegen Eichmann, door een aantal sprekers “getuigenis” is afgelegd. (Zie MO 4-1961). De bijeenkomst was georganiseerd door een Comité Proces Eichmann, waarin, op initiatief van de Socialistische Werkers Partij (SWP), verschillende groeperingen samenwerkten. De vergadering stond onder voorzitterschap van Gerben Wagenaar. In de sfeer van haat en nijd tussen de CPN en de SWP is het niet meer dan natuurlijk, dat eerstgenoemde partij achter de schermen zijn uiterste best gedaan heeft deze bijeenkomst in discrediet te brengen. Voor het gewone CPN-lid zijn deze machinaties verborgen gebleven. Op 11 april, een dag voor de vergadering in Krasnapolsky, verscheen in De Waarheid slechts een artikeltje onder de kop “Misleiding”, waarin de goede trouw van het Comité in twijfel getrokken werd. Het blad suggereerde, dat het was opgezet ter bescherming van bepaalde West-Duitse belangen. Zachtmoedig vermeldde het ook, dat enkele van de aangekondigde sprekers waarschijnlijk misleid waren, dat een ervan zich reeds had teruggetrokken en dat anderen hopelijk zouden volgen. Onvermeld bleef uiteraard het optreden van enige CPN-leden, die een verre van fraaie rol speelden in een poging om de vergadering te doen mislukken. De CPN-leiding was vooral gebelgd over het feit, dat voor de vergadering van het Comité Proces Eichmann een spreker was aangekondigd, die de partij gaarne voor zichzelf had gehouden. Het betrof Dr. J. Soetendorp, rabbijn van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam, die ook wel eens was opgetreden voor het Nederlandse Auschwitz Comité, dat uitstekend gecamoufleerd via Verenigd Verzet 1940-1945 door de CPN wordt bestuurd.
   Ook Hella Haasse (Hella S. van Lelyveld-Haasse) was als spreekster genoemd. In CPN-kringen overwoog men, dat een terugtreden van deze populaire schrijfster, die in brede kringen bekendheid geniet, aan het Comité Proces Eichmann wellicht grote schade zou berokkenen. Aan Eva Korper-Eijzenstadt*) en Judith Wolf-Oostenbroek, beiden trouwe werkers in de CPN, werd derhalve opgedragen pogingen in het werk te stellen deze twee mensen van een spreekbeurt te weerhouden. Met een tussenpoos van enige dagen waarschuwden zij Hella Haasse telefonisch voor het communistische, respectievelijk fascistische (!) karakter van het Comité Proces Eichmann. Toen enige dagen nadien bekend werd, dat Hella Haasse zich had teruggetrokken als spreekster, meende de CPN een overwinning nabij. (De schrijfster moest overigens onverwacht naar het buitenland en richtte een brief aan de bijeenkomst in Krasnapolsky, die ter vergadering werd voorgelezen.)

*) Eva Eisenstadt (in het BVD-stuk is haar naam verkeerd gespeld) is geboren in Polen. Zij heeft een ‘Médaille für Kämpfer gegen den Faschismus 1933-1945’ gekregen op 8 sept 1963. CPN-lid, jodin. Samen met haar man goede vrienden van Paul de Groot. Publiceerde in de jaren ’70 in het Auschwitz bulletin. Trouwde met Simon Korper, jood. Antimilitarist en antifascist. CPN lid. Lid van het Dagelijks Bestuur van ‘Verenigd Verzet ’40 – ’45 die de stille tocht en kranslegging te Budel organiseerde in ’63.— Judith Oostenbroek, jodin, komt uit een CPN-gezin. Zat in het verzet, zorgde voor bonkaarten en adressen voor onderduikers. Zelf CPN-lid. Trouwde Hans Wolf, jood. Vioolbouwer, later fotograaf. CPN-lid. Tijdens de oorlog lid van Binnenlandse Strijdkrachten in Amsterdam, later werkzaam bij het RIOD.

********************************************************************************

Doolhoven

“Ik ben geen dichter van nature en moet alles proberen te formuleren via de ratio, de beschrijving, de analyse, het uiteenzetten van een thema. Dat is mijn weg. Ik kan dat effect niet in de vorm van een gedicht bereiken, maar wel in de vorm van een opeenvolging van teksten met een specifieke compositie en structuur”. Haar motivatie is eerder persoonlijk en heeft vooral te maken met een innerlijke speurtocht. [Haasse in gesprek met Dirk van Ginkel, De literaire koningin, in: HP 21-04-1999, geciteerd bij Franco Paris, Tweeslachtig Italia, in: Een nieuwer firmament.]
   In deze rechtvaardiging van haar manier van schrijven zie ik eerder een vlucht naar voren dan het najagen van een scheppend ideaal (T.K.).

Haasse vraagt zich af of “ik het verleden geweld aangedaan [heb], mensen en feiten vervormd naar mijn eigen beeld, kortom mijn dromen van doolhoven en tuinen geprojecteerd in tijdperken en problemen die mij altijd al geboeid hebben?” Paris filosofeert verder over het mysterie van het labyrint en de bekommernissen van de dolende, zoals velen voor hem, zonder nu eens nuchter te constateren dat doolhoven zonder uitgang niet bestaan. Het symbool deugt niet – tenminste niet voor de situatie van mensen die geen uitweg zien. Soms is de opdracht voor de zoekende een bepaalde plaats, meestal in het midden gelegen, te vinden, daar te doen wat hem te doen staat, bijv. te mediteren, en vervolgens langs dezelfde of een andere weg terug te keren naar de ingang. Ook zijn er doolhoven te vinden, bijvoorbeeld in kerkportalen in de vloer als mozaïek ingelegd, waarin de bezoeker zijn weg naar het centrum zoekt, aldaar geestelijk gereinigd wordt, en tenslotte op weg gaat naar de uitgang, vanwaar hij het eigenlijke kerkgebouw binnentreedt. De drie- en viersprongen en doodlopende einden op de weg door de doolhof symboliseren hier de moeilijkheden waarvoor een mens op zijn levensweg komt te staan. Toegegeven, de angst om in de gangen van de Pietersberg te verdwalen is een oerangst. Maar tegen de paniek kan practische zin helpen, met een lamp en het aanbrengen van sporen, of door een paar kluwen touw mee te nemen. Een minstens zo betrouwbare redder uit de nood is het verstand.
   Er wordt namelijk veel humbug verkocht (‘mystiek’, ‘feiten’) omtrent doolhoven. Prenten zijn gemaakt van doolhoven met vier, zes, acht ingangen waarvan er slechts één naar het centrum leidt. Deze vallen in de categorie puzzels voor krant en tijdschrift. Sommige auteurs onderscheiden tussen ‘labyrint’ (een slingerend pad zonder zijwegen) en ‘doolhof’ (mèt zijwegen) en beweren tegelijkertijd dat Theseus dankzij de draad van Ariadne de weg uit het labyrint van de Minotaurus op Kreta wist te vinden. Hier is een cursusje logica nodig. Nog erger, vanuit èlke doolhof loopt men zonder falen naar de uitgang – zolang men maar consequent langs de rechter- of linkermuur blijft gaan. Niet oversteken!
   Veel moeilijker dan in het platte vlak is de situatie in driedimensionale labyrinten. Maar dan betreden we de terreinen van de speleologie en de trompe-l’œil effecten van Maurits Escher.

Kees ’t Hart : “Haasse [Over het vrouwelijke dichten, in Leestekens, 1965] verbindt, in navolging van [Robert] Graves, dichterschap met het bezit van ‘magische geheimtaal’. Typerende zin: Naast poëzie als vorm van bezwering van de natuur met het machtige woord, is er de dichtkunst die gestalten van goden en helden creëert als symbolen van een innerlijk proces, bewustwording van het ‘ik’, in een toenemende mate door ‘mannelijke’ principes en persoonlijkheidsontplooiing beheerste wereld. […] De Fee en de Ganzenhoedster zijn de Scylla en de Charybdis van Haasse’s vrouwbeelden. Ze verwoordde deze problematiek al heel vroeg in haar dichtbundel Stroomversnelling, haar echte debuut. In het gedicht ARIADNE OP NAXOS stelt ze bijvoorbeeld de gespletenheid van een ik aan de orde, het loopt als volgt :

  Moet ik dan altijd dronken zijn  
  ■   ■   ■ 6 cpl van 4 r

 
“Ook [? T.K.] over haar gedichten spreekt Haasse in interviews wegwerpend, ze beschouwt ze als jeugdwerk en, toegegeven, de pathetiek die in deze regels opklinkt, kom je in haar later werk niet meer tegen, misschien is het beter daar niet erg lang over te treuren” (aldus Kees ’t Hart in ‘Het flonkeren van de stroom. Magie en vrouwbeeld bij Hella S. Haasse’. Essay in Een nieuwer firmament, 2006). Ik zou dat geen pathetiek noemen, integendeel. Is ’t Hart nooit jong geweest?

Haasse zelf schrijft in Over het vrouwelijke dichten (in: Leestekens, 1965) “De rijmloze ritmen, vrije vormen en associaties van de hedendaagse dichtkunst lijken als geschapen om (voorlopig) uitdrukking te geven aan dit andere menselijke, dat zich ook in het mannelijke bewustzijn steeds sterker manifesteert. De nieuwe poëzie . . .” [etc.] toen zij zelf, al voor 1960, ‘moderner’ was begonnen te dichten.

De bundel Veelzijdig. Werk van Nederlandsche schrijfsters na 1918 (samenstelling Hella Haasse, 1979) bevat vooral proza (een verhaal beslaat doorgaans meer bladzijden dan een gedicht), maar van Vasalis koos Haasse vier gedichten : Des nachts, wanneer ik wakker lig, Eb, Oktober, en Een gedicht. Topstukken. Haasse’s keuze van het roerende Beer in bed van Judith Herzberg was toen actueel en blijft dat in de komende tijd. Carry van Bruggen is vertegenwoordigd met ‘De rijkdom van mijnheer Israëls’ uit Avontuurtjes. Jammer dat de eis ‘na 1918’ opname van een verhaal uit Breischooltje verhinderde. Ergerlijk is de rücksichtslos vereinheitlichte Rechtschreibung en leestekenplaatsing in deze bundel. De moderne kaalheid van deze bladspiegels verdraagt zich ook niet met het patina dat de oudere teksten verzameld hebben.
   Het ontstaan rond 1950 van het begrip Urtext heeft veel negatiefs met zich meegebracht, maar ook veel positiefs : dat toneelgezelschappen niet alleen in The Globe in London Shakespeare in the pronounciation of his time op de planken zetten. Rijmwoorden rijmen weer, de rhoticity draagt het hare bij enzovoort. What Shakespeare sounded like to Shakespeare, daar blijkt veel belangstelling voor te zijn. Daarentegen heeft het in Duitsland en Oostenrijk ontstane begrip Urtext aldaar geleid tot muziekuitgaven die bizarre uitingen van Gelehrtenfleiß en navenant musiceren tot gevolg hadden.
   In dit verband haal ik de slotopmerking van het voorwoord van Literair Lustrum 2, 1973, samengesteld door Kees Fens, H. U. Jessurun d’Oliveira en J. J. Oversteegen aan : “De spelling en de interpunktie van de verschillende bijdragen is niet gelijkgetrokken. Zo geordend is de spellingsituatie in ons taalgebied per slot niet, dat wij ons dáárover ook nog kopzorgen hoeven te maken”. Helaas, de situatie is alleen maar verergerd.

Geen intellectuele zekerheden of koele distantie, geen voorzichtig geschrijf, maar een oprechte poging om die duistere impulsen die ons handelen bepalen te analyseren. Het gevolg is betrokkenheid voor de moderne lezers die in de dilemma’s waarmee de hoofdpersonen in De scharlaken stad worstelen, hun eigen problemen herkennen. […] Wat nou saai? Wat nou braaf? Hoe komt Haasse toch aan het imago van de mevrouwachtige, intellectuele schrijfster? Jan Greshoff, een gezaghebbend criticus in de jaren vijftig, heeft een hard oordeel over haar. Zij is te intelligent en ze schrijft te goed om echt van haar boeken te kunnen houden. “Hella Haasse is geen schrijver om te bewonen, maar om als fraai monument van een zekere afstand te bezichtigen”, vindt hij naar aanleiding van Zelfportret als legkaart (1954). Ze heeft “de stijve, deftige houding van Zeer Intellectuele Vrouw”. Daarom begrijpt hij haar voorkeur voor geschiedkundige romans :
“Daar kan zij haar deugden toepassen […] Haar wetenschap is daar van groot nut. Haar tekort aan mensenkennis, aan mensenliefde, aan gevoel van de werkelijkheid, blijven er achter decor en handeling verborgen”.
    Is het daar begonnen, die hardnekkige beeldvorming? En is het een rechtvaardig oordeel?

Lida Stefanski, in De magie van De scharlaken stad, in: Vooys, tijdschrift voor Letteren, nov. 1997.

Meent Stefanski dat Haasse’s boek een analyse wil bieden voor lezers met zielsproblemen? De scharlaken divan? Bij Hella op de sofa? Het scheelt niet veel. Ter verdediging van zowel Stefanski als van Greshoff merk ik op dat Greshoff niet van een afwezigheid, maar van een tekort aan mensenkennis enz. spreekt.

De inleiding bij Dit maakt ons ademloos bij haar geluid. De mooiste gedichten door vrouwen geschreven (samengesteld en ingeleid door Maaike Meijer en Annettje Dia Huizinga, 1986) opent met “Soms lijkt de Nederlandse poëzie een groot mannenkoor”. “Wie leest Clara Eggink nog, Kitty de Josselin de Jong, Hella Haasse (niet de prozaschrijfster maar de dichteres), Cor Klinkenbijl, Cita Golterman-van Dijk of Harriët Laurey, die na de oorlog publiceerden?” Ik citeer verder, met instemming, “Ten derde maakten wij deze bundel uit ergernis. Ergernis, niet zozeer t.a.v. het mannenkoor zelf, als wel t.a.v. het impresariaat dat dit koor omringt, pusht, bejubelt en promoot. [….] Het impresariaat, de literatuurkritiek, schenkt n.o.m. verhoudingsgewijs weinig aandacht aan het werk van vrouwelijke dichters. Het aantal kritieken en studies over Achterberg, Nijhoff, Lucebert en Kopland overtreft vele malen dat over Vasalis, Henriëtte Roland Holst, Ankie Peijpers en Judith Herzberg”.

Doolhof, labyrint, grotten, verlaten huizen, ze vormen een (noodlottig?) hoofdmotief in Haasse’s beleven, evenals Het Kwaad in haar filosoferen. Zie ook Tussen fascinatie en doem van Arnold Heumakers in De Groene van 21 juni 2006.

Dat blijkt al uit titels als
De verborgen bron, 1950, en het vervolg De Ingewijden, 1957 (locatie Kreta).
De doolhof, 1951. Roman door Anna Blaman, Antoon Coolen, HSH, Max Dendermonde, Henriëtte van Eyk, Alfred  Kossman, Adriaan van der Veen en Simon Vestdijk.
Labyrinten. In: ‘Dat was nog eens lezen! 40 auteurs over boeken uit hun kinderjaren’, 1962, reeks Singel 262.
In een grot. In: Ruimte 18, dec. 1962.
Een draad in het donker, toneelspel, 1963.
De aantrekkingskracht van het labyrint. P. C. Hooftprijs voor Hella S. Haasse. A. M. de Bakker, AO-reeks, 1984.
Een doolhof van relaties, 2002.

En ook uit boekomslagen, zoals van De ingewijden, 1957, Dat weet ik zelf niet, 1959, en Een doolhof van relaties, 2002.

De ingewijden                  Dat weet ik zelf niet                   Inline afbeelding 2

En in het eerste serieuze proza, Fragment van een brief (HET WOORD, nov. 1945) wil de hoofdpersoon een magische cirkel, een elfenkring om een geheimzinnig verlaten huis trekken. Er wordt wel gezegd dat Haasse haar voorliefde voor magie etc. uit haar Indische jeugd heeft meegenomen. Ik voeg daar aan toe dat haar universitaire studie haar in aanraking bracht met “de oeroude folklore van Noord-Europa, in ’t bijzonder van Scandinavië : sprookjes over elfen en toverwezens, geschiedenissen over de zielen van gestorvenen die tot de levenden terugkeren” (Balladen en legenden, voorwoord) enz., die een eigenaardige aantrekkingskracht op haar uitoefenden. Van betekenis is misschien ook het feit dat prof. dr. C.G.N. de Vooys (1873 – 1955) hoogleraar Nederlands aan de universiteit van Utrecht was toen Hella haar studie Nederlands daar zou beginnen. Hij was gepromoveerd op Middelnederlandsche legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozalitteratuur en het volksgeloof der middeleeuwen en schreef o.a. Middelnederlandsche Marialegenden. Ook bewonderde Haasse schrijvers als de 19e eeuwse dichteres Emily Dickinson, die “een levenslange pre-occupatie met het raadselachtige, demonische àchter de waar-genomen werkelijkheid” tentoonspreidde (Haasse, Leestekens, 1965).

Jules Verne, Naar het middelpunt der aarde

“Het boek van Jules Verne dat me van zijn hele œuvre, ja van alles wat ik in mijn kinderjaren gelezen heb, het meest gefascineerd heeft is Naar het middelpunt der aarde [een typisch jongens- en mannenboek uit de bibliotheek van haar vader, T.K.] – […] waarschijnlijk werd de schrijver hier door zijn thema beheerst, in plaats van andersom” [Haasse in: Dát was nog eens lezen! 40 auteurs over boeken uit hun kinderjaren. Reeks Singel 262, Querido 1972, p. 42-45.]. Een opmerking waarop wel valt af te dingen, maar daar gaat het nu niet om. Dat Haasse de naam van Arne Saknussemm, de schrijver van het document dat prof. Lidenbrock tot zijn onderaardse reis aanzette, verkeerd spelde (Saknussem) valt sterk op, te meer omdat Haasse met de Scandinavische talen vertrouwd was, er plezier in had het runenschrift te bestuderen (Calis p. 177), en omdat Jules Verne een volgens zijn informatie IJslands runenschrift gebruikte dat niet veel afwijkt van andere gangbare runenschriften, maar waaraan, schrijft hij (en dat moet Hella gelezen hebben) in de 14e eeuw een teken voor de dubbele m was toegevoegd !

           A R N E   S A K N U S S E MM

Ik denk dat dit totaal overbodige teken een Rose-Croix achtergrond heeft en uit de 19e eeuw stamt. Verne was maçon en rozenkruizer, hij had tenminste veel belangstelling voor het R.C.-gedachtengoed (Robur le Conquérant), evenals bijvoorbeeld Daniel Defoe, waarvan de inhoud van de avonturenroman Robinson Crusoe getuigt.
Verne nam de letters r   en m  (radix mundi) waarin hij de beide aardhelften en Inline afbeelding 1 wenste te zien, en zette ze op elkaar, waarbij de verbindende verticaal de reis binnendoor van de ene naar de andere helft aangaf. Een esoterisch grapje, dat Haasse niet als zodanig heeft opgemerkt. En ook haar vader niet, die dat anders wel aan zijn dochter uitgelegd zou hebben.
   Dat doet op zijn beurt denken aan het raadselachtige feit dat Haasse de naam van haar moeder, Käthe Diehm Winzenhöler, als Diehm Winzenhöhler schreef, welke spelling vervolgens, tot in het Digitaal Museum Hella Haasse, De Groot (Indische Letteren 28/2 2013), Dijkgraaf e tutti quanti overgenomen is. Wat heeft haar bezield? Wat zou Haasse gezegd hebben wanneer Querido haar werk onder de naam Haesse of Haasche was gaan publiceren? In de geboorte-aankondiging in het Alg. Hbl. van 19 febr. 1918 zien we Hélène Serafina Haasse en Käthe Haasse–Diehm Winzenhöler genoemd worden.
Het Dig Mus HH deed er nog een schepje bovenop met Nel van Zillevoldt, de zuster van vader Haasse. Meer over die namen te anderer plaatse.
   Verne’s vertelkunst heeft Hella dikwijls geroemd. De hoofdpersonen zijn Lidenbrock en zijn neef Axel wiens meisje Graüben heet, en Hans, de gids. In Voyage au centre de la terre (1864, Hetzel, Paris, ill. Riou) schrijft Jules Verne de naam Arne Saknussemm in runenschrift als volgt

                                            

De laatste rune is ongewoon. Het teken  moet de dubbele m voorstellen. “Arne Saknussemm ! s’écria mon oncle”, toen Lidenbrock de naam op een onderaards rotsblok gebeiteld zag. “En effet, la première lettre est une double lettre M qu’on chercherait vainement dans le livre de Turleson, car elle ne fut ajoutée à l’alphabet islandais qu’au quatorzième siècle”. Verne en de mij bekende vertalingen schrijven dus Saknussemm. Alleen E. Franquinet spelt Saknussem in Jules Verne, zijn persoon en zijn werk (1942). In de Nederlandse vertaling staat de weergave van de inscriptie op p. 87 van het blauwe bandje op zijn kop, en is bij de weergave van het raadselschrift een tiental fouten ingeslopen. Ook de vertaling van A. C. Bakels (1929) laat in dit opzicht te wensen over. Er wordt wat aangerommeld met die auteurs! Hieronder staan de lettergroepen van het cryptogram bij Verne (eerste druk Hetzel) links afgebeeld. Bij de runentekens heeft de tekenaar van toen zich een paar maal vergist, zoals te zien is door wie er de moeite voor neemt.

Inline afbeelding 1       mm . r n l l s
 s g t s s m f
 k t , s a m n
 e m t n a e I
 A t v a a r
 c c d r m i
 d t , i a c
 e s r e u e l
 u n t e i e f
 a t r a t e S
 n u a e c t
 . n s c r c
 e e u t u l
 o s e i b o
 s e e c J d e
 n i e d r k e
 S a o d r r n
 r r i l S a
 i e a a b s
 f r a n t u
 K e d i i I

De ontraadselde tekst luidt In Sneffels Ioculis craterem kem delibat umbra Scartaris Julii intra calendas descende, audas viator, et terrestre centrum attinges. Kod feci. Arne Saknussemm  –  “Daal af in den krater van den Sneffels Yocul, dien de schaduw van den Scartaris treft vóór den eersten Juli, vermetele reiziger! en gij zult het middelpunt der aarde bereiken. Dat heb ik gedaan. Arne Saknussemm.” In de latijnse tekst, achterstevoren gelezen, zijn uit verschillende talen woorden te zien die aanspelen op de inhoud van het boek : lac, mutabile, mur. Daarop laat Verne Axel onopvallend wijzen. "Je gaat het pas zien als je het doorhebt" zou Cruyff zeggen.
(Kod = Quod,  kem = quem, audas = audax,  u = v = ), (132 letters + 2 komma’s + 2 punten = 136 schrifttekens). Het gebruikte alfabet is de z.g. jonge Futhark, dat over 16 lettertekens beschikt.
132 is in het latijnse alfabet de letterwaarde van memento mori. De reis zou bijzonder gevaaarlijk zijn.
Beide getallen, 132 en 136, hebben een curieuze eigenschap (Verne verdiepte zich graag in woord- en getalspelen) :
132 = 12+13+21+23+31+32,     en    136  =  2³+4³+4³    terwijl    244 = 1³+3³+6³.
136 en 244 zijn verbonden getallen.

Zowel het raadselschrift als Saknussemms naam in onderaards graniet gebeiteld eindigen met mm. In het raadselschrift staat er een punt achter, die na attinges. Het bericht eindigt niet met een punt, evenmin de inscriptie op het rotsblok (Riou ill. en Pann[emaker] grav.) in de eerste druk.
Alleen achter de initialen staan punten.
Hella, die tien jaar na eerste lezing enigszins vertrouwd was geworden met de Skandinavische talen, kan niet anders dan geweten hebben dat de stam sakn- in het IJslands, Zweeds en Noors ‘missen’, ‘ontbreken’ betekent. Het is een woord uit de dagelijkse omgangstaal. Nog op hoge leeftijd las Haasse de thriller Saknad (2000) van Karin Alvtegen. Het tweede deel van de naam laat speculatie toe. Daartoe is de lezer ook zelf in staat. Het eerste teken van het versleutelde en achterstevoren opgeschreven raadselschrift bestaat uit 1° een M, 2° een ondersteboven geschreven M, deze tekens vallen over elkaar*). Het tweede teken is een punt. Hella zal de symboliek van de speciale MM (memento mori) niet gezien hebben, mogelijk wel ὡδε ἀνω ὡδε κάτω, ut supra ut infra, zo boven, zo beneden, ook in de aardbol. In de IJslandse, Zweedse en Noorse telefoonboeken komt de naam Saknussemm overigens niet voor, ik trof alleen een reizende Turkse artiest die onder die naam werkt. De naam zal een vinding zijn van Verne en/of zijn taalkundige assistent in deze. Het teken MM ook, neem ik aan. De basaltformatie die de reizigers tegenkomen krijgt dit commentaar van Lidenbrock : ‘Hier handelt de natuur meetkunstig en werkt op menschelijke wijze, alsof zij winkelhaak, passer en schietlood gebruikte”. Dit zijn maçonnieke attributen, die Hella vermoedelijk niet als zodanig herkend heeft. Verne was maçon. Verne’s naamgevingen vallen onder zijn passie voor het spelen met taal. Axel, Lidenbrocks neef, ontleent zijn naam aan het Franse axe, Duits die Achse, de wereldas van Noord- tot Zuidpool. Een bekende Vernese spiegelnaam is Hector Servadac, wiens achternaam achterstevoren gelezen weinig verhult. In Lidenbrock ligt der Brocken, het blok dat de onderaardse reizigers de weg versperde in de Gruben, de groeve, die in Graüben’s naam besloten ligt.
*)      Inline afbeelding 1      =    mm
Het blijft vreemd dat Haasse dat meest in het oog lopende deel van Saknussemms naam negeerde, Verne opzij zette en de naam veranderde in Saknussem. Overgenomen van Franquinet? Drukfout? Nooit ergens gerectificeerd?

De ongein van de omstreden (een milde qualificatie voor) Hugo Brandt Corstius mag hier eigenlijk geen plaats hebben, maar vooruit. “Schrijf de dertien letters van het Nederlandse getal eenennegentig*) in zeven rijen onder elkaar herhaald op, zo dat in een verticale kolom zeven keer n onder elkaar komt, dan komt [B.C. bedoelt “verschijnt”] in een andere kolom het zevenletterige woord nittien, dat Noors is voor eenennegentig.  7 x 13 is trouwens 91.” Aldus Battus (ps v Hugo Brandt Corstius) in Opperlands (1981). Precisering en motivering van de opdracht zouden wenselijk zijn. *) Wat zou het Duitse getal eenennegentig zijn ? Bestaat 91 wel in het Frans ?
   De causaliteit die het woordje ‘dan’ suggereert is schijn, want het trucje kan omgedraaid worden : “.... zo, dat in een verticale kolom het zevenletterige woord nittien verschijnt, dan verschijnt in een andere kolom zeven keer n onder elkaar” is evenzeer zinloos toeval. ‘Trouwens’ wil de niet-toevalligheid, het bedoeld-zijn van de constructie nog eens onderstrepen. Zou HSH het serieus genomen hebben ?   Alles bijelkaar toch een aardig gevonden – wrs onbedoelde – spotternij op de samenhangadepten, naaste verwanten van de complotdenkers. Vgl. Zweeds nitton (19) en nittio (91).

e e n e n n e g e n t i g
n t i g e e n e n n e g e
e n t i g e e n e n n e g
e n t i g e e n e n n e g
n t i g e e n e n n e g e
e g e n t i g e e n e n n
e e n e n n e g e n t i g
 

Eenvoudiger is “Bei allen Reifen der Marke Pirelli ist das Verhältnis von Durchmesser und Umfang genau gleich π (pi). Das kann doch kein Zufall sein !” (Thijs Kramer, Zahlenfiguren bei J. S. Bach, 2000).



Gedichten, Frits van Heerikhuizen aangeboden

Haasse’s gedicht Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw kende ik uit Muziek en poëzie van Johan de Molenaar. Het heeft mij altijd aangesproken omdat ik het met het befaamde concert van Hubert Cuypers in het Amsterdamse Concertgebouw op 9 mei 1940 associeerde. Tientallen zangers en orkestmusici die die avond hadden meegewerkt, hebben me erover verteld. Toen ik dat gedicht in 2011 in een programmatoelichting voor een concert kon gebruiken, verdiepte ik me verder in de achtergronden, kwam al doende in nader contact met Haasse’s poëzie via de bundel Stroomversnelling. Daarin trof ik gedichten aan die ik waarachtig wel eerder had willen lezen, en schoot wakker. Het toeval wilde bovendien dat ik de hand kon leggen op de autografen van een aantal vroege gedichten. Bewondering leidt vaak tot het lastigvallen van de aanbedene met ongewenste aandacht. Ik hoop mijn belangstelling binnen redelijke grenzen te houden. Maar op sommige punten is aan enig onderzoek niet te ontkomen. In Haasse’s proza spelen bijvoorbeeld sommige van haar verwanten een opvallende rol, in haar poëzie juist niet. Wie zich in haar biografische en autobiografische gegevens verdiept komt voor onverwachte constateringen te staan.
   Dit deel van dit artikel wil daarom de schrijfster en haar vroegere familie enigermate in de tijd van toen plaatsen, en de familiecontouren wat meer tekening geven. Zo is wel geweten dat Hella’s vader tussen 1950 en 1955 een vijftiental ‘speurdersromans’ schreef. Maar dat de productie van zijn zuster Nelly, de schrijfster N. van Sillevoldt-Haasse, in de jaren ’30 óók niet kinderachtig was, is onbekend, ook bij Hella’s dochter Ellen. We zullen ook zien dat namen en voornamen van leden van de families Haasse en Diehm Winzenhöler door de vrouwelijke schrijvende Haasses voor personages in hun boeken gebruikt werden, het meest door Hella.
   Voorts houd ik rekening met “het perspectief van de lezer die hoopt op goed geschreven stukken [op dit vlak moet ik de lezer van dit artikel helaas teleurstellen, T.K.] die ergens over gaan, bijvoorbeeld over “het nieuws (voorzien van namen, plaatsen en data, voorheen ook wel ‘de werkelijkheid’ geheten” (Bastiaan Bommeljé in De Gids 2012/5). Hella heeft de vreemde gewoonte verschillende gemakkelijk verifieerbare gegevens (“feiten”) foutief weer te geven of ze te negeren, maar bij speculatieve beweringen überhaupt geen feitelijke informatie te geven. Daarmee heeft ze een vraag gecreëerd. Aan die ontstane behoefte aan correcte gegevens probeer ik tegemoet te komen terwille van lezers die in het weinige dichtwerk van Haasse parels hebben aangetroffen, en die meer zouden willen weten over de ondergrond waarin haar talent voedsel vond, en de achtergrond waartegen het ontlook, of die op basis van concrete informatie verder willen zoeken naar wat zij maar van belang. Ze miste haar vader, zegt ze, al was ze in de jaren van zijn afwezigheid, 1925-1928, van haar ouders vervreemd geraakt. Over die periode gesproken, Willem bleef in Soerabaja. Käthe nam de kinderen mee naar Europa. Met haar moeder had Hella een minder goede band. Haar verblijf in Davos maakte het er niet beter op. Hella groeide van haar zevende tot haar tiende als ouderloos kind in Baarn op. Dat haar vader ondertussen in Soerabaja een relatie met een inlandse vrouw had, bij wie hij een kind verwekte, kwam Hella pas lang na zijn dood te weten. Het zal haar toen niet meer bijzonder geschokt hebben.

In een brief van 5 maart 1955 aan W.L.M.E. van Leeuwen schreef Hella over Legkaart de bekende ontboezeming

 

■   ■   ■

 

“Allerlei privé-omstandigheden”. Waarop doelt Hella? “De stem van een kind zonder moeder, of – wat erger is – van een kind dat bij de moeder, en wie weet, door die moeder met zorg omringd, toch zonder moeder is, zonder de diepe en volkomen aandacht en overgave, zonder de genade van het absoluut geborgen zijn in wereld en leven waarnaar het hunkert” laat Haasse horen in haar inleiding bij Leven zonder opperhuid (1962), een keuze uit het werk van Nel Noordzij. Het is haar eigen stem, zij is dat kind in deze passage, die waarachtiger levensbeschrijvend is dan de autobiografieën en autobioficties die Haasse meende te moeten schrijven. Of Hella in deze citaten ook werkelijkheidsgetrouw was, vraag ik me af. In hoever waren haar gevoelens ingebeeld? “Hella had een grote fantasie” is een citaat uit de naaste Haassefamilie. Aan de andere kant, Hella was behoorlijk eenzelvig en op-zich-zelf, met welke kenschetsingen ik medische terminologie vermijd.
   Een van de sporadische taalfouten in Hella’s werk heeft freudiaanse allure door het verwisselen van feit en vraag, veronderstelling, niet-weten : “het labyrinth is het décor van de in zijn eigen innerlijke kronkels verwarde mens, waarbij het doel, de wedergeboorte, ja zelfs het feit of er wel een uitgang is, in het midden gelaten of in twijfel getrokken wordt” (In een grot. Artikel in: RUIMTE, driemaandelijks cahier, 18 dec. 1962, thema Mens worden, p. 12).

Op dit punt aangekomen wil ik niet ongezegd laten dat Käthe meer om Hella gaf dan omgekeerd het geval was. Hella kon hele bladzijden schrijven, knap geformuleerd, over haar moeder en over zichzelf in relatie tot haar moeder, Käthe kon geen woord terugzeggen. Hella keek op haar neer, vond haar naïef. Mensen die de verhoudingen tussen vader, moeder en dochter Haasse van nabij meegemaakt hebben, vader-dochter en moeder-dochter, maar ook vader-moeder, spreken van een sfeer van jaloezie. Hella’s echtgenoot verbood haar het toneelspelen wellicht om praktische redenen, Willem verbood Käthe na de oorlog nog op te treden en ging de publicitaire strijd met Hella aan.

∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼ .∼.∼.∼.∼.∼.∼

Na haar eindexamen toneelschool in juni/juli 1943 was Hella een paar maanden verbonden aan het Centraal Tooneel o.l.v. Cees Laseur (“werkzaam tooneelgezelschap Cees Laseur” zegt haar stamkaart BS, vervolgens “zonder [beroep]”, vervolgens “schrijfster”) en speelde bij De Ghesellen van den Spele, het gezelschap van Adriaan Hooykaas. Ook speelde ze In 1943 in het Utrechtse Zomertheater de titelrol in Mariken van Nieumeghen en de rol van Sanderijn in Lanseloet van Denemarken. Men bracht avant-gardistische en middeleeuwse stukken in de open lucht, meestal in de hof van het Catharijne-klooster in Utrecht. Ik vermoed dat het repertoire van dit gezelschap van invloed is geweest op Haasse’s keuze van onderwerpen voor haar dichtwerk in de eerstvolgende jaren (vertalingen van oude volkspoëzie en balladen).

        Inline afbeelding 4
Dit artikel stond in ‘Dagblad voor Noord-Holland: Alkmaarsche editie’, ‘Heldersche Courant’ en Schager editie; allemaal op 3 juni 1944. De naam van de recensent is niet vermeld.

VOLKSCULTUUR EN KUNST
Voorproef van „Mariken”, in de Kloosterhof, Utrecht.

[…] Hella Haasse, die pas van de Toneelschool is gekomen, leek onder de regie van Hooykaas een heel goede Mariken te zijn geworden, Kommer Kleyn was een zeer mooie zinnelijke duivel, Janny van Oogen een felle moeie, Louis Vervoorn een waardige Oom. […] Voor de andere ghesellen geldt: wordt vervolgd. Vanavond speelt men weer in de prachtige Kloosterhof.
M. WOLTERS.
Hella Haasse in de rol van Marieken van Nieumeghen. (Foto De Keyzer)

Het Volk, 7 juli 1943

VOLKSCULTUUR EN KUNST
’n Mooie „Mariken” onder Hooykaas
Prachtig debuut van Hella Haasse
Adriaan Hooykaas heeft zijn zomerseizoen 1943 geopend met een geheel nieuwe enscenering van “Mariken van Nieumeghen”. De primeur had de stille Kloosterhof van de Dom te Utrecht, weldra zal het spel ook in Valkenburg gegeven worden.
“Mariken” is een geheel eigen bezit. Geen enkel ander volk heeft zulk een rijke middeleeuwsche dramatische literatuur als het onze en onder de middeleeuwse spelen neemt „Mariken” weer een geheel bijzondere plaats in, o.a. doordat het geestelijke element er in wordt opgewogen door wereldse motieven. […]
Maar ook Hella Haasse, pas van de Toneelschool en door den regisseur thans al in staat gesteld de hoofdrol in dit spel te spelen trof door een goede plastiek en vond in haar spel en zegging overtuigende accenten. Zo werd dit inderdaad een jonge bloeiende Mariken, treffend in haar gelouterde rouwmoedigheid op het end ook.
Dat het mogelijk bleek zulke merkwaardige theaterscènes als het te pletter gooien van Mariken en het wagenspel — inderdaad op een wagen gespeeld— volkomen te doen slagen, bewees dat deze voorstelling geheel van binnenuit was geregisseerd en tot dramatische beleving gebracht. Wat de grootste loftuiging voor de regie is, die gegeven kan worden.
M. WOLTERS.

Het Volk, 8 juli 1943

MARIKEN VAN NIEUMEGHEN
[…] Hella Haasse debuteert hier als Mariken op een dusdanige wijze, dat wij dit spel het hare kunnen noemen. Zij wekt bij ons onweerstaanbaar den indruk van eenvoud, waarachtigheid en beleving die dezelfde moet zijn als die welke de middeleeuwsche schrijver in zijn Mariken heeft willen leggen. Haar spel is zoo frisch en direct, dat het eenerzijds de eenvoud sterk naar voren brengt, anderzijds het stuk geheel draagt. Nergens – ook niet in de gedeelten, waar Die Duivel, Die Paus of anderen in de dialoog naar voren treden – daalt zij af op het tweede plan. Haar figuur overheerscht alles in waarachtige uitbeelding.
N. H. den Hertog

Het Nationale Dagblad, 22 juli 1943

MARIKEN VAN NIEUMEGHEN
Een zuivere creatie van Hella Haasse

Dat Hooykaas zijn regie-opvatting zoo eminent ten uitvoer kon brengen, dankt hij zeer zeker ook aan zijn spelers en het meest aan Hella Haasse. Want welke begenadigde artiste is deze Hella Haasse ! Een jong meisje, zoo van de tooneelschool, schept voor ons een Marikencreatie, die het mij althans voor de toekomst onmogelijk zal maken ook maar een regel uit dit mirakelspel te lezen zonder dat ik haar intonatie hoor, zonder dat ik haar mimiek en gelaatstrekken voor mijn oogen zie dwalen. Ik kan niet zeggen, dat haar stem van een bijzonder timbre is en toch vervoerde haar stem, omdat ze zoo heelemaal van Mariken was. […] Waarlijk schoon was Hella Haasse in haar ontluikend berouw, dat zoo typisch in het middel-Nederlandsch „achterdencken” heet. Hoe zag zij kans om de essentie van dat berouw, het groote kleinmakende gevoel van schuldig te zijn met daarbij het heftige verlangen om opgelost te worden in een niets uit schaamte, uit te drukken in deze twee veelzeggende tekst-regels: Och eerde, ontdoet u ende zijt mi beluykende. Want ic en ben niet weerdich, dat ik u beterde. […]
Men zou wenschen, dat deze Hella Haasse voorloopig nog uit de sfeer van onze theaters met hun speeltroepen vandaan bleef, dat zij zich volledig ontwikkelde In de zeer serene en groot-makende sfeer van het middeleeuwsche spel, dat zij vooreerst nog de „arme middelen” van het openlucht-theater zocht, om dan eens in de strijdvaardige sterkte van een geheel eigen persoonlijkheid onze theaters te veroveren. Want die dag komt; daar kan men zeker van zijn. […]
BRUNO WEYKAMP

De Residentiebode, 29 juli 1943

Limburger Koerier, 13 aug. 1943

    
     Limburger Koerier, 11 sept. 1943 (Ellen Haasse !)        Haarlems Dagblad, 8 juni 1946


Deze knipsels suggereren dat Hella een volle agenda had. Dat klopt. Na haar eindexamen Toneelschool had ze doorlopend werk. Niet alleen speelde ze in dozijnen toneel- en cabaretvoorstellingen mee, ze moest ook die rollen leren en de regie repeteren, en ten slotte werd ze gevraagd de ene tekst na de andere te leveren.

Haasse had in haar jeugd naar eigen zeggen “eigenlijk in de negentiende eeuw geleefd” (Calis p. 176). ‘Gedeeltelijk’ had ze beter kunnen schrijven, want ze werd via haar vader wel degelijk met het nazisme van 1933-35 geconfronteerd. De overgang naar het Amsterdam van 1938 kan niet erg abrupt geweest zijn omdat de 20-jarige Hella al driemaal voor langere tijd in Nederland geweest was en artikelen als het onderstaande ook in Indië gelezen en besproken werden. Hoe radeloos men in 1939 al was blijkt uit het feit dat Käthe in september aan haar man die op dienstreis was telegrafeerde of Hella niet beter terug zou kunnen komen. Willem telegrafeerde terug dat Hella in Holland veiliger was.

         Het Vaderland, 27 jan. 1940.

Behalve met het studentenleven, waaraan ze zich niet met volle teugen laafde – Hella werd zelden bij Eijlders gezien – kreeg ze met de groeiend nerveuze sfeer te maken, die Nederlands Oosterbuur veroorzaakte. “Het in toenemende mate bewust doorleven van de jaren dertig en veertig heeft mij voorgoed huiverig gemaakt ten aanzien van massabewegingen” (interview F. Auwera 1969). Hier geeft HSH te kennen de jaren ’35-’45 in groeiende mate te hebben doorleefd en niet het naïeve onbeschreven blad te zijn waarvoor ze zich graag uitgaf. Ze moet toch wel eens een krantenkop als de bovenstaande gezien hebben (Het Vaderland, dat ook in Indië gelezen werd) en in een discussie verzeild geraakt zijn. Maar Haasse was toch weer in het bovenste welvarende segment van de burger-maatschappij terecht gekomen en had in haar ouderloze jaren, hoe moeilijk misschien ook, geleerd op zichzelf te kunnen zijn en weg te kunnen kijken. De daarop volgende oorlog bracht weinig desoriëntatie met zich mee. Evengoed klaagde ze nog tegen M. Dijkgraaf in Spiegelbeeld en Schaduwspel “ik had hier praktisch geen familie. Ik was alleen”. Dijkgraaf zou toch beter moeten weten.
   Oma Cor in Baarn was de enige die zich om haar bekommerde, schrijft Hella. In Baarn had ze oom Gerrit en tante Nel van Sillevoldt-Haasse. Hun dochter – tevens haar vriendin – Corrie*) ging in 1943 in Amsterdam op kamers. In Amsterdam woonden de acteur van Dommelshuizen sr en Mimi Spoor, de ouders van Douwe Radsma, leden van de families Mijsberg en Radsma. De twee zusters van haar moeder en hun kinderen woonden ook niet ver weg, al waren deze relaties minder warm. Dat ze klaagde over haar eenzaamheid lag niet helemaal aan haar familie, voorzichtig gezegd. En dat sommige familieleden niet bijster ingenomen waren met de afstandelijke houding die Hella i.h.a. tegenover haar familie innam laat zich raden. Toen Hella in 1938 voor de vierde keer in Nederland aankwam had ze al bijna 7 jaar in Nederland gewoond, waarvan zeg eens 2 maanden vacantie in Zwitserland, zomer 1928 (Hella moest 1 sept weer naar school! en de koperen bruiloft van haar ouders werd 2 sept in Baarn gevierd). Hella verbleef in Rotterdam 3 juli 1919 – 9 apr 1922 ; Heemstede / Baarn 18 mei 1925 – 18 dec 1928 (juli, aug 1928 in Zwitserland) ; Baarn 30 apr 1935 – 13 nov 1935.
   *) Over Corrie van Sillevoldt schrijft Hella in Persoonsbewijs p. 33-34.
   Wim (W4) heeft voor zijn kinderen en kindskinderen een kleine familiegeschiedenis geschreven, waarvan het eerste deel samenvalt met het opgroeien van zijn zus Hella. Het is goed de zaken ook van zijn kant te bekijken. Daarom volgt hier het eerste gedeelte van zijn herinneringen, Recollections, van 1921 tot 1940. Klik op de link.

★ Recollections deel I 1921 – 1940 ★

Nederland was Hella helemaal niet vreemd, hoe ze later ook klaagde. Enige moeite had ze misschien om haar weg in de maatschappij te vinden, dus de typecursus bij Schoevers was geen weggegooid geld. En de toneelschool al helemaal niet. In 1941 of begin 1942 schreef Hella Haasse aan F. W. van Heerikhuizen [FvH] (ongedateerde krabbel) : Coll TK

Beste Frits,
Ziehier          ■   ■   ■
Hartelijke groeten van Hella.

Van Heerikhuizen trof Hella dus niet meer thuis in A’dam, nam de enveloppe met het briefje en de manuscripten, gericht aan Frits van Heerikhuizen te Goes, van een huisgenoot in ontvangst en pakte de trein naar huis. De tien ongenummerde gedichten zijn op drie uit een grote blocnote gescheurde losse gelinieerde vellen geschreven. Het briefje op een vierde vel. Ze hebben sinds het overlijden van FvH in 1963 bij familie berust, in de enveloppe. Het zijn dus geen kladjes die een schoonmaakster uit Haasse’s prullenbak gevist heeft, maar voor publicatie aangeboden verzen. Voor zijn bloemlezing Stille Opmars (1942) koos FvH hieruit de titelloze ongepubliceerde gedichten Weer valt het loof en Ik zag Cassandra. De overige gedichten van Haasse die FvH opnam waren Virgo, Der Tod und das Mädchen, en Pavane pour une Infante Défunte (Ravel), die hij uiteraard uit WERK van mei 1939 al kende. — Hella had de volgende tien – op twee na titelloze – gedichten voor FvH opgeschreven (ongepubliceerde gedichten zijn in het lijstje rood weergegeven, titels vet gedrukt).

1. Ongepubliceerd, 1e regel mag niet getoond worden   6. Ongepubliceerd, 1e regel mag niet getoond worden
2. Ongepubliceerd, 1e regel mag niet getoond worden   7. Ongepubliceerd, 1e regel mag niet getoond worden
3. Ik hief mijn hand op   8. Weer valt het loof en staan de bomen bruin
4. Ongepubliceerd, 1e regel mag niet getoond worden   9. Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw
5. Ongepubliceerd, 1e regel mag niet getoond worden   10. Ongepubliceerd, 1e regel mag niet getoond worden

De nrs 4 en 5 staan o.a. in Nederlandse dichteressen na 1900, Nel Noordzij, 1957². en het Nieuw Vlaams Tijdschrift 1964/4. Ik waag het niet ze hier af te drukken.

Ik begin met het voorlaatste. Cassandra is een zieneres uit de Griekse mythologie, door Haasse gezien in / geprojecteerd op de harpiste Rosa Spier. Haasse heeft ongetwijfeld de lotgevallen van Cassandra (die waarschuwde voor het Griekse houten paard maar niet geloofd werd) in Homerus’ Ilias (Ίλιον = Troje)  leren kennen op het Bataviaas Lyceum bij dr. Peter John Koets, een bevlogen leraar klassieke talen, op wie ze zeer gesteld was. Koets was in 1929 gepromoveerd op Deisidaimonia. A contribution to the knowledge of the religious terminology in Greek. Hij was bevriend met Du Perron, die 1937-39 in Bandoeng woonde, maar in aug. '39 het koloniale klimaat van zijn 'Land van herkomst' ontvluchtte. Hij sprak vloeiend Maleis en zag wel iets aankomen. Ik zie eerder een verbinding tussen Haasse’s gedicht Eis Daimona (‘tot God’) en Koets’ Deisidaimonia (godsvrees, plichtsbetrachting, tot ca. 300 A.D. “practically synonymous with the Latin ‘religio'” – deido = “stand in fear/awe of”) dan met Geerten Gossaerts Eis Daimona, waarvan ik me niet kan voorstellen dat Haasse er iets in gezien heeft. Lezing van Haasse’s knap en helder geschreven Eis Daimona kan leiden tot beter begrip van het moeilijk te interpreteren In deze zeeën die ik mij verkoos uit Haasse’s bundel Stroomversnelling. Een ms van Eis Daimona is gedateerd 1942, maar meer betekenis dan een datum ante quem mag men er niet aan hechten. Van verschillende gedichten bestaan meerdere handschriften, onderling verschillend op kleine of grote tekstdetails, gedateerd en ongedateerd.
   Anne Frank schreef op 9 oct. 1942 “de Engelse radio spreekt van vergassing; misschien is dat wel de vlugste sterfmethode. Ik ben helemaal van streek”. De Swaan liet in de bekende discussie het laatste zinnetje weg en kon toen beweren “Anne Frank heeft het zonder blikken of blozen over de vergassing maar laat dit door een dooddoener volgen. Alsof ze de vergassing meteen van zich afschuift”. Volgens De Swaan wist ze dat ze vergast zou worden maar wilde ze het niet tot zich door laten dringen. De Swaan tracht zijn drogbeeld te staven door selectief te citeren, in een dergelijke discussie geheel ongepast, en beledigend voor de lezers : alsof niemand dat in de gaten zou hebben.
   Henri Knap, de latere Parool-journalist, vernam voorjaar 1943 van een Duitser “hoe de treinen aankwamen, hoe vrouwen met kinderen werden afgezonderd en meteen vergast” enzovoort. Knap schrijft in Vreemdeling, bericht de Spartanen (1966) “Een tijd lang voelde ik mij Cassandra, die van de goden de gave had ontvangen de toekomst te kunnen voorspellen – en de vloek, dat niemand haar zou geloven”. Vergelijk Bart van der Boom, Wij weten niets van hun lot, 2012, p. 227-29. Knap noch van der Boom noemen Haasse’s gedicht (bij Hoornik 1942). Bij van der Boom ontbreken de stemmen die al lang vóór mei 1940 waarschuwden voor wat er te gebeuren stond en wezen op wat over de grens reeds gebeurde.

Mij zijn momenteel vier versies van Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw bekend. De eerste is volgens Haasse zelf, een fervent bezoekster van het Concertgebouw, ontstaan n.a.v. een van de concerten tussen 2 sept. 1939 en 10 mei 1940, waarbij Rosa Spier een prominente harppartij speelde. Haasse spreekt daarover in de documentaire van D. v. d. Starre over Rosa Spier, nadat ze het gedicht heeft voorgedragen.

1. Getypt vel, gedateerd 1939, met “ranselde” (r. 5) en “rampzwart” i.p.v. rampenzwart (r. 9). (LM).

2. Autograaf van Haasse, voor Frits van Heerikhuizen neergepend 1941 of 1942 (coll. TK) :
     ■   ■   ■       4 + 4 + 4 + 3 + 1  regels telt dit autograaf van het bekende gedicht, dat achter glas in mijn verzameling aan de muur hangt, is gedrukt en gereproduceerd, maar dat op deze site niet als voorbeeld van Haasse’s handschrift getoond mag worden, hoewel geen van de belanghebbenden bij het auteursrecht er enige belangstelling voor heeft.
   Schoonschrijven heeft Hella niet geleerd, zo te zien. Verwonderlijk. Mettertijd is ze breder en onduidelijker gaan schrijven.
   Onmiddellijk valt de afgescheiden slotregel op. Met het “verloren land” zal niet Frankrijk bedoeld zijn, dat op 3 sept. 1939 de oorlog aan Duitsland verklaard had, eerder een côte déserte van Verne. Concreet : een concert met Franse muziek, Debussy, Ravel, Roussel (kleine zaal?) komt in aanmerking tot het gedicht geïnspireerd te hebben. Met de “doden aan de wanden” worden – denk ik – niet alleen de componisten bedoeld wier namen op de naamvelden aan balcons en muren van het Concertgebouw prijken, maar allen die – naar algemeen bekend – sinds 1933 het leven al verloren hadden, zelfs in Nederland tevergeefs een toevlucht hadden gezocht maar teruggestuurd waren. Cassandra zelf was al door de Griek Ajax mishandeld. Het ligt voor de hand in De Ilias als vredesgedicht van J. M. Kramer (1946), in de oorlogsjaren geschreven, de Grieken als Duitse barbaren, belust op moord en verwoesting, en de Trojanen als Westeuropese slachtoffers te zien.
   Komma na r. 3 aangevuld in overeenstemming met de eerste druk. De komma staat niet in het ms.

          Mastenbroek J.H.van - Rosa Spier speelt harp

Johan Hendrik van Mastenbroek, Rosa Spier. Olie op doek, 1923. Gesigneerd rechts boven, 80 x 65 cm. De harp is een 46-snarige Erard, Style Louis XVI, gebouwd 1914 in Parijs. De Wurlitzer kocht ze in 1930.  Coll. TK.

———————————

3. In: Stille Opmars. Verzen van de nieuwe generatie in Nederland, verzameld en ingeleid door F. W. van Heerikhuizen, 1942, pag. 103. Wereldbibliotheek. Eerste druk van dit gedicht. Geen titel. Het onderschrift luidt ‘ongepubliceerd.’ Of de interpunctie van FvH of van Haasse stamt laat zich niet vaststellen.                        

Hella S. Haasse [geb. 1918]

           ■   ■   ■

———————————

4. In: Nederlandse dichteressen na 1900, Nel Noordzij, 1e druk 1956, geannoteerd “ongepubliceerd” [?!], 2e druk 1957. Een eerdere publicatie van deze laatste versie van Ik zag Cassandra ken ik niet. Ze staat ook in: Muziek en poëzie. Verzen over muziek, Johan de Molenaar, 1959 (2e druk ; in de 1e druk van 1941 komt Haasse niet voor). ‘Dutch and Flemish feminist poems’ geeft het veel later (1998) ook in deze versie, en bovendien in Engelse vertaling. Ten slotte staat een niet serieus te nemen variant, zeg maar een misdruk, in Weg van de harp (2011) van Regina Ederveen, een biografie van Rosa Spier. Ederveen schrijft dat Haasse het gedicht “waarschijnlijk” vlak na het concert in Amsterdam op 9 mei 1940 geschreven heeft, maar dat is slechts een onhoudbare veronderstelling die in tegenspraak is met Haasse’s eigen datering (“tussen 2 sept. 1939, toen de wereldoorlog uitbrak, en 10 mei 1940, ’t begin van de duitse bezetting”) en het getypte vel uit 1939.
   Op 26 sept. 2011 wendde ik me per e-mail tot uitgeverij Querido met de vraag of mevr. Haasse zich i.v.m. het gedicht Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw misschien nog iets meer herinnerde over het ontstaan ervan. (Ik was van het bestaan van de versie uit 1939 nog niet op de hoogte). Ze zou op 9 mei 1940 ’s avonds in het Concertgebouw te Amsterdam de uitvoering van Hubert Cuypers’ declamatorium De kracht van ’t land bestaat bijgewoond kunnen hebben. Het was een zwaar beladen uitvoering, voor medewerkenden en toehoorders. Weinige uren later vielen de Duitsers Nederland binnen. Het spel van Rosa Spier in dit stuk zal Haasse niet tot het aangrijpende gedicht Ik zag Cassandra (Cassandra voorspelde de ondergang van Troje) hebben kunnen inspireren, omdat de harppartij niet prominent is, maar toch . . . je weet nooit. Ik herinner me de 9e en 10e mei 1940 nog levendig, dus ik hoopte . . .
   Helaas, op 29 sept. is mevr. Haasse overleden. Een antwoord kwam niet meer.
   Mij is niet bekend of de verspresentatie zonder witregels, de absolute blokvorm dus, van Haasse of van [een redacteur van] Noordzij afkomstig is. De vier tekstwijzigingen t.o.v. 1940 en 1942 maken het gedicht echt àf ; het heeft naar mijn gevoel nog gewonnen (“rampenzwart”). Maar de massieve uiterlijke verschijning van dat blokdicht is mij als een stomp op het oog. Maaike Meijer nam deze versie over in The Defiant Muse (1998). Een dergelijke comprimering heeft zich ook bij Virgo voorgedaan, zoals later zal blijken.
   Deze – laatste – versie (de bron heb ik niet gevonden) droeg Haasse voor op het podium van het Concertgebouw te Amsterdam voor de documentaire ROSA SPIER – Een leven voor een harp (1998), bij het JHM terecht omgetiteld in Een leven voor de harp. — Over het spel van Rosa Spier zei Haasse na haar voordracht dat het indertijd een ongelofelijke indruk op haar had gemaakt. “Het had bijna iets profetisch. Het was een stuk waarbij in de harp lange passages waren, echt alsof ze daaroverheen ranselde met de hand, en dat had iets heel dreigends. Ik had ineens het idee, ‘daar wordt iets gezegd over de toekomst, over wat er gaat gebeuren’. Je had natuurlijk niet het flauwste idee wat dat zou kunnen zijn. Maar wel voelde je, je was er natuurlijk alle dagen al bij betrokken, er mee bezig, de nadering van dat oorlogsgeweld”.
   De laatste versie is nog steeds titelloos. Komma’s en punten ontbreken, behalve de slotpunt. De spelling komt overeen met de na 1947 gebruikelijke. De wijziging van “geeselde” in “ranselde” vindt a.h.w. bekrachtiging in de roman De ingewijden (1957) : “de gitaarspeler, die met felle vingers de snaren ranselde”, en later in Berichten van het Blauwe Huis (1986) : “Er was tussen hem [de gitarist Ramón Sanglar] en die snaren – of hij ze nu ranselde of streelde – een intimiteit die Nina betoverde.”
   Vergelijk de interpunctie en de laatste regel bij Noordzij en De Molenaar :

  Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw :
■   ■   ■
Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw.
■   ■   ■
 

“harde” teruggecorrigeerd in “smalle”
[Onderschrift bij De Molenaar :]    Hella S. Haasse [geb. 1918]

Rosa Spier

Rosa Spier. Portrettekening van Leo Kok. Gesigneerd LEO KOK / WESTERBORK / FEB:’43.
Collectie Joods Historisch Museum Amsterdam.

Boven signatuur en datum schreef Kok op de schouder van Rosa Spier
in kleinere letters achteroverhellend cursief VEEL GELUK!
Rosa HAD GELUK. Ze overleefde.
Leo Emiel Kok, geboren 7 jan. 1923 te Berchem, België, is overleden 12 mei 1945 in het kamp Mauthausen-Ebensee. Hij is herbegraven op het Nederlandse Ereveld in Salzburg.

Reproductie van de tekening in geschikte resolutie ter beschikking gesteld door het Joods Historisch Museum (JHM), alwaar meer over de jonggestorven Leo Kok en zijn werk te lezen is. www.jhm.nl. Zie ook Rebel, mijn hart. Kunstenaars 1940-1945 (1995), inl. Max Nord, p. 146-147. Meer over Rosa Spier in de Appendix.

*    *    *    *    *    *    *    *

De volledige reeks gedichten die Haasse in 1942 voor van Heerikhuizen bestemd had laat ik nu volgen. Nummering door mij toegevoegd. Het zijn gepubliceerde (in blauw weergegeven) en ongepubliceerde (in rood weergegeven) proeven van het ontluikend talent van Hella Haasse. Spelling en interpunctie worden conform het ms weergegeven, afwijkingen worden vermeld, zo ook verschillen met gedrukte versies. Voor de visuele presentatie van een gedicht zijn van belang de bladspiegel, het lettertype, het papier, de regelgroepering, de interpunctie en – last & least, maar toch – de spelling. Haasse’s debuut in de Amsterdamsche Studenten Almanak 1939 met Ik hief mijn hand op is ook in deze opzichten gelukkig te noemen.

Niet eerder gepubliceerd is, voor zover mij bekend : 

*  *  1  *  *Ongepubliceerd, zonder titel, beginregel mag niet getoond worden.    Coll. TK
■   ■   ■             8 regels

In dit titelloos gedicht op blad 1 recto, een klimaatbeschrijving, het eerste van de serie die Haasse aan van Heerikhuizen voorlegde, zijn de naamvalsuitgangen (‘den’, ‘grijzen’) nog in oudere spelling geschreven, terwijl ‘bleke’ i.p.v. ‘bleeke’, en ‘zo’ i.p.v. ‘zoo’ modern zijn. Uit ’t hoofd opgeschreven of niet, r. 4 ■ ■ ■, maar die truc stond Haasse wellicht tegen, ’n kan niet tegen het metrum in als lettergreep worden uitgesproken. In 1945 schreef Haasse in ‘Fragment van een brief’ “Meinderts was intussen al in ’n andere kamer gegaan” (maandblad HET WOORD, nov. ’45, pag. 27). Haasse had, áls haar een bepaald leesritme voor ogen stond “in een andere kamer” of “in ’n and’re kamer” kunnen schrijven, maar vele schrijvers deden zoiets niet, vertrouwend op de leesvaardigheid en voordrachtskunst van de lezer. In dit verband is de vraag te stellen of Haasse in dit goed geschreven proza ‘M’n interieur’ (p. 22) bedoelde als 3-, 4- of als 5-lettergrepig. Het personage Meinderts zegt “M’n interieur is niet veel bijzonders”. De man is arts en heeft het woord misschien op z’n Frans uitgesproken (drie lettergrepen: in-té-rieur), dus M’n_in / te / rieur en M’n_in / te / rieur en M’n / in / te / rieur zijn mogelijk. Heeft hij het op zijn Nederlands uitgesproken, dan krijgen we M’n_in / te / ri / eur of M’n / in / te / ri / eur. De verzandende stroom in r. 1 weet ik aardrijkskundig in Nederland niet te plaatsen, maar in de slotregel wordt de overdrachtelijke betekenis duidelijk. Na alle enjambementen die de woordenstroom op gang trachten te houden, verzandt de stroom tussen de kale lidwoordloze elementen toch echt, in 1942, in Haasse’s leven in Holland.
   Nelly van Sillevoldt-Haasse schreef in ’39 in een Sinterklaasvers “Zo bracht gij, Odysseus, ’t Troyaanse beleg tot een eind.” De ’t wordt hier niet uitgesproken, hoogstens gesuggereerd. Oud-gymnasiasten zullen met een glimlach – of een honende grijns – het geworstel met de Nederlandse taal bij ritmische vertalingen herkennen. En de dichtregels van Willem Vermandere uit Van de Liefde waarderen (over de derde regel kun je lang zinn’n, ze luidt voluitgeschreven ‘bij ’t vallen van den avond of diep in den nacht’) :

Komt ze nu ’s nuchtens of komt z’over dag

’s noens binst of juist achter ’t eten
bij ’t vallen van ’n avond of diep in ’n nacht

Of Nederlandse gedichten sinds zeg eens 1900 meer geschreven worden om gelezen te worden dan om (voor)gelezen te worden weet ik niet, de ene poëet houdt bij zijn notatie in elk geval meer rekening met de voordracht van zijn gedicht dan de andere. Zo schreef Hélène Swarth “Waarom mijn ziel de weelde niet kon dragen / van melodie in scheemr en bladgeruisch”. Daarmee helpt Swarth de voordrager in spe en voorkomt het aritmisch gestotter dat veel dichtvoordrachten bederft. In hetzelfde gedicht MUZIEK (1929) biedt ze in “Bij de muziektent, die me een tempel was” geen hulp aan, ze mocht er in haar tijd nog op vertrouwen, neem ik aan, dat de meeste lezers bij de horde “me een’ niet zouden struikelen.
   Onlangs schreef iemand mij : “Ik wil poëzie altijd lezen en niet horen. Hoe het op schrift staat bepaalt mede in welke mate ik het gedicht waardeer (of niet). Je kunt toch als lezer nooit volledig bevroeden wat de schrijver bedoelt/d (heeft)? Tenzij een uitvoerige beschrijving/uitleg is meegegeven. Vaak is het een kwestie van persoonlijke smaak, wat spreekt je wel of niet aan. Daarin (in het lezen) neemt een ieder zijn/haar eigen geschiedenis mee. Dat geeft toch niet? Is poëzie niet juist zo bedoeld? Heel persoonlijk”.

   Ten slotte, de regel waarmee dit naargeestige ‘hollandse’ gedicht de reeks opent, vindt een optimistischer vervolg in de titel van de bundel Stroomversnelling uit 1945. Een autobiografische achtergrond kan vermoed worden.

———————————

Het natuurtafereel in de tweede helft van het volgende titelloze gedicht dat onder op de voorkant van het eerste blocnoteblad staat, is eerder Indisch dan Nederlands. Haasse schreef “verraadt” (r.1). Dat heb ik vervangen door ‘verraad’ (want ‘draag’ en ‘erken’). In de 2e strofe schrijft Haasse de accusatief “de” toon, maar in het 3e couplet driemaal “den”. Ik heb met ‘den toon’ de schrijfwijzen op één noemer gebracht.
   Drie regels (6, 10, 12) hebben zes, de overige vijf heffingen, r.4 is antimetrisch. Het is een diepzinnig gedicht, een van de beste uit de FvH-enveloppe. Niet eerder gepubliceerd voor zover mij bekend.

                        *  *  2  *  *

Ongepubliceerd, zonder titel, beginregel mag niet getoond worden.      Coll. TK
■   ■   ■          4 + 4 + 4 regelssssss

In het ms in het cahier voor Hella’s ouders (LM) is het gedateerd febr. 1938. Daar staat na r.1 en r.3 een komma, r.7 de toon, heeft r.10 donk’ren, r.11 eerste rood –, en r.12 morgenklaar. Verraadt is ook hier verraadt gespeld.

Op blad 1 verso staat Ik hief mijn hand op. Dit titelloze gedicht is in de Amsterdamsche Studenten-Almanak voor het jaar 1939 verschenen, op pag. 236, gesigneerd H. S. H. Dit is haar ‘officiële’ debuut als dichteres geweest. Ook in het schoolblad Opgang jg 1936 van het Bataviaas Lyceum komen gedichten van Haasse voor. Ze is redactrice van Opgang geweest.

Het gedicht is gedrukt in een van die fraaie lettertypes waarin de ij nog één letter-teken was, zoals op de vroegere nederlandse schrijfmachines.

Ik hief mijn hand op, 4+4+4 regels, nog geschreven in Batavia, in 1937, is acht jaar later het openingsgedicht van de bundel Stroomversnelling (1945), waar het gevolgd wordt door Virgo, dat Ed. van Hoornik in 1941 als enige gedicht van Haasse in Twee lentes, de beste gedichten uit WERK 1939 en CRITERIUM 1940 had opgenomen. Virgo stond in WERK 1939/5. Menno ter Braak noemt Haasse in zijn besprekingen van WERK helaas niet, over de nrs. 3, 4 en 5 van WERK ontbreken recensies van zijn hand. In het poëzie-nummer nr. 5 van mei 1939 had Adriaan van der Veen vijf gedichten van Haasse opgenomen, Virgo, Der Tod und das Mädchen, Nachtlied, Verdwenen schepen, en Pavane pour une infante défunte (Ravel). In deze titels weerspiegelt zich de muzikale belangstelling van de schrijfster, die naast het Concertgebouw woonde. En ook, als je het mij vraagt, een zekere mate van zich gelukkig voelen in een leven dat nog alle kanten uit kan. WERK verscheen van jan. tot dec. 1940. CRITERIUM, de opvolger van WERK, startte maart 1940 en hield het vol tot in 1942. In 1945 startte Criterium opnieuw. In de jg. 1940 staan geen gedichten van Haasse voor zover ik heb kunnen nagaan.

“Het gedicht van H. S. H. is uitstekend. Vergeefs zoekt men in voorafgaande almanakken van de laatste jaren een poëtische bijdrage, die zo klaar en eenvoudig klankrijk weet te zijn. De gedachte, die het meedeelt, mag dan niet uitmunten door oorspronkelijkheid, het beeld, waaraan die gedachte is ervaren, verrast als concreet en persoonlijk. Van deze schrijfster mogen almanakvrienden nog iets verwachten.”
      Uit artikel Amsterdamsche Studenten Almanak in Propria Cures 18 maart 1939, door Gs.

———————————

                     *  *  3   *  *
Ik hief mijn hand op tussen mij en ’t licht    Coll. TK
■   ■   ■          4 + 4 + 4 regels

Haasse’s gedicht heeft klaarblijkelijk Jaap van IJperen, de Vlaardingse ‘arbeidersdichter’ (1901-1972), de maker van ‘dicht(bij)kunst’, geïnspireerd tot een vers dat aan zijn kleinzoon gericht lijkt :

  Deze hand
  Hoelang zal deze hand nog kunnen schrijven?    ■   ■   ■
  Lees hier het gedicht


In de Amsterdamsche Studenten-Almanak 1939 staat na r. 3 geen komma, in r. 4 geen komma en streepje na ‘moet’, wel een komma na r. 5 ‘vergaat’. In r. 5 geen komma na ‘eens’. In r. 8 na ‘verteert’ een komma. Na ‘toch’ r. 9 staat een puntkomma, geen streepje, na ‘waan’ een komma. Het gedicht telt ook hier drie strofen van vier regels en is met de initialen H. S. H. gesigneerd.
   In Stroomversnelling (7 jaar later) is de spelling niet veranderd, en staat in r. 4 een komma na ‘verwonderd’, in r. 5 geen komma, in r. 9 een komma na ‘hart’.
   De slotregel “diep in het stof tot kleurloos stof vergaan” lijkt een verschrijving te zijn van “diep in den grond tot kleurloos stof vergaan”, maar in de Studenten-Almanak en in Stroomversnelling staat woordelijk hetzelfde. In Haasse’s verwante Wentel de steen van mijn graf (Zeventien dichters, Querido 1952) komt als een afterthought de wending “diep in de donkere grond” voor, en ook de begrippen “verpulvert”, “zand” en “as”. In dat gedicht willen de beelden ‘donkere grond’ en ‘zand’ niet goed samengaan in de beschrijving van de bodemsubstantie.

———————————

Dan volgen    ■   ■   ■   I    en    ■   ■   ■   II, welke laatste na ‘glansomrand’ op blad 2 recto verder gaat. Bevat een naamvals -n. Bij mijn weten niet eerder gepubliceerd.

        *  *  4 – 5  *  *

Ongepubliceerd, zonder titel, beginregel mag niet getoond worden.    Coll. TK
I
■   ■   ■   
■   ■   ■
         8 regels

 

Ongepubliceerd, zonder titel, beginregel mag niet getoond worden.    Coll. TK
II
■   ■   ■   
  ■   ■
   
     8 regels

Tweemaal 8 regels. Nocturne II herbergt een probleem. “Haar kracht” in de slotregel valt moeilijk op een substantief enkelvoud terug te leiden. In de laatste vier regels komen de mnl. substantiva ‘Golf’, ‘stroom’ en ‘boom’ voor. ‘Wezen’ en ‘sap’ zijn onzijdig, ‘nacht’ en ‘kracht’ zijn vr. sing. en ‘vezels’ is vr. plur. Nú leven we in een tijd waarin de NRC over “het kabinet en haar doelstellingen” bericht. Haasse echter schreef dit gedicht 70 jaar geleden, toen “diens’, “wiens’, ‘wier, welks” enz. nog deel uitmaakten van beschaafd taalgebruik en men zich van de woordgeslachten bewust was, Haasse zéker. Ik wacht me dus wel om Haasse van een verschrijving te betichten, en bekijk of “haar” als meervoudsvorm bedoeld kan zijn en op ‘sappen’ (onzijdig) terugslaat. Dat is niet goed voorstelbaar, ik zou ‘hun’ kracht verwachten. Op ‘vezels’? Dat is een vrouwelijk woord (Du. die Faser), maar die vezels worden toch strak gemaakt? Juist, die kracht wordt in de vezels opgeroepen. De pezen spannen zich. ‘Haar’ is als vr. bezittelijk vnw. plur. te lezen.

———————————

                        *  *  6   *  *

Ongepubliceerd, zonder titel, beginregel mag niet getoond worden.    Coll. TK
■   ■   ■            2 cpl v 4 regels

Het werk van Aleksandr Grin (1880-1932) is avontuurlijk en romantisch, beeldend geschreven. Het wordt wel in de buurt van Verne, Stevenson en Poe geplaatst, maar is fantastischer. Grins bekendste werk is de sprookjes-achtige novelle Алые паруса (Alye parusa = Scharlaken zeilen, 1923), die sinds WO II verbonden is met de jaarlijkse feestdagen aan het eind van het schooljaar MO (eindelijk vrij!) in St. Petersburg. Het boek was populair bij tienermeisjes, maar wordt ook door volwassen lezers zeer gewaardeerd. Vele moeders hebben een dochter Asole of Assol genoemd. Het boek is veelvuldig herdrukt en vertaald. Konstantin Paustovsky dacht bij eerste lezing dat het een vertaling van een westers werk was. In 1961 is het boek in Rusland verfilmd. — Bij Alye parusa denkt men aan gevleugelde woorden als ‘sull’ali dorate’ (Verdi, op gouden wieken), ‘les ailes pourpres’ van de flamingo’s. Haasse kende de schakeringen en connotaties van het purper precies, ze dichtte in Stroomversnelling “Zo geef dan aan mijn bloed het koninklijk aroom, / het edel purper van robijn en roos”.
   In het vissersdorp Kaperna (ergens aan de Zwarte Zee, uit het verhaal op te maken) woont het vijfjarige meisje Assol (Asole) alleen met haar vader. De moeder is gestorven. Vader ooit matroos, verdient nu de kost met boothengelen en met het snijden van houten voorwerpen en speelgoed. Assol brengt soms een mand met handel naar een handelaar in het nabije kuststadje Lissa. Op een dag zit in het korfje een klein wit zeiljacht met een driehoekig dieprood zeil van zijde, dat ze erg mooi vindt. Onderweg zet ze het in een beekje. Maar het drijft weg buiten haar bereik en Assol loopt het achterna. Het scheepje strandt bij een oudere man, genaamd Eglya (Aigle), een geleerde, levend als strandvonder, “Lieder-, Legenden-, Sagen- und Märchensammler”, tovenaar ook, die aan de zeemonding van het stroompje op een steen gezeten bezig is met een vergelijkende studie van finse en japanse mythes. Hij geeft het scheepje aan Assol terug en voorspelt haar dat, wanneer ze groot geworden is, een schip met een driehoekig purperrood zeil de kaap zal ronden, “begleitet von herrlicher Musik”, gespeeld door een gehuurde scheepskapel. De matrozen zingen Erhebt das Glas mit froher Hand / und trinkt euch heitren Muth van Beethoven, “het wilde lied” in Haasse’s gedicht. De kapitein, een jongeman van adel, zal haar aanspreken en haar meenemen naar zijn slot in een rozendal, waar ze een gelukkig leven zullen leiden. Hoewel de dorpsbewoners er de spot mee drijven blijft het meisje wachten op het schip met het rode zeil. Het zwerft over de zeeën in afwachting van de tijd dat Assol een volwassen vrouw is geworden.

          Scarlet

Na jaren kòmt het schip, het blijkt een driemaster te zijn! met vele scharlakenrode zeilen, genaamd de секрет (Mystère). De kapitein is Arthur Gray. Zijn slot ligt bij Dubelt, ergens in Engeland of Ierland (Dubelt is ook het Poolse woord voor ‘watersnip’, een trekvogel). Na de nodige voorbereidingen laat Gray de grote dag beginnen door de klarinettist van zijn ingehuurde orkestje een nostalgische melodie te laten spelen. Dan zeilt hij naar Kaperna. Assol ziet het schip naderen. Eerst hoort ze een soloviool op Beethovens melodie preluderen, daarna barst het orkestje los, samen met een stel zingende matrozen. Hoe dat geklonken zou hebben? Luister vooral niet naar een opname van een gedrild Duits mannenkoor uit de laatste 100 jaar, maar probeer een samengeraapt troepje Russische volkszangers te vinden met van die typisch mooie mannenstemmen.

Hella Haasse bekent met een parafrase van “Seit ich ihn gesehen, glaub ich blind zu sein” hoezeer ook zij “wie im wachen Traume” (A. von Chamisso, Frauen-Liebe und -Leben) in de ban van het verhaal is geweest. Haasse kan Grins novelle niet gelezen hebben toen ze het gedicht schreef. In 1939 lag een Franse vertaling klaar om gedrukt te worden, met een voorwoord van Grin, maar de tijdsomstandigheden beletten het tot stand komen van de uitgave. Een vertaling van vóór 1945 (Les voiles écarlates? Scarlet Sails?) is mij niet bekend. Het literair museum A. Grin in Feodosia op de Krim deelde desgevraagd mee zo’n vroege vertaling ook niet te kennen. Wel kan een slavist als Johan Daisne (hoofdredacteur van WERK) Haasse over de novelle verteld hebben. Na 1945 zijn minstens vijf Duitse vertalingen verschenen, onder de titels Das Purpursegel – Rote Segel – Die purpurroten Segel – Das feuerrote Segel – Purpursegel. Bij Das Purpursegel is niet alleen de titel fout vertaald, bij deze uitgave (Insel-Verlag) is de tekst ook ingekort.
   Feodosia, vroeger Theodosia, is ook de plaats aan de Zwarte Zee waar de ik-figuur in Het eind van het lied uit Schuim en asch van Slauerhoff naar toe reist. Diep in de bergen ligt daar het klooster waar elke nacht de monniken een vrouw trachten vrij te zingen uit de aarde die haar vasthoudt. Haasse is dat verhaal aan het hart gegaan. Meer hierover verderop.
   In Grins boekje steekt meer poëzie dan in menige dichtbundel.

———————————

                         *  *  7  *  *

Ongepubliceerd, zonder titel, beginregel mag niet getoond worden.    Coll. TK
■   ■   ■                6 regels

———————————

Keerzijde blad 2 : [ook in Stille Opmars zonder titel. Daar “ongepubliceerd”, pag. 102-103.]

                        *  *  8  *  *

Weer valt het loof en staan de bomen bruin.    Coll. TK
■   ■   ■               4 cpl v 4 regels

De eerste keer dat Hella het bruine loof zag vallen (d.w.z. de Nederlandse herfst bewust meemaakte) zal in 1925-28 zijn geweest, toen ze in Nederland verbleef i.v.m. gezondheidsproblemen van haar moeder. Käthe kuurde van mei 1925 tot medio 1928 vrijwel onafgebroken in Davos. In 1928 was Hella tot eind dec., in 1935 tot begin nov. in Nederland. Het schriftje is in Den Haag gekocht (Klaassen’s Kantoorboekhandel, Prinsestraat 23) en in NL voor het eerst gebruikt. Herfst stamt uit September ’35 Baarn. Weer valt het loof lijkt voortgeborduurd op Herfst. “Grachten”, mijn raam”, “de haven”, “torens”, “zee”, wijzen m.i. op Amsterdam-Centrum, waar Hella na 1940 op verschillende plekken gewoond heeft. Het IJsselmeer werd toen nog algemeen Zuiderzee genoemd.
   Na r. 1, 2 en 8 staat in het manuscript geen punt. Die heb ik aangevuld. Dit gedicht is voor het eerst gedrukt in de bloemlezing Stille Opmars van FvH uit 1942 (blz. 102).
Bij FvH staan punten na ‘bruin’ (r. 1) en ‘grachten’ (r. 2), en ook na ‘verbeten’ (r. 14). Geen punt na ‘naam’ (r. 8), en r. 9 begint met een minuskel want Haasse laat de zin hier doorlopen : “… ijl en lang mijn naam en in de haven …”. Haasse’s ligatuur “telde^ik” is bij FvH tot “telde ik” teruggebracht, wat in verband met het versmetrum minder prettig leest. Correctie van Haasse of gebrek aan dat stukje lood bij de zetterij? “De torens zongen” : de carillons speelden.
   Weer valt het loof staat ook in Stroomgebied (1953). Daar loopt r. 8 in r. 9 over : “… ijl en lang mijn naam / en in de haven ….”. Ad den Besten heeft een halve bladzijde nodig om de titelkeuze van zijn bloemlezing toe te lichten. Zou zijn onderbewuste hem wellicht de regels
   “Ik ga op weg naar onbekend verschiet / de heuvels over, naar een stroomgebied” (Marsman)
voor zijn onderwerp, de jongste dichtergeneratie, ingegeven hebben?

Weer valt het loof
■   ■   ■  

De Waarheid 21 sept 1955

In dit herfstnummer van de Waarheid staat een speciale afdruk van het gedicht. Daarin is “wilde” vergeten (“wilde adem”), en is de “sikkelmaan” veranderd in ‘de sikkel van de maan’, wat een zesvoeter na alle vijfvoeters oplevert. De dame met kinderwagen op de foto is niet Hella Haasse.

———————————

Op blad 3 recto staat als negende gedicht ‘Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw’.

*  *  9  *  *

Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw    Coll. TK

■   ■   ■         4 + 8 + 3 + 1 regels

———————————

Op blad 3 verso eindigde Haasse de keuze die ze aan van Heerikhuizen voorlegde met

    *  *  10  *  *

Ongepubliceerd, zonder titel, beginregel mag niet getoond worden.    Coll. TK

■   ■   ■           3 cpl van 4 regels

Punten heb ik aangevuld na ‘dwaalt’ (r. 4) en ‘mij’ (r. 8), een komma na ‘tapijt’ (r. 5), ‘bloed’ (r. 9) en ‘zoet’ (r. 11). Haasse heeft ‘zij’ gecorrigeerd tot ‘Zij’.
Voor zover mij bekend niet eerder gepubliceerd.

Anders dan bij Vasalis is in deze eerstelingen en in Stroomversnelling (1945) weinig natuurlyriek te vinden. Het proza van Oeroeg geeft wèl veel ruimte aan natuurbeschrijving. Kinderen en oudere volwassenen spelen in de gedichten tot en met Stroomversnelling nauwelijks een rol. Het zijn gedichten die binnen de leefwereld van de jong-volwassene die HSH was, blijven. God of vagere religieuze voorstellingen spelen tot ca. 1943 geen rol. Maar deze gedichtenbundel getuigt van een plotselinge grote verandering in dit opzicht die Haasse’s denk- en gevoelswereld gedurende een jaar of tien heeft beheerst.

*    *    *    *    *    *    *    *

Frits (Frederik Willem) van Heerikhuizen (kort FvH) is geboren op 5 aug. 1910 te Enschede, studeerde Nederlands in Amsterdam, was leraar in Goes en Bussum, en is overleden op 18 febr. 1969 te Velp. Hij begon als dichter met de bundels Tussen twee zomers (1936) en De Poort (1940). In zijn bloemlezing Stille Opmars (1942) nam hij naast vijf gedichten van Vasalis ook vijf gedichten van Hella Haasse op. In besprekingen werd de bundel wel Stille Opmarsch (!) genoemd. De bloemlezing bevat gedichten uit 1931-1941. Sommige zijn voor het bezette Nederland in 1942 een beetje gewaagd, wellicht dat FvH daarom zijn eigen informatieve Verantwoording, een essay van 36 blz. vooraf liet gaan door een lang citaat uit Hugo von Hoffmannsthal, waarin “ein strengeres, männlicheres Gehaben”, “Tapferkeit”, “grimmige Festigheit”, “Fanatisches und Asketisches” de toon zetten. Maar die titel alleen al is een verzetsdaad, de Stille Opmars van een groepje dichters tegen een Duits tankleger! — Wat betreft de pedante bespreking van Klaas ‘Paus’ Heeroma in De Gids, 1942, beperk ik me tot het vermelden ervan.

Van Heerikhuizen schreef in 1942 het vers ZIJ . . . (verzenbundel In afwachting. Verzen. Bayard Pers 1944) :

Zij wachten of de beulen zullen komen
Terwijl het verre tramgegons verstilt.
De stad, hun als een mantel afgenomen,
Werd een luchtledig waar geen mensenroep in trilt.

Veel laten zich hierin gewillig leiden.
De treinen rollen – niet door Nederland,
Door Duitsland niet ; zij voelen slechts het rijden
Door tunnels zonder kaatsing van een wand.

En die ontkomen zijn weer vreemdelingen,
Gedulden aan voor hen gesloten dis.
Zij horen vogels in de tuinen zingen,
En weten niet meer waar hun leven is.

In afwachting is een bundel die men niet snel terzijde legt. In mei 1945 kwam FvH met De nieuwe Elckerlyc, een symbolisch spel (Bayard / Kroonder), hij woonde toen in Bussum. Graag noem ik nog In het kielzog van de Romantiek. Studies over nieuwe Nederlandse poëzie, Kroonder, Bussum 1948, en Spiegel der eeuwen. De Nederlandse letterkunde en haar ontwikkeling (1949). Later is hij op Van Schendel gepromoveerd.

                                                

 G. H. ‘s-Gravesande in Het Vaderland, 3 oct 1942.
‘Nieuwe Bloemlezingen op voorbeeld van Coster’.

De oorlogssituatie en de Kultuurkamer brachten een caesuur in het schrijven en uitgeven van poëzie aan. Tijdschriften werden opgeheven. Een van degenen die vooruitdachten naar de literaire wederopbouw na de oorlog was Frits van Heerikhuizen, die in 1940 nog even aan Criterium meegewerkt had. Reeds in 1942 kwam zijn bloemlezing Stille opmars uit, waarin hij de nieuwe generatie in Nederland aan het woord liet. Zijn bespreking van Haasse’s Zelfportret die hier volgt is nog altijd lezenswaard.

Een ‘zelfportret’ van Hella Haasse
Het nieuwe boek van Hella S. Haasse (Zelfportret als Legkaart, 1954) is bijzonder belangwekkend, terwijl ik er toch heel wat critiek op heb. De schrijfster heeft na haar drie romans de behoefte gevoeld zich nu eens onvermomd te uiten, en zich in directe vorm rekenschap te geven van het eigen ik en de wereld waarin het leeft en gegroeid is. 

F.W. VAN HEERIKHUIZEN, knipsel 11 dec. 1954 [uit cultureel bijvoegsel van Het Parool?]

 

[…] Hermans was al in 1942 ontdekt door een zekere Frits van Heerikhuizen. Die was leraar Nederlands in Bussum en stelde een bloemlezing van de Nederlandse poëzie samen. Daarin deed hij een oproep aan jonge auteurs om werk in te zenden voor een volgende uitgave. Ook Hermans zond gedichten in. Van een tweede uitgave is het nooit gekomen, maar Heerikhuizen kwam in de zomer van 1944 in contact met een groep Utrechtse studenten die het clandestiene blad Parade der Profeten uitgaf in een oplage van twaalf exemplaren. Een van de redacteuren was Ad van Noppen, die fanatiek op zoek was naar talent. Heerikhuizen heeft Van Noppen toen geadviseerd contact op te nemen met Hermans. Ongeveer tegelijkertijd kwam Van Noppen ook bij Charles B. Timmer thuis. Ook die wees hem op het werk van Hermans. Van Noppen had wel oren naar het werk van deze jonge dichter en nog in augustus van dat jaar verscheen Hermans’ poëziedebuut in Parade der Profeten.
De Groene, woensdag 17 april 1996, ‘Biograaf gezocht’.

 

Studietijd, Excours

Inline afbeelding 1

Algemeen Handelsblad 15 aug 1938

Inline afbeelding 2  Nieuwsblad van het Noorden 16 aug 1938

Hella Haasse arriveerde 16 aug. 1938 in Rotterdam. Ze zal even in Utrecht, Baarn of Bilthoven gebivakkeerd hebben op het adres dat vader Willem ongetwijfeld voor haar geregeld had. Al of niet ingeschreven bij Universiteit en BS Utrecht zocht ze kamers in Amsterdam, want ze had besloten de geplande studie Nederlands in Utrecht voor Scandinavische talen in A'dam te verruilen. Ze vond domicilie in het pension voor meisjes uit de gegoede stand van mevr. Hora Adema aan de De Lairessestraat nr. 3, hoek van Baerlestraat, in Amsterdam. Vanuit haar erker keek ze recht op het Concertgebouw.

Inline afbeelding 1

Gezinskaarten 1893-1939, invent. nr. 5422-0516-5520. Stadsarchief Amsterdam

Rechts onder 'Aanmerkingen' schijnt te staan : Pas [geldig] tot .. juli '41 | stud. bng. Letteren | in geb. acte.

Alle klachten over eenzaamheid, vreemd land en noem maar op ten spijt, zette Haasse haar leven zoals ze dat in Batavia leidde, mutatis mutandis gewoon voort. Ze regisseerde en speelde toneel bij het studententoneel, zo bij de A.V.S.T.V. Kothurne in Meisjes achter tralies, toneelspel in vier bedrijven van Gina Kaus, ten bate van de Vereeniging ‘Pro Juventute” te Amsterdam, op 1 maart 1939. Haar collegebezoek was schaars. In ‘Meisjes achter tralies’ (Prison sans Barreaux) hadden Hella en Douwe Radsma (Ratsma volgens het programmaboekje) beiden een rol. Ook C. Roselaar speelde mee (bedoeld zal zijn G. (Greetje) Roselaar oftewel Luisa Treves). Zij was eerstejaars Spaans, woonde Rubensstraat 8 en was lid van het dispuut Witlan. De regie was in handen van Dr. B. J. van Eyck. Voor de opvoering had men het Centraal Theater in de Amstelstraat gehuurd. Op 22 maart 1939 vond een heropvoering van ‘Meisjes achter tralies’ plaats in het Rika Hoppertheater aan de Plantage Middenlaan, wederom ten bate van Pro Juventute.

Na een jaar begon een verhuiszwerftocht door Amsterdam, die althans volgens de BS niet veel adressen bestreek. Op 6 sept. 1939 verhuisde Hella naar Prinsengracht 704hs, op 18 mei 1940 naar Zomerdijkstraat 28”’.
   Sonia Gaskell en haar man woonden op nummer 26”’. Op de begane grond hadden Albert Mol en Wilhelmina van Amerongen een dansstudio. Op nr. 22 woonden Gerrit Jan en Louise van der Veen. Theo Swagemakers zat er, Federico Carasso en andere bekende kunstenaars.
   De Zomerdijkstraat is vooral bekend door het gebouwencomplex op de nummers 16-30, dat bestaat uit diverse typen atelierwoningen die fungeren als woon-werkruimte voor beeldend kunstenaars. Dit complex was het eerste in zijn soort in Nederland. Het werd in de jaren 1932-1934 gebouwd, met een skelet van staal, en werd al gauw het Montparnasse van Amsterdam genoemd. Sinds 1988 is het een rijksmonument. In 1940 lag het aan de rand van de stad, bij de Rijnstraat. Ik herinner me het atelier van Swagemakers in de jaren vijftig. De beeldhouwer en verzetsman Gerrit Jan van der Veen heeft 1938-1943 op nr. 22 gewoond. Na hem Jan Wolkers en Paul Grégoire.
Litt:
– Mariëtte van Stralen, 1989, Atelierwoningen Zomerdijkstraat 1932-1934.
 – J.B.J. Teeuwisse, Montparnasse in Mokum. Wezelaar statuaire. FGw: Instituut voor Cultuur en Geschiedenis (ICG), 2004. UvA-DARE, the institutional repository of the University of Amsterdam (UvA), uvapub:27162. http://hdl.handle.net/11245/2.27162

In 1938 liet ook Jo (Hannie) Schaft zich aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam inschrijven. In de wereld en vooral in Europa heerste grote spanning. Hitler bezette Oostenrijk en Sudetenland en kreeg Tsjecho-Slowakije in ruil voor een ‘verdrag’ met Engeland en Frankrijk in München. Hannie (Jannetje Johanna) Schaft werd lid van het de AVSV en het dispuut Pan. In de groentijd leert ze medestudente Annie van Calsem kennen. Die vertelde: “Ik moet zeggen dat Jo zich in de groentijd vooral erg sportief heeft gedragen, hoewel dat gedoe helemaal niet in haar straatje lag. Maar ja, ze heeft al die rituelen en plagerijtjes, malle opdrachten ook, over zich heen laten komen en dat heeft best wel wat voor haar betekend. […] We ontmoetten Hella Haasse die het grappigste verslag van ons allemaal inleverde, er is geroeid op de Amstel en we hebben paard gereden.” (Ton Kors, Hannie Schaft, 1976.)

Op 9 juli 1940 verhuisde Hella naar Singel 301hs, op 20 sept. 1941 naar Leidschegracht 14hs. Aan de Leidsegracht 14 was ook het dispuut Viator gevestigd. In 1939 was daar gevestigd de Sociëteit van het Studenten Corps aan de Vrije Universiteit. Op 16 oct. 1941 kreeg Hella een PB (177120), op 10 mrt 1942 verhuisde ze naar Frans van Mierisstraat 89”rd. Alles in Amsterdam Centrum, behalve de Zomerdijkstraat.

 



                                                        Excours

Inline afbeelding 7Inline afbeelding 6
          Noord-Hollands Archief

Op 6 aug. 1942 liet Hella zich om onbekende reden in Haarlem inschrijven, Nieuwegracht 86. Haar uitschrijving uit Amsterdam en de inschrijving in Haarlem staan op de BS-kaarten. Vreemd genoeg schrijft ze in Zwanen schieten en Zelfportret als Legkaart dat ze doorlopend in Amsterdam woonde. Geen woord over 16 maanden Haarlem. Hooykaas heeft haar in juni 1943 aan de De Lairessestraat 3 bezocht, en zij schrijft hem op 7 juni vanaf dat adres. Hij antwoordt naar hetzelfde adres op 9 juni. Elisabeth Andersen bezocht Hella ‘ergens in de Concertgebouwbuurt’, dacht ze. In de Joh. Verhulststraat ? Maar daar woonde Jan van Lelyveld !

Op een los blaadje staan de dichtregels :

■   ■   ■       2 cpl van 4 r

♡   ♡   ♡   ♡   ♡   ♡   ♡   ♡     Inline afbeelding 8      Douwe en Hella.  Coll. Is. Radsma

 

Wat had Hella in Haarlem te zoeken terwijl ze aan de Toneelschool studeerde? Had ze Douwe daar laten onderduiken en gebruikte ze Wim Hora Adema als postadres:? Denk het niet. Ze was vaak niet aanwezig bij de lessen, de school schorste haar zelfs, en medeleerling Elisabeth Andersen werd erop uitgestuurd om haar te overreden terug te komen. Dat zal aan de F. v. Mierisstraat geweest zijn. Oma Cor vermeldt in haar oorlogsdagboek (door Wim in het Engels vertaald) dat Hella zomer 1943 voor ƒ 24,50 een pond boter kocht voor Douwe Radsma, een “political prisoner”. Zat Douwe Radsma dan als politiek gevangene (verzetsman) in de gevangenis van Haarlem? Nee. De Ned. gevangenisadministratie van Haarlem vermeldt het niet en de Duitse is sowieso verdwenen. Vaststaat dat hij minstens tweemaal gearresteerd is, de eerste keer voor een bagatel (Sperrzeit). De laatste keer bracht hem in de A’damse gevangenis naast het Stadion. Hella bracht of stuurde Douwe daar ook foto’s.
   D
e twee foto’s van Hella in toneelkostuum heeft Douwe op 7 juli 1943 ontvangen in de gevangenis Amstelveenscheweg cel B2/18. De foto con amore is ontvangen op 25 aug 1943. Aldus notities op de achterkant van de foto’s. Zij heeft dus in die zomer meerdere malen met Douwe in de gevangenis contact gehad, per bezoek of per post. Dit is de zomer waarin ook Jan gevangen zat en Hella in Haarlem woonde.
    Zou ze Jan, over wie ze tegen Elisabeth Andersen zo geklaagd had, ook hebben bezocht? Daar is niets over bekend. Dat ze met hem getrouwd is, is mij een raadsel.

Inline afbeelding 1                               Inline afbeelding 1

schooljaar 1935-1936, IV gym            Hella Haasse (l.), … , … , Marianne Mijsberg (r.), Douwe Radsma, 1938

CAS-Archief

April 1942
Ongepubliceerd. Titel mag niet getoond worden.
■   ■   ■         7 cpl van 4 regels        (LM)
  ■   ■   ■
 

Dit is een ander Eis Daimona dan in Noordzij 1956 staat. Daar heeft de schrijfster een zeker evenwicht gevonden. In het volgende gedicht (oct 1942, Amsterdam – ze stond toen ingeschreven in Haarlem) noemt Hella zichzelf ziek.

Voor J. v. L.

Nu heb ik alles uitgeroeid

■   ■   ■        October 1942.  (LM)

 

■   ■   ■

zelfkastijding  gecorrigeerd uit  van strijd en wanhoop

Inline afbeelding 1
Politierapporten 40-45 NL-SAA-20069003, Stadsarchief Amsterdam

POLITIERAPPORT Zaterdag 4 oct 1941 (Amsterdam)
V.m. 12.30.     De A.p.s K….. en vdG….. brengen van uit de Fr. Halsstraat [politiebureau] E. Freese, C. Beek, R. Franken, Rubensstraat 55, en 4e, Douwe Lukas RADSMA, geb. te Mr. Cornelis, 23-10-20, z.b. won. N. Witsenkade 22 huis, allen t/z het Uitgaansverbod. [z.b. = zonder beroep, t/z = ter zake]. Twee jongens en twee meisjes gingen een avondje stappen.

★ Lees hier de berichten over Douwes bevrijding ★

De tweede keer in Amsterdam was ernstiger, Douwe werd in het Huis van Bewaring II gezet (A’veenscheweg) en vandaar naar kamp Amersfoort (inl. van zijn dochter Isabella) gebracht. Hij zou in Berlijn tewerkgesteld worden maar heeft op weg naar Duitsland in Enschede weten te ontsnappen, geholpen door dispuutgenoten die (medisch studenten) zijn bewaker met morfine in de koffie verdoofden, de kaalgeschoren gevangene een pruik opzetten en een fiets voor hem regelden. Nadien sloot hij zich weer bij het verzet aan. Het Medisch Contact coördineerde het massale verzet van artsen en medisch studenten. Douwe Radsma lijkt een vergeten verzetsstrijder te zijn, al was hij weinig spraakzaam over zijn activiteiten. Vergelijk in Haasse’s nogal autobiografische cabaretliedjes deze regels uit Yvonne de spionne :

‘k doe morphine in zijn wijnglas / sluip voorzichtig uit zijn tent …
Dat kan je alleen presteren / als je onopvallend bent.

En in wat voor pand woonde Hella? Wat betreft deze vraag, ze was geen hoofdbewoner. Op Nieuwegracht 86 te Haarlem was dat in de jaren 1939-1940 (tot 1943?) de weduwe van de arts Dr K. Prins-Achenbach, en in 1942-1943 de weduwe J. Waller Zeper. Ook zij was weduwe van een arts. Hella verbleef in Haarlem in een pand waar weduwen van artsen woonden, die kamers verhuurden. Op nr. 86 woonden ook een of meerdere verpleegsters. Op nr. 88 werd een inrichting van de Ned. Herv. Kerk gehuisvest en nummer 90 diende sinds 1939 als wijkgebouw van “Het Witte Kruis”. Op zeker ogenblik is Hella in de inrichting “opgenomen”, zo heet het op de bewonerskaart. Het zou om een indertijd zo geheten ‘zenuwinrichting’ kunnen gaan, maar ook om een ander soort inrichting. Er werden alleen vrouwen geplaatst in INR 88, een uitzondering daargelaten (ondergedoken verpleger, conciërge?). Hella was ambulant ‘patiënt’ of ‘bewoner’. Vermoedelijk ná Hella’s ontslag (6 dec. 1943), wellicht zelfs pas na de oorlog is er op een bewonerskaart getypt “Flatgebouw Arioso, 86zw en 86 rd, hoofd [mej.] T. Valkman, beheerder W. F. Kruijer”. Mogelijk werd een uitbreiding gerealiseerd aan het vlakbijgelegen Kenaupark. De toeloop werd geleidelijk groter. De administratie, voorzover bewaard, geeft weinig duidelijkheid omtrent de gebouwen – het was oorlogstijd – en op sommige kaarten staan notities die van na de bevrijding dateren. Over Arioso is verder niets te vinden. Wel over sommige bewoners. Hella vond na 6 dec. 1943 onderkomen aan de Keizersgracht 641 te Amsterdam. De inrichting is in 1947 opgeheven.

Inline afbeelding 1

Inline afbeelding 1

Inline afbeelding 1

“Overgebracht en voortgezet op [formulier] Inr. 88, 25 Sep ’43”. Noord-Hollands Archief

Inline afbeelding 2

Uitsneden uit Bewonerskaarten Nieuwe Gracht 86 en 88 Haarlem, periode 1941-1944, Noord-Hollands Archief, Haarlem.

– Henriëtta Moffie, een joodse verpleegster, geb. 26 sept. 1905 te Amsterdam, kwam op 10 sept. 1940 van Schotersingel 127 naar de Nieuwegracht 86zw. De bewonerskaart vermeldt “12 juli 1943 v.o.w.” De betekenis van v.o.w. is treurig duidelijk : vertrokken onbekend waarheen. Ze stierf op 23 april 1945 in Bergen Belsen, 39 jaar oud.

– Judith Elisabeth Gerhardina van Delden (*4 dec. 1878, Meppel), huwde 24 aug. 1910 Marius Frans Philip Waller Zeper in Kansas City, Missouri. Hij stierf in 1924, ze is toen naar Nederland (‘s-Gravenhage) gekomen. Judith E. G. Waller Zeper kwam 23 sept. 1940 van Gaelstraat 8 naar Nieuwe Gracht 86, vetrok 17 sept. 1942 naar Jordensstraat 67. Zij heeft de oorlog overleefd en is naar de USA teruggekeerd. Ze was vertaalster en heeft gedichten geschreven : Uit den vreemde, gedichten van Judith van Delden (ook in overdruk uit het tijdschrift ‘Nederland’, z.j.).

– Blaauw, Cornelia Gerhardina (1903-1996), kwam 4 juli 1940 van Schotersingel 127rd naar Nieuwegracht 86 en verhuisde op 7 jan. 1941 naar Nieuwegracht 110. Op 6 sept. 1941 ging ze naar Fr. Halsstraat 18.

“When the war broke out, Cornelia Blaauw, known as Corrie, was in charge of an infant care center in Haarlem. She was soon approached by an underground worker and asked if she would shelter a Jewish nurse from Amsterdam. Corrie agreed. In 1943 the nurse asked Corrie if her seven-year-old nephew, Ronald, could also come and hide with her and her friend Jacoba van Tricht, with whom she had shared a house. Ronald was also taken in without hesitation. Later she was asked if she would shelter a child soon to be born and Corrie again agreed to do so. At the end of May 1943 Corrie and Jacoba traveled to Amsterdam to pick up four-week-old Nico Visjager. Nico’s parents insisted that they were young and strong and would be able to survive the atrocities if only the baby could be hidden. However, his parents were apprehended and perished in Sobibor. In August 1943, Corrie took a short vacation out of town and put Nico in the care of another day center, where she knew the director personally. Nico’s name was not listed in the center’s files in order to avoid detection should the Germans inspect the center.
   However, a German raid did actually result in Nico’s being found out and he was due to be deported. Corrie was informed immediately and rushed back in order to present herself as the unmarried mother of the infant, whose father, a German officer, had gone to the eastern front. Corrie claimed that she had not registered the baby because she feared losing her job and that she could prove she had been on sick leave. She insisted that her housemate, a maternity nurse, had assisted with the birth in their home. After an intense effort, the police were eventually brought around to accepting Corrie’s story. Following the incident, Corrie registered the baby in her name, but only after she was rebuked by the civil servant on duty for her inexcusable conduct. After the war, when it became clear that Nico’s parents had not survived, he was officially adopted by Corrie. In September 1943, Corrie also brought a six-week-old infant to the nursery. Like Nico, this child too stayed until the end of the war, when she was returned to her parents.
   On May 31, 1966, Yad Vashem recognized Cornelia Gerhardina Blaauw as Righteous Among the Nations”.

Lees hier het artikel

Het ‘Sterhuis’ op Nieuwegracht 100-102 was een huis voor het begeleid wonen van meisjes, gesticht door de Vereniging Union te Haarlem. Sommige werden naar Nieuwegracht 86 overgebracht. Aan het Sterhuis was een inlichtingenbureau voor vrouwen en meisjes verbonden. Litt. Tony Lindijer, De Unionafdeling Haarlem: ‘een veilige omgeving voor meisjes’, Haarlem 2011. Beschrijving van de geschiedenis van de afdeling Haarlem (1896-2011) van de Nederlandsche Vereeniging ter Behartiging van de Belangen der Jonge Meisjes ‘Union’, die is voortgekomen uit de Union Internationale des Amies de la jeune Fille (opgericht in 1877). De Nederlandse tak, de Ned. Ver. tot B. van Jonge Meisjes ‘Union’, werd in 1882 opgericht en was gevestigd te Utrecht. De grondslag van de vereniging is het Apostolisch Christendom volgens de Heilige Schrift. Haar motto is ‘Dient elkander door de liefde’. De Haarlemse STICHTING Union begon haar werk in 1932.
   Volgens de statuten uit 1933 was het doel van de vereniging zich de belangen aan te trekken van elk jong meisje, dat raad of leiding nodig heeft, zonder onderscheid van nationaliteit, kerkgenootschap, beroep of stand. De vereniging trachtte dit doel te bereiken door o.a. het stationswerk, het stichten en onderhouden van inlichtingen- en bemiddelingsbureau’s en het oprichten van tehuizen, clubhuizen en eventuele andere inrichtingen ten bate van jonge meisjes.
   Op nr. 90 woonden H. A. Hooreman en zijn vrouw E. L. M. M. Böhme. Hij was badmeester in het badhuis. Zij was van Duitse afkomst.

Op Nieuwegracht 96 hebben volgens de woningkaart in ‘1942-’43 gewoond: Tjeerd, Mintje, Ate en Jacob (Koos) Wieberdink. Koos studeerde medicijnen aan de GU in Amsterdam. Tjeerd (Tjeerdo genoemd) Wieberdink (arts/chirurg) was op 8 juli 1915 in Amsterdam met Mintje van der Meer (kinderarts) (geb 21 nov 1887 te Amsterdam) getrouwd. Ze zijn op 10 juli 1915 naar Batavia vertrokken. Na de gebruikelijke verlofperiodes kwamen ze in juli 1933 definitief naar Europa terug. Het echtpaar had twee zonen: Ate, *1917 Weltevreden, †2006 in Waalre, en Jacobus (Jacob / Koos), *1918 Batavia, student medicijnen A’dam GU, †2009 in Kudelstaart. De families Radsma, Wieberdink, Mijsberg en Eggink kenden elkaar goed. De oudste dochter van Mijsberg, Marianne, deed tegelijk met Hella Haasse en Douwe Radsma eindexamen op de CAS.

Uit deze moeizaam opgediepte en onvolledige informatie blijkt dat Hella Haasse een kamer had in een rijtje verzorgingshuizen die qua functie het gebied tussen ‘Blijf van mijn lijf’, psychologisch/psychiatrische hulpverlening, medische zorg en onderduik bestreken. Wat Hella hier zocht kan hulp bij een miskraam of abortus geweest zijn, en/of ondersteuning bij de psychische problemen waarmee ze kampte. — De familie Alofs had incidenteel contact met de familie Van Lelyveld. De vader van Helle Alofs en Jan van Lelyveld waren alle twee aan de Haagse rechtbank verbonden. Een broer van Helle Alofs bezat een schilderij waarin Hella Haasse zeer geïnteresseerd was. Het kwam tot een transactie. Alofs kon haar scriptie over Haasse niet persoonlijk aan Haasse overhandigen omdat ze de volgende dag in Kopenhagen haar baan als lector aan de universiteit moest aantreden. Haar moeder bood aan dat in haar plaats te doen. Dat is gebeurd, en beide vrouwen hebben samen een middag zitten huilen. Alofs meent wel te weten waarover. Wij ook.
   Hier zij aangehaald wat Haasse in het Groene-interview met Rinskje Koelewijn (18 feb 1996) gezegd heeft : “Het huwelijk werd gesloten op 18 februari 1944. Er waren wel methoden om zwangerschap te voorkomen, die gebruikten we ook, maar het werkte niet altijd. Precies negen maanden na het huwelijk werd Chrisje geboren. Het was de vooravond van de hongerwinter. ”
   Chrisje werd 11 nov '44 geboren. De hongerwinter was al begonnen.

Inline afbeelding 1 Registratiecode: VFADNL145068 – blad 4, CBG.   Tjeerdo Wieberdink (arts/chirurg) getrouwd met Mintje Wieberdink van der Meer (kinderarts, * 21 nov 1887 te Amsterdam) getrouwd op 8 juli 1915 in A’dam.
Op 10 juli 1915 naar Batavia vertrokken. In juli 1933 naar Europa teruggekomen (tussentijds met verlof geweest). Zonen:
Ate geb 1917 Weltevreden, overl 2006 in Waalre.
Jacobus (Koos), *1918 Batavia, † 2009 Kudelstaart.

De oudste zoon van Tjeerdo, Ate, trouwde met Gisela Söhnlein. Zie VN 18 jan. 1986 De creche 1942-1943 en diverse interviews op radio, tv, internet en in kranten / tijdschriften over het redden van joodse kinderen uit de Hollandsche Schouwburg. Uit wat na de oorlog bekend is geworden over de verzetsgroep waaraan de componist Nico Richter heeft deelgenomen, blijkt dat die nauwe banden had met studenten aan de medische faculteit.
   At the end of March, the resistance attack on the Amsterdam registry office, to destroy the files, took place and the prisoners heard about it. At that time it was occasionally possible to communicate with the outside world. Nico sometimes received letters and packages from home. Towards the end of his time in Vught his fellow-prisoner Cor Dommelhuizen was released and managed to smuggle a few uncensored letters and documents of Nico’s out to his family. They were lost in the course of the war.


        Inline afbeelding 1                   Inline afbeelding 3
De zoon, Douwe Radsma, in 1938 op de CAS (CAS archief), en zijn vader, Wietse Radsma (Telegraaf 26 maart 1927)

Toen Douwe in Amsterdam in het Huis van Bewaring II zat, gaf of stuurde Hella hem foto’s als de onderstaande, waaruit hij kon concluderen dat hij zich over haar geen grote zorgen hoefde te maken. In Juli 1943 schreef Oma Cor in haar oorlogsdagboek (vertaald door Wim, het origineel is zoek) : “Have not been able to buy vegetables for weeks. Received some occasionally from friends who have their own vegetable gardens. Hella paid ƒ 24,50 for a pound of butter which she bought for Douwe Radsma, who is a political prisoner and does not get much food in jail. She had to pay six guilders to have the heel of her shoes repaired”.

   Inline afbeelding 1              Inline afbeelding 2

   Hella als Sanderijn in Lanceloet van Denemarken                  Hella als Antigone (Sophocles) 
   Eindexamen Toneelschool 1943                                         Eindexamen Toneelschool 1943  
    Foto Fritz Karbasch, A'dam '43. Bij beide foto's staat achterop: Cel B 2/18 - Ontvangen de 7 juli 1943 in de Duitse    afdeling der strafgevangenis Amstelveenscheweg Amsterdam.

    Inline afbeelding 3         Inline afbeelding 4

 

Achterop staat :
25 augustus 1943 Amstelveenscheweg
Onderaan :
Voor Douwe van Hel. (con amore)

Alle 4 foto's coll Is. Radsma

Op de achterkant staat geschreven :
Dit is een portret dat kortgeleden gemaakt werd. De belichting is een beetje mislukt, maar het lijkt wel. Als je 't erg lelijk vindt mag je 't terugsturen, maar dan moet je een hele tijd wachten voor je wéér een "officiële" foto van mij krijgt. Ik word haast nooit gekiekt, zie je. Dag!

Groepsfoto : Vergadering van het Bestuur op 29 October 1925 te Weltevreden ter herdenking van het 75-jarig bestaan der Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indië. Aanwezig: Dr. H. C. Berlage, Dr. J. Boerema, Dr. C. Braak (voorzitter), Prof. Dr. J. Clay, Mej. L. S. D. Merkus, Dr. W. Radsma, F. C. A. Schulte en Dr. T. Wieberdink. Wietse Radsma en Tjeerdo Wieberdink werkten in deze periode tezelfdertijd als arts in Batavia.
   Zowel Wieberdink als Radsma doceerden later aan de artsenopleiding NIAS te Soerabaja. Wieberdink ging weg in 1933 en Radsma begon er in dat jaar. Koos volgde daar de 5-j HBS maar ging in 1933 met zijn ouders naar Nederland. Hij was toen 15 jaar. Daarna is hij tijdens zijn middelbare schoolperiode niet meer in Indië geweest.

Inline afbeelding 2
Batav. Nieuwsblad 25 febr. 1938.

Douwe Lukas Radsma is geboren in Meester Cornelis bij Batavia op Java op 23 oct. 1920. Hij trouwde op 10 sept. 1953 met Elisabeth Margaret van der Hoeven (*1915 Amsterdam), en is overleden in het Gettysburg Lutheran Retirement Village, op 20 mei 1997. Zijn ouders waren Wietse Radsma (*16 sept. 1893 Hoogeveen, stud. Groningen, dr. med.) en Jantje van der Veen, gehuwd in 1919. Wietse Radsma werkte sinds 1920 in Batavia als leraar physiologie en pharmacologie aan de School tot opleiding van Indische artsen.

      Inline afbeelding 3

                     Bataviaasch Nieuwsblad . oct 1920                    Bat Nbl 17 mrt 1934

Na terugkeer van zijn verlof in 1927 werd Wietse benoemd tot hoogleraar aan de Geneeskundige Hoogeschool in Batavia. Hij liet zijn zoon Douwe aan de CAS in Batavia studeren.

Om verwarring te voorkomen : Een naamgenoot van Radsma, met de voornaam Douwe, voetbalde in het Haarlemse HFC, glorieerde in de jaren ’20, speelde ook internationaal. Dreef rond 1936 in Medan een obscure handel in ‘biochemische geneesmiddelen’, radiumbekers, ‘radiumcompressen’, haargroeimiddelen e.d.

De Carpentier Alting Stichting (CAS) begon in 1902 met een pensionaat en 3j-HBS voor meisjes, maar beheerde na een kwart eeuw verschillende scholen, zoals een Lagere School voor jongens en een voor meisjes, een H.B.S. (dito j/m, 3- en 5-j.), een lyceum en een gymnasium. Een beter scholencomplex heeft in de 20ste eeuw in het Koninkrijk der Nederlanden niet bestaan. In de gedenkboeken van de CAS staan Hella en Douwe op foto’s dicht bij elkaar. Ze waren in 1938 een paartje, als je de foto in het laatste gedenkboek ziet, een koningskoppel. Eerder hadden ze samen op de planken gestaan in het toneelstuk ‘Don Quichot op de Bruiloft van Camacho’ van Pieter Langendijk, gespeeld door leden van de Litteraire Club (Elcee) van ’t Lyceum van de CAS, waarin beiden een hoofdrol vervulden en Marianne Mijsberg meespeelde. Hella slaagde voor Gymnasium alpha, Douwe voor bèta. D. L. Radsma reisde volgens het Nieuws van de dag voor N.I. van 8 aug. 1938 met de Sibajak naar Rotterdam. H. S. Haasse was op 20 juli al met de Baloeran vertrokken.

Wietse Radsma (*16 sept. 1893, Sloot bij Hoogeveen, zoon van Douwe Radsma en Jitske de Jonge, studie geneeskunde in 1919 cum laude afgesloten) trouwde op 24 dec. 1919 te Groningen met Jantje van der Veen (*5 jan. 1895, Groningen). Ze gingen naar N.O.I., waar Wietse tot professor biochemie en histologie aan de Geneeskundige Hoogeschool in Batavia benoemd werd, en kregen volgens de BS van Amsterdam de volgende drie kinderen : Douwe (*23 oct. 1920, Mr. Cornelis), Lukas (*15 aug. 1924, Batavia) en Jitske (*29 mei 1927, Amsterdam, tijdens eerste verlof). Op 19 sept. 1934 kwam het gezin weer met verlof naar Nederland – Wietse was inmiddels hoogleraar – en verbleef tot 5 juli 1935 in Amsterdam, eerst in het Museumpension aan de Stadhouderskade, daarna in pension Repko aan de van Baerlestraat. Het schijnt dat de tweede voornaam van Douwe (Lukas) op de BS-kaart vergeten is.

Registratiecode: VFADNL049490 – blad 143, CBG.

De Radsma’s in het Noorden.
Andere tak van de Radsma’s, wschl joods, maar uit hetzelfde hout gesneden. — Op zaterdag 3 november 1944 werd door de bezetter in Sneek een razzia gehouden. Er werd gezocht naar mannelijke inwoners die tewerkgesteld moesten worden bij de Duitse verdedigingswerken in Drenthe. Bij een inval werd de toegangsdeur van de synagoge, destijds gevestigd aan de Wijde Burgstraat (nr. 9), en het interieur inclusief de glas in lood ramen vernield. In de daar op volgende nacht gingen de politiemannen D. J. Brouwer en G. Duits het gebouw binnen om te kijken of er nog iets te redden viel. Alles wat nog van waarde was, werd gebundeld en over de muur gegooid die de plaats achter de synagoge scheidde van de tuin van de familie Radsma. Daar werden het opgevangen door Jakob Radsma (1891-1963), loodgieter en installateur van gas- en waterleidingen, die lid was van dezelfde verzetsgroep als de agenten.
   Radsma en zijn dertienjarige zoon Tabe (1931-2016) verstopten de kostbaarheden in de kelder van het naast de synagoge gelegen belastingkantoor, waarvan mevrouw Radsma conciërge was. Na de oorlog werden de goederen overgedragen aan de landelijke vertegenwoordiger van de Joodse gemeenten.
   Radsma woonde in de dienstwoning van de rijksbelastingen, waar hij conciërge was. Het huis van de familie Radsma was toegankelijk via de steeg aan de gedempte Pol, tussen een winkel en de achterkant van C&A. Net als politieman Brouwer maakte hij deel uit van de verzetsgroep Lever. Radsma had e.e.a. dus weten te verbergen, maar hij was verdacht. Op 15 januari 1945 doorzocht de Sicherheitsdienst het huis van de familie Radsma grondig en liet het vervolgens slopen. Het gezin wist bijtijds te ontkomen. De kostbaarheden uit de synagoge werden niet gevonden. Vader Jacob Radsma ontsnapte en leidde sinds die dag het zwervend bestaan van zovele actieve onderduikers. Moeder en zoon kregen op een boerderij in Ysbrechtum onderdak. Een deel van de geredde inventaris van de synagoge is via de Joodse gemeente in Leeuwarden naar het Israëlische jeugddorp Kvar Batya te Raänana gebracht.

 

Isabella Radsma schrijft ons
“How different was life in these years for my distinguished grandfather! In fact, he was in Batavia during the invasion, and was immediately imprisoned by the Japanese, as other men of high rank were, in the small changing cabins of the country club swimming pool, until the camps were built, upon which time he was transferred to a camp. While in the cabin, he was allowed to have his medical books brought to him by his wife, so he could brush up on practicing medicine again, which he did in the camp, to the great gratitude of his fellow prisoners. In the meantime, his wife and 2 younger children were forced into camps as well, and suffered greatly, especially Lukas, who was tortured by the Japanese and had to bear PTSD all his life from these experiences. My grandmother almost died in the camp but was liberated just in time, and recovered. The children went to Holland but my grandfather resumed his teaching and research in Batavia, and was appointed president of the medical school. When Indonesia became independent in 1949 they asked Wietse to stay another year to help work in his successor. At last, in 1950, he was repatriated to Holland, after being awarded the great honor of being made a Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw by the queen. (I used to play with his medals as a child, but I was most impressed with the one from King Bao Dai of Indochina, as the ribbon held an enormous metal Dragon – most exciting!)”.

   Back in Holland, Opa was appointed to teach biochemistry again at Amsterdam University. He finished his textbook on Physiological Chemistry and it was widely used by medical students in Nederland. He retired from teaching in the early 60’s but continued to work at home at 106 Rubensstraat for Acta Biochemica, a multivolume textbook published by Elsevier. I remember visiting him in his late 70’s and he was still active, translating medical and scientific articles from German, French, and English into Dutch — he was, among his other talents, a gifted multilinguist. Wietse lived there quietly until he fell ill and my father took him to live with my parents in their house, but he died just a few weeks later, one day before his 84th birthday. […] I love that you have included so many pictures and am gratified that I was able to provide a small handful of them. Hella was such a sensitive, talented, and beautiful person, and yet so down to earth. I really enjoyed the times I met her and found her to be very warm and gracious to me.[…] Your work will help the world to remember her and assure that her lovely poetry will have an audience”.

—  —  —  —  —  —  —  —  —  —

Douwe nam na aankomst in 1938 zijn intrek aan de Prinsengracht 708 in Amsterdam (tel. 33708), en liet zich aan de G.U. inschrijven (medicijnen, evenals zijn vader). Hij werd corpslid van de I.S.S.A. en het dispuut Viator. Jan van Lelyveld (tel. 28744) was toen derdejaars geschiedenis aan de G.U., eveneens corpslid, en lid van het dispuut Pallas. Hij woonde Des Présstraat 4. Hella ging aan de De Lairessestraat 3 wonen (tel. 91003) en sloot zich aan bij de A.V.S.V. en het dispuut Minerva, welks nieuwe leden op 4 oct 1938 geïnaugureerd werden.

                     Inline afbeelding 1

Douwe en Hella op de Dam in Amsterdam, 1939 of waarschijnlijker begin mei 1940, toen de Bilt >22 graden registreerde. Een ontroerend beeld. Het zou niet lang meer duren of hun wereld zou er heel anders uitzien.
(Coll. Is. Radsma)

In 1939 verloofden Douwe en Hella zich. Hella was toen Prinsengracht 704 gaan wonen. Kort na de bezetting verhuisde Hella naar de Zomerdijkstraat, aan de uiterste rand van Nieuw Zuid. Ik vermoed dat die verhuizing samenhing met de verbreking van de verloving door Hella. “Ze voelde zich nog niet rijp voor een huwelijk of langere relatie”, aldus Douwe’s dochter Isabella. Maar Douwe en Hella bleven bevriend. Er is een drietal foto’s bewaard die Hella aan Douwe in de gevangenis in Amsterdam gegeven of naar hem gestuurd heeft, en een foto van hun beiden van vóór zijn arrestatie. Toen Douwe allang met Elisabeth, en Hella allang met Jan getrouwd was, kwamen de echtparen elkaar bezoeken, zelfs in St.- Witz, wanneer de gelegenheid zich voordeed. Douwe en Hella spraken nooit over het verleden. Maar er bestond iets onuitspreekbaars dat hen bond. Zijn leven lang heeft Douwe in zijn portefeuille achter de familiefoto’s weggestopt een foto van Hella met zich mee gedragen. Hella droeg in later jaren meestal een halsketting die ze van de Radsma’s had gekregen. In een brief heeft ze nog eens expliciet voor dat geschenk bedankt.

Wat voor man was Jan? Een bloedserieuze man. Ook wel een moeilijke man, zoals een collega-rechter mij eens zei. In het begin had hij het, naar het schijnt, moeilijk met de positie van man in de schaduw van een beroemde vrouw. Hij had zelf ook literaire ambities en gaven gehad, zoals op het gymnasium gebleken was. In onze ogen was het een goed huwelijk. „Hij is dood, maar mijn gevoelens voor hem groeien nog steeds door”, zei Hella in een van haar laatste interviews.
    Dat heeft sommigen wel eens verbaasd. Toen zij gast was in het literaire programma van Bernard Pivot op TV 5, na verschijning van de vertaling van haar Daal-en-Bergse brieven, een vervolg op Choderlos de Laclos’ roman-in-brieven Les Liaisons dangereuses uit 1782, bekende zij, tot verbazing van de aanwezigen, dat er in haar leven maar één man was geweest: de man die al ruim veertig jaar haar echtgenoot was, die dan ook prompt door Pivot tot le beau ténébreux werd uitgeroepen.

—Als iemand later een biografie over u zou schrijven, zou die dan spannend zijn?
“Het hangt ervan af wat zo’n biograaf uit de krochten van mijn wezen, mijn persoonlijke leven zou opdiepen”.
—Dus het is de moeite waard te gaan zoeken?
“Diegene die dat doet, zal iets vinden; die zal iets vinden”.
—Er is dus een geheim?
”Ja, maar dat is iets waar ik niets mee kan zolang ik er nog ben. En het woord ‘geheim’ klinkt ook zo drastisch”.
—Is het iets dat u pijn heeft gedaan?
“O ja, maar het is nu langzamerhand allemaal over”.
—Bent u de enige die ervan afweet?
“Ja”.
—Heeft het met de oorlog te maken:
“Nee”.
—Indië?
“Ook niet”.
—Met uw ouders?
“Nee, nee, nee”.
—Met de liefde?
“Integendeel. Laten we erover ophouden. Nie sollst du mich befragen“.
Interview Ik ben niet manipuleerbaar door Ad Fransen en Peter Hoomans in HP/De Tijd 5 nov. 2004

Bovenstaande dialoog ontspon zich tussen Haasse en de interviewers Ad Fransen en Peter Hoomans in de cultuurbijlage van HP De Tijd van 5 nov 2004. Op de vraag of ze in de oorlog een verzenuwd meisje was volgde het antwoord “ik heb geen aanleg voor verzenuwd zijn”. Wat Marga Minco schreef in een interview op 95-jarige leeftijd “Achteraf denk ik dat de beslissingen die ik op bepaalde precaire momenten tijdens de bezetting heb genomen, niet anders konden, hoewel ik er later veel last van heb gehad, het mezelf heb verweten” (bijlage Volkskrant 3 oct. 2015), doet me denken aan wat Haasse in het HP/De Tijd interview zei.

Wat zich in deze oorlogsjaren heeft afgespeeld is niet bekend, in elk geval niet ‘officieel’. In het Digitaal Hella S Haasse Museum, per 1 nov 1916 overgegaan in www.literatuurmuseum.nl, gaapte een kloof van enige jaren. Dat zegt al genoeg. Zoals het ook boekdelen sprak dat het Dig HSH Mus wel het overlijden van Hella’s vader maar niet dat van haar moeder vermeldde. Hoewel in de laatste tijd aanvullingen aangebracht werden bleef het virtuele HSH Museum meer een glamoursalon dan een betrouwbare informatiebron. Sinds 1916 schijnt het meer voor kinderen bedoeld te zijn.
   Op 16 sept. 1938 schreef Douwe zich bij de Amsterdamse BS in. Hij gaf geen adres op. Het eerste genoteerde adres is Keizersgracht 557hs, op 12 juni 1940. Op 20 nov. 1940 verhuisde hij naar Wormerveer, Zaanweg 111, maar keerde op 9 april 1941 terug naar Amsterdam, Nic. Witsenkade 22hs. Op zaterdag 4 oct. 1941 werd hij gearresteerd inzake het uitgaansverbod (Sperrzeit), maar vermoedelijk snel weer vrijgelaten. Na 5 nov. 1941 had hij “diverse adressen”. Hij werd begin 1943 gegrepen voor de Arbeitseinsatz in Duitsland maar wist te ontkomen en sloot zich aan bij het verzet als hij dat al niet gedaan had. Bij een razzia werd hij weer gepakt, in april in Amsterdam waarschijnlijk, werd als politieke gevangene aangemerkt, zat 3½ maand in Amsterdam gevangen (Amstelveenscheweg), en verbleef daarna negen maanden in kamp Amersfoort, waar hij met zijn medische kennis zijn lotgenoten bijstond. Tot eind mei 1944, toen hij op de trein naar een Arbeitslager für Ausländer in Berlijn gezet werd. Met hulp van verzetsvrienden van zijn dispuut ontsnapte hij uit de trein. Frits Eggink, Douwe Radsma, Sven Glazenburg (1921-2003), ‘Jan’ (Arend van Dam). Zijn woonadres was volgens het tewerkstellingsformulier van 3 mei J. M. Coenenstraat 16” te Amsterdam, waar zijn dispuutgenoot de medisch student Frits Eggink bij zijn ouders woonde, maar daar zal Douwe zich uiteraard tot de bevrijding niet meer hebben laten zien, hoogstens met zijn valse persoonsbewijs. Hij zat ergens in West ondergedoken met een goed vals PB.

Frits Arnold Eggink, arts/chirurg, geb. 3 aug. 1921 te Batavia, overl. 19 oct 1970 te Oegstgeest, op 6 maart 1951 te Amsterdam getrouwd met Isa Maria Jacoba Hoog, geb. 12 mrt 1928 te Haarlem. Dispuut Dido, lid Nereus.
   Mr. J.H.J. Hoog, de vader van Isa Hoog, was kantonrechter in Amsterdam. Omstreeks 1947 kwam hij een keer thuis en barstte uit "weet je wie ik vandaag op de zitting voor me kreeg : Hella Haasse ! Wegens winkeldiefstal. Ze was op heterdaad betrapt".
    Het was niks van waarde dat Hella gestolen had. Ze had geld genoeg om te kopen wat ze meegenomen had. Maar ze verweerde zich met te zeggen dat ze ín wilde voelen hoe het is om te stelen, om dat goed te kunnen omschrijven in een roman. Hoog werd echt boos, "zo kan ik nog wel tien redenen bedenken om te stelen. Een normaal mens doet dat niet". Ze moest een paar dagen de gevangenis in, en had dus een strafblad.
     Uit gesprek met Isa Eggink-Hoog op 16 april 2015.

Na de bevrijding voltooide Douwe zijn studie medicijnen. Pas op 25 sept. 1951 wordt weer een adres in Amsterdam vermeld, Rubensstraat 106hs. Een jaar later, op 17 nov. 1952, werkte hij in Pladjoe op Sumatra. Op 8 maart 1956 is hij terug in de A’damse Rubensstraat 106, waar hij even bij zijn vader logeerde, want reeds op 18 sept. 1956 arriveerde hij in de USA, met zijn dochtertje Isabella Agneta Molkenboer (*15 oct. 1952), en haar moeder Elisabeth Margaret Molkenboer-van der Hoeven, met wie hij op 9 sept. 1953 in Singapore getrouwd was. Douwe had Elisabeth in haar woonplaats Oldenzaal leren kennen tijdens een medisch bevolkingsonderzoek. Zij kregen een verhouding waaruit een dochtertje geboren werd. Dolf Molkenboer met wie Elisabeth sinds jan. 1939 getrouwd was kon haar geen kinderen geven, ze was van Douwe gaan houden en besloot tot echtscheiding. Dochter Isabella kreeg de achternaam Radsma.

           Inline afbeelding 11                                                       ■   ■   ■

        1. Alg Hbl 22 oct 1940      2. Distributiestamkaart van Hélène S. Haasse, uitgegeven 5 sept 1943 te Haarlem. Overgeschreven naar Geldropscheweg 154 Eindhoven, als echtgenote van J. van Lelyveld (LM).

Bij Dijkgraaf 2014 p. 102 vertelt Haasse “In opdracht van de oer-Mastbroek (een personage uit De meermin), een chemisch ingenieur die in zijn garage een soort laboratorium had, kreeg ik iets in bewaring, een paar kistjes.” Ze had die kistjes onder haar bed geschoven. Toen een bevriend student medicijnen er eens in keek, bleek er dynamiet in te zitten. Haar vriend wilde niet dat ze die onder haar bed liet liggen en kwam ze ophalen met een bakfiets : kistjes erin, een laag fruit over de verborgen lading. Bij een Duitse controle werd hij aangehouden en gearresteerd, vertelt Haasse. Toen hij per trein werd vervoerd naar een kamp in Duitsland zijn medestudenten erin geslaagd hem te laten ontsnappen. Hella laat het grootste deel van deze geschiedenis incl. datums weg, maar mijn kop eraf – zo zegt men dat tegenwoordig – als iemand ànders dan Douwe Radsma Hella, die toch al ‘zo alleen’ was, uit de brand geholpen heeft. Ik denk overigens dat in ’43 niemand het in zijn hoofd zou halen met een bakfiets vol fruit door Amsterdam te gaan rijden – hoe zou je er trouwens aan moeten komen? Kleding, kussens, meubeltjes, ouwe lappen, daarmee maakte je een kans. En dan, gesnapt worden met kistjes dynamiet in 1943 midden in Amsterdam zonder bij verhoren gesloopt te worden ? Kortom . . . “Hella had een grote fantasie”, aldus haar oudste dochter.

Grote liefdes van HSH. — Haasse schrijft in Persoonsbewijs (1967) dat de ik-figuur in Oeroeg een volwassen verschijningsvorm is van een neef van haar. Ze bedoelt de oudste zoon van haar tante Lily, Gerard, op wie ze kalverstapelverliefd is geweest.
   De figuur Taco Tadema in Sleuteloog (2002) is voornamelijk op Douwe Radsma gebouwd, maar ook van Peter Koets en Dolf Molkenboer zijn eigenschappen verwerkt. De overeenkomstige letters van Herta Tadema en Hella Radsma, He..a .ad.ma, laten weinig te raden over. Toch een beetje invloed van Jules Verne ?
   In De verborgen bron (1950, evenals De meermin sterk autobiografisch) studeert Meinderts (Douwe) medicijnen, hij “verweet haar dat zij zich verschuilde in eenzaamheid”, Elin (Hella) werd spoorstudent, zij volgde de lessen aan de Academie van Beeldende Kunsten. “Wat is de oorzaak geweest van de innerlijke spanningen die tot mijn ziekte geleid hebben?” Jurjen Siebeling vertegenwoordigt een andere kant van Hella. Van Starvold is herkenbaar als Van Lelyveld. Het vervolg De ingewijden (1957) gaat minder over zielsproblemen en is meer een verhaal.

Aan D. R. SONNET jan. 1937.   [!]
Ongepubliceerd.
          ■   ■   ■             28 regels – zeven cpl van 4 r       (LM)

Hella voelde zich nog niet rijp voor zo’n bezegelde relatie, Douwe, twee jaar jonger, misschien ook wel niet. De relatie eindigde in 1940 kort na de bezetting. Hella heeft vanuit haar achtergrond beslist anders op de duitse inval gereageerd dan Douwe. Douwe zal daar geen goed gevoel bij gekregen hebben.

                     ADRESSEN

 HELLA  DOUWE
 1938 13 sept  De Lairessestraat 3 hs Amsterdam  1938 16 sept  Prinsengr 708 Amsterdam
 1939 6 sept  Prinsengracht 704 hs
 1940 18 mei  Zomerdijkstraat 28 III  1940 12 juni  Keizersgracht 557 hs
 1940 9 juli  Singel 301 hs  1940 25 nov  Zaanweg 111 Wormerveer
 1941 20 sept  Leidschegracht 14 hs  1941 9 april
 1941 4 oct
 1941 5 nov
 Nic. Witsenkade 22 hs
 Amsterdam
 Eerste arrestatie
 Diverse adressen
 1942 10 mrt  Frans v Mierisstraat 89 II rd
 Bezoek El. Andersen, waar?
 1942 6 aug  Nieuwe Gracht 86 Haarlem
 Zomer 1943 : brengt boter en foto's
 "con amore" naar Douwe Radsma in gevangenis
 Amstelveenscheweg in A'dam — 7 juni 1943 brief
 uit A'dam De Lairessestr 3 aan Hooykaas
 J. M. Coenenstr 16 II  A'dam
 opgepakt
 gevangenis A'dam
 Amstelveenscheweg
 kamp Amersfoort
 1943 6 dec  Keizersgracht 641 hs Amsterdam  1944 mei  ontsnapt
 1944 13 aug  Woont officieel Tongelreschestraat 171 Eindhoven
 maar woont en werkt in A'dam
 ondergedoken in A'dam
 1945 1 jan  Rhijngeesterstraatweg 149 Oegstgeest
 1945 7 juni  van Breestraat 123 Amsterdam  1945 sept  zette med. studie voort
 1947 16 mei  Nassaulaan 42 Baarn
 1949 17 mei  Oranje Nassaulaan 17 hs Amsterdam  1951 25 sept  Rubensstr 106 hs  A'dam

 JAN  HELLA
 1932 24 aug  Nic. Maesstraat 89 hs Amsterdam  Kramatlaan 22 Batavia
 1936 1 apr  Des Présstraat 4 hs  1938 13 sept
 1939 6 sept
 De Lairessestraat 3 hs Amsterdam
 Prinsengracht 704 hs

 1940 3 apr  Prinsengracht 834 II  1940 18 mei  Zomerdijkstraat 28 III
 1940 29 oct  Rhijngeesterstraatweg 149 Oegstgeest  1940 9 juli  Singel 301 hs
 1941 4 mrt  J W Brouwersstr 3 hs Amsterdam
 1941 5 aug  Rhijngeesterstraatweg 149 Oegstgeest  1941 20 sept  Leidschegracht 14 hs
 1942 8 apr  Heerengracht 425 hs Amsterdam  1942 10 mrt  Frans v Mierisstraat 89 II rd
 1942 22 aug  Joh. Verhulststr 141 bhs  1942 6 aug  Nieuwe Gracht 86  Haarlem
 1943 8 mei  Gevangen in kamp A'foort / Vught
 1944 11 jan  Vrijgelaten. Tongelreschestraat 173 Eindhoven  1943 6 dec  Keizersgracht 641 hs Amsterdam
 1944 26 jan  18 febr 1944 getrouwd in Eindhoven
 Geldropscheweg 154
Eindhoven
 woont en werkt meestentijds
 in / vanuit Amsterdam
 1944 21 juni  Tongelreschestraat 154 Eindhoven tot ?  
 A'dam Chrisje 11 nov. '44 geboren  Amsterdam
 1945 1 jan  Rhijngeesterstraatweg 149 Oegstgeest  Rhijngstrw 149 Oegstgeest
 1945 7 juni  van Breestraat 123 hs A'dam  1945 7 juni  van Breestraat 123 hs A'dam
 1947 16 mei  Nassaulaan 42 Baarn  1947 16 mei  Nassaulaan 42 Baarn
 1949 17 mei  Oranje Nassaulaan 17 hs A'dam  1949 17 mei  Oranje Nassaulaan 17 hs A'dam


Archief v h Bevolkingsregister Amsterdam, Persoonskaaren NL-SAA-8254044. Stadsarchief Amsterdam

*    *    *    *    *    *    *    *

Jan van Lelyveld gaf in De Groene een interview (De dame van de thee, 18 febr. 1998) . Daaruit :
“Ik dacht: nu is het oorlog, het kan niet zo zijn dat deze Jan geen poot uitsteekt. Door mijn beslissing kwam er een verwijdering tussen Hella en mij. Ze wist zeker dat mij iets vreselijks zou overkomen. Maar ze heeft een moedig karakter. Ze accepteerde mijn beslissing en liet me gaan. Als ik toen had geweten hoe eenzaam ze was na mijn vertrek, was ik nooit gevlucht.”
   Voor eenzaamheid, zeker voor de zelfgekozen isolatie, is een aanleg nodig. Lang niet alles kan op rekening van familie en kennissen geschoven worden. Hella was voor 1938 lang genoeg in Holland geweest om de levenswijze en het leefklimaat daar te leren kennen, en ze had er meer dan voldoende familie, vrienden en kennissen. Haar eenzaamheid – haar anders zijn – zat in haarzelf. In dit geval, trouwens, lijkt het niet zeer waarschijnlijk dat Hella zó door eenzaamheid overmand werd ala Jan het voorstelt.
   Jan vreesde ook een beetje voor zijn eigen hachje als hij in Nederland zou blijven en wilde naar Engeland. Maar hij werd op de eerste dag van zijn vlucht mei 1943 in de trein naar Brussel-Parijs gearresteerd (duidelijk verraden) en geïnterneerd door de Duitsers, eerst in Vught, later in Amersfoort. Zijn vader wist hem begin ’44 vrij te krijgen door zijn reis een archeologische onderzoeksreis te noemen.
   In Vught zullen Douwe of Jan van Lelyveld Cor Dommershuisen (aangetrouwd familielid van Hella en Corrie) ontmoet hebben. Die smokkelde weleens een briefje het kamp uit.

*    *    *    *    *    *    *    *

Douwe Radsma overleefde de oorlog dus en nam na de oorlog zijn studie weer op. Hij slaagde, werd in 1953 directeur van een ziekenhuis in Pladjoe en vestigde zich met vrouw en dochter in 1956 in de U.S.A. Op 3 dec. 1956 schreef de Logansport Pharos-Tribune (Logansport, Indiana) in een artikel getiteld Dutch Physician Begins Third “Life”:

PITTSBURGH — A Dutch physician is beginning a third ‘Life’ in America, interning at a Pittsburgh hospital.
Dr. Douwe Lukas Radsma, 35, who left medical school in Amsterdam to fight the Nazis during World War II and then moved to his native Indonesia to supervise a hospital, is now completing a one-year internship to practice medicine in Pennsylvania.
   Radsma was a 22-year-old medical student in 1943 when the Nazis tried to ship him to Germany for forced labor. He bolted from his guards and joined an underground resistance movement. But his free-Dutch-activities were short-lived.

“The Gestapo picked me up in a raid,” he said. “They threw me in a prison for three-and-a-half months and then nine more months in a concentration camp. I escaped from a prison train bound for Germany.”
Radsma said he looted German administration offices after his escape and soon had the materials for a forged set of identification papers.
 Back to Holland.
After the war, Radsma completed his education and then returned to his family in Jakarta, Indonesia. He became Supervisor in a hospital and did malaria control work for an oil company.
“I also did a lot of minor surgery,” he added, “After all, I was the only doctor there.”
But Indonesia’s dislike for their former rulers, the Dutch, forced Radsma, his wife and four-year-daughter to leave, he said. Radsma took his family to Holland where they are now waiting for his call. He then boarded a ship for a new life and a new land, the United States. In een document werd hij genoemd College Physician, M.D. University of Amsterdam.

 

       Willem Oltmans, Memoires, 15 maart 1962 :
Lezing op Gettysburg College in Pennsylvania. Een gehoor van 1.500 studenten. Opwindende dag. Lang applaus. Of liever gezegd, het applaus was dermate enthousiast dat het me goosepimples gaf. De vrouw van een professor zei:
„I happened to like what you said, but you are so captivating, what if you advocated different ideas?” Daar had ik nog nooit over nagedacht. Tijdens de lunch raakte ik in fel debat met dr. Douwe Radsma, die van 1952 tot 1956 voor Shell op Sumatra had gezeten en die nu de arts van het College was. Volgens hem haatte Sukarno de Nederlanders.
   Men behoorde hem niet te respecteren, zoals ook veel Indonesiërs hem minachtten. Natuurlijk kon Jakarta geen recht op Nieuw-Guinea doen gelden. „Dan zou India immers het recht hebben Birma of Pakistan in te lijven?”, zei Radsma.

Op 11 nov. 1966 schreef de Weekly Gettysburgian een artikel over Douwe. In dat artikel heet het :

I spent some time being a member of the Anti-Nazi Student Resistance as a political prisoner in a Nazi prison and concentration camp . I was lucky to manage my escape after one year . I have seen people killed for no other reason than not following the party line , or being considered expendable.
Illinois Digital Newspaper Collections > Weekly Gettysburgian > 11 November 1966.

 

Inline afbeelding 2

Inline afbeelding 3

 

1. Adolph (Dolf) Molkenboer, geboren op 23 aug. 1912 te Oldenzaal, is op 95-jarige leeftijd overleden te Oostkapelle op 8 nov. 2007 (De Telegraaf 10 nov. 2007). 2. Registratiecode: VFADNL094640 – blad 17, CBG. 3. Registratiecode: VFADNL049490 – blad 110, CBG.

Isabella Agneta Elisabeth Molkenboer (*1952) heet nu Isabella Radsma. Ze heeft de achternaam van haar vader aangenomen en woont in Berkeley, U.S.A. Isabella A. Radsma was for 35 years a Neuromuscular Therapist and a make-up artist on a side line, ze heeft Theatre Arts gestudeerd aan UC Berkeley en heeft een half jaar in Nederland gestudeerd. Daar heeft Hella haar met theatermensen in contact gebracht en getracht haar aan een baan te helpen, wat (begin jaren ’80) niet wilde lukken.

Douwe Radsma was betrokken bij het Studentenverzet, gevangen gezet en vrijgekomen. Hij woonde J. M. Coenenstraat 16 II toen hij door het G.A.B. Utrecht, bijkantoor Amersfoort, in Berlijn als hulparbeider te werk gesteld werd, per 3 mei 1944.


Stadsarchief Amsterdam Tewerkgestelden 40 45 / NL-SAA-7549217 A11851000243A

Met hulp van studievrienden kon hij uit de trein ontsnappen en onderduiken. Radsma overleefde de oorlog en nam zijn studie weer op. Hij maakte carrière in de U.S.A.

               Inline afbeelding 10

 1. Haarlemse Courant, 10 juli 1941.  Naast D. L. Radsma zien we NB ook Frits Mehrtens onder de geslaagden.
2. Douwe Radsma in 1968. The Evening Sun, Hanover, Pa. Monday, April 11, 1966.

               Inline afbeelding 1

“Douwe in his 40’s”. Dat is in de jaren ’60. Tot zijn dood heeft hij een foto van Hella in een portefeuille op zijn hart gedragen.  Coll. Isabella Radsma.

Een echo van de morfine in de koffie komt in Yvonne de spionne voorbij :
“Onopvallend krijg ik toegang / Bij een vijandelijk generaal / Ik ontfutsel onopvallend / Hem zijn plannen allemaal /
‘k Doe morfine in zijn wijnglas / Sluip voorzichtig uit de tent / Dat kan je alleen presteren / Als je onopvallend bent.”

Archief v. h. Bevolkingsregister Amsterdam, Persoonskaarten NL-SAA-8475480, Stadsarchief Amsterdam.

*    *    *    *    *    *    *    *

Hoezeer Haasse 10 jaar na de oorlog nog met zichzelf overhoop lag blijkt ook uit haar brief aan W.L.M.E. van Leeuwen van 5 maart 1955. Collectie Literatuur Museum, Den Haag.

■   ■   ■    

Cliëntendossiers van Inr 88, Nieuwegracht Haarlem, zijn niet aangetroffen. Bij de gemeente-instellingen zijn onbelangrijke of te oude stukken sowieso verwijderd. Inr 88 was geen gemeente-instelling. Wel zijn er notulen van ’t Huis uit en thuis, officieel geopend 5 juli 1935 : ‘Notulenboek: 1935-1942, 1948-1950’ uit de archieven van Stichting Union Haarlem. De notulen breken na 26 nov. 1942 af (niet 1943 zoals Lindijer in De Union afd. Haarlem schrijft), uiteraard vanwege de oorlogsomstandigheden.


                                                      Einde Excours

 

Hella ging pas op 6 dec. 1943 offcieel (BS) in Amsterdam wonen.  Daar kon ze even aan de Keizersgracht 641hs terecht. Reeds in febr. 1944 trad ze in Eindhoven met Jan van Lelyveld in het huwelijk. Het paar ging in Eindhoven aan de Geldropscheweg 154 wonen. De afspraak om te trouwen was snel gemaakt toen Van Lelyveld wegens gebrek aan bewijs werd vrijgelaten door de Duitsers. “Van die beslissing heb ik geen spijt. Soms is een instictieve keuze honderd maal beter dan een rationele. Ik kon een onderduikbaan bij Philips in Eindhoven krijgen, Hella wilde weg bij het Centraal Toneel. Omdat ik een salaris had, kon zij zich volledig richten op het schrijven.” Het huwelijk werd gesloten op 18 februari 1944. Hella keerde al spoedig naar Amsterdam terug, vermoed ik, voor haar werk. Er zijn BS-notities van 21 juni en 23 aug. 1944 betreffende Tongelreschestraat 171, misschien ter misleiding. Veilig kan het voor Jan niet geweest zijn. Eindhoven werd op 18 sept. bevrijd. Jan zal op zeker moment voor de naderende oorlogshandelingen naar Amsterdam gevlucht zijn, zonder zich begrijpelijkerwijs bij de BS aldaar te melden. Op 31 dec. 1944 liepen ze, aldus Hella, met hun dochtertje Chrisje, 11 nov. ’44 geboren, 13 april ’47 gestorven, naar de ouders van Jan in Oegstgeest, Rhijngeesterstraatweg 149, bij wie ze voor de rest van de oorlog verbleven, Jan in onderduik. Hella kwam wel op straat om eten te halen. Aan het verhaal van die voettocht kan getwijfeld worden. Ik kom erop terug.

De eerste maanden van hun huwelijk woonden HH en JvL in Eindhoven. Ze waren echter alweer naar Amsterdam verhuisd toen het Zuiden bevrijd werd ; in Amsterdam maakten ze de hongerwinter door, Jan v L studeerde er rechten. Op 11 nov 1944 was daar hun eerste kind, Christina Margaretha, geboren. De laatste oorlogsmaanden bracht Hella Haasse met haar man en dochtertje door bij haar schoonouders in Oegstgeest.
Alofs in Bulletin dec 1981. Alofs heeft de passage woordelijk uit haar proefschrift overgenomen.
Alofs wijdt geen woord aan de in Zelfportret als legkaart (1954) beschreven voettocht naar Oegstgeest.

 

Coll WHP

 

 

 

 

 

  

 

        ■   ■   ■    

 

Foto van Hella in 1944.

        Coll WHP

Op 7 juni 1945 waren ze terug in Amsterdam, van Breestraat 123hs, en verkasten op 16 mei 1947 naar Baarn, Nassaulaan 42, met Wim en zijn gezin (nov ’47 tot jan ’48) inwonend bij Hella’s ouders, slechts voor twee jaar, want Jan werkte in Amsterdam. Op 17 mei 1949 verhuisden ze naar Amsterdam, Oranje Nassaulaan 17hs, op 25 oct 1951 naar Courbetstraat 42hs, en op 30 nov. 1953 naar Milletstraat 56, vanwaar ze 27 juni 1967 naar Den Haag, flatgebouw Mozartlaan 67, verhuisden. Jan was in deze jaren opgeklommen van archeoloog tot waarnemend griffier, griffier en uiteindelijk rechter. Op 25 aug. 1981 trokken ze, de kinderen volwassen, naar Frankrijk, Saint-Witz, 25 Rue du Gué Orient. Na 9 jaar kwamen ze terug, huurden van 25 aug 1990 tot 15 jan 1991 bungalow op het park "De Egelshoek", Graaf Floris V-weg 32, Hollandsche Rading, "op loopafstand van het station", want geen van beiden had een rijbewijs, wachtend op de gereedkoming van het flatgebouw Byzantium (‘met de gouden UFO’) van Rem Koolhaas aan de Stadhouderskade in Amsterdam. De huur van de bungalow zal wel verlengd zijn, want ze konden appartement nr 17a pas op 26 april 1991 betrekken. Tot zover deze omzwervingen. Vergelijk Hella’s onvolledige PB. — Terug naar 1938.

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *   

1938
Hella werd lid van de AVSV en van het dispuut Minerva. Brede grondige opleiding (maar ze volgde weinig colleges}, veelzijdig talent, goede mensen om zich heen. Een van haar bezigheden naast haar studie was het sturen van gedichten naar redacteuren en uitgevers. Haar dichterlijke creativiteit is aangewakkerd, schijnt mij, door haar pogingen anderstalige poëzie zo mooi mogelijk te vertalen. Ze studeerde aanvankelijk Zweeds en Oud-Noors aan de GU van Amsterdam, totdat ze na enige tijd genoeg had van de Germaanse annexatie van de sagen — of krap in haar geld kwam te zitten –, volgde een Schoeverscursus evenals haar nicht Corrie had gedaan, en ging naar de Toneelschool. Wegens veelvuldige absentie werd Hella daar weggestuurd, maar op verzoek van de schoolleiding ging haar medestudente Elisabeth Andersen met haar praten en haalde haar terug. Dat gesprek speelde zich af in de kamer van Jan van Lelyveld aan de Joh. Verhulststraat, waar Andersen dacht dat ze woonde. Ze deed eindexamen in 1943, speelde korte tijd onder Hooykaas en Cees Laseur. Schreef vanaf dat jaar teksten en cabaretliedjes voor Wim Sonneveld, in 1945 ook voor Cor Ruys, stond hier en daar op de planken en regisseerde. Dijkgraaf schrijft dat Haasse de “beste vriendin” van Andersen werd. In feite heeft die vriendschap hoogstens 2 jaar bestaan. Nog vóór Hella’s eindexamen trokken Andersen en haar moeder, die allebei onderduikers in huis hadden, onder wie Andersens geliefde Werner Münsterberger, zich in de Herculesstraat in A'dam veiligheidshalve in een totaal maatschappelijk isolement terug, waar met name HSH buiten werd gehouden. Andersen en Haasse hebben sindsdien geen contact meer gehad, een toevallige ontmoeting daargelaten. Wel heeft Andersen na de oorlog Münsterberger op het talent van Haasse opmerkzaam gemaakt toen hij een dichter(es) zocht om zijn plannen voor een Dichtkunst bij Natuurvolken te kunnen verwezenlijken.
          Uit een gesprek met Elisabeth Andersen 10 maart 2015.

Lichtvoetig ging de dans voorbij.      [hier volgde een dans]
■   ■   ■              16 + 16 = 32 regels          Het gedicht is van HSH.

Uit een voorstelling in Carré ten bate van Nederland helpt Indië (1946). DE DANS DOOR ALLE TIJDEN.


*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

Ischa Meijer, interviewer, begroet (1984) de toneelspeelster Elisabeth Andersen en vraagt hoe ze opgegroeid is. Andersen: “Als bourgeois-kindje in Den Haag.” Ze vertelt over haar “angstig leuke papa” en de scheiding van haar ouders toen ze tien jaar was. Kwam vervolgens in huis bij Max Euwe, een vriend van haar vader.
   Andersen over haar middelbare school, waar ze onder andere samen met Joop Doderer “met toneelstukjes bezig was”. Ging later bij de Vrijzinnig Christelijke jeugd Centrale onder Ben Albers toneelspelen. Door haar christelijke remonstrantse achtergrond ging ze niet zo gemakkelijk naar de “wereldse” toneelschool. Nu gelooft ze “absoluut niet meer”.
   Andersen vertelt dat ze in 1940,*) gestimuleerd door Martinus Nijhoff naar de Amsterdamse toneelschool ging. Na twee jaar “intensieve opleiding” viel de school door de oorlog uit elkaar. Interviewer vraagt wat mensen beweegt in de jaren ’40 toneel te spelen. Andersen legt uit hoe ze pas rond 1943 merkte dat het “een totale puinhoop” werd. In die tijd leerde ze een Joods-duitse intellectueel kennen, Werner Münsterberger. Deze ondergedoken arts heeft haar “enorm gevormd” en kende haar beter dan zij zichzelf kende.
   Int. vraagt of Andersen de oorlog werkelijk beleefd heeft. Dat heeft ze: “Via moeders familie alleen met Joodse kringen in aanraking gekomen.” Ze liet haar vriend Münsterberger van ’42 tot ’45 bij zich onderduiken in Amsterdam. Na de oorlog zou M. met Haasse Lyriek der Natuurvolken (1947) uitbrengen.
          *) Andersen kwam in januari 1941 op de toneelschool.

          Een uur Ischa, 8 oct 1984, VPRO

*    *    *    *    *    *    *    *

Werner Muensterberger (1913-2011) had just enrolled at the University of Heidelberg to study medicine; Sydow convinced him to join him in Berlin to study ethnology and psychoanalysis, but Muensterberger soon had to flee the Nazis. He continued his studies at the University of Leyden and the University of Basel, writing a dissertation on Indonesian mythology, and another, in art history, on the influence of Italian art on the School of Utrecht painters during the 17th century. He spent most of the war in Amsterdam, much of the time in hiding at the house of his girlfriend, Dutch actress Elisabeth Andersen.
  Mitte der 1930er Jahre emigrierte Muensterberger in die Niederlande, lebte hauptsächlich in Amsterdam und Haarlem, kämpfte ab 1941 im Untergrund, wurde von 1943 bis Kriegsende von seiner Freundin, der späteren Schauspielerin Elisabeth Andersen, in einer Dachkammer versteckt, weil ihn die Gestapo suchte. In Holland setzte er auch an der Universität Leiden sein Ethnologiestudium fort. An der Universität Basel wurde er 1939 bei Felix Speiser und Walter Baumgartner über indonesische Schöpfungsmythen promoviert. Muensterberger promovierte ein weiteres Mal im Bereich der Kunstgeschichte.
  After the war, Muensterberger worked as a curator at the Stedelijk Museum. In 1947 he was invited to Columbia University, where he taught ethno-psychoanalysis before becoming professor of ethno-psychiatry at New York State University. Asked to explain what this particular field entailed, he would provide broad examples: “Chinese patients have symptoms that Westerners don’t know. Their fear of intimacy is enormous,” and, “West Africans don’t kiss.”
  When he arrived in New York, Muensterberger, who had lost his fortune during the war, carried only $100 and an African mask, which he later sold to Nelson Rockefeller (now at the Metropolitan Museum
).
Zie het artikel

Jan van Lelyveld (NH), *18 sept 1918 te Amsterdam was een zoon van Henri Fréderic Charles van Lelyveld, *25 jun 1875 den Haag, en Euphemia Johanna Bus (RK), *23 mrt 1875 Bussum, getrouwd 6 oct 1914 te Amsterdam.

Henri Fréderic Charles van Lelyveld geb. ’s-Gravenhage 25 juni 1875, secretaris van den Raad van Beroep voor de invoerrechten (1914, 1915) 1) eerste secretaris der Tariefcommissie (tot 31 aug. 1929) 2) ontvanger der invoerrechten en accijnzen te Utrecht (1 sept. 1929) 3) overl. Amsterdam 19 oct. 1961, tr. Amsterdam 6 oct. 1914 Euphemia Johanna Bus, geb. Bussum ca. 1875, overl. Amsterdam 28 dec. 1958, crem. Velsen 2 jan. 1959, dochter van Antonius Bus en Catharina Hom. Vestigden zich op 28 oct. 1940 in Oegstgeest, Rhijngeesterstraatweg 149.
Noten: 1) 1e Weteringplantsoen 28, Amsterdam (Naamlijst voor den telefoondienst, januari 1915); 2) NRC 12 juli 1929; 3) ibidem.
Uit dit huwelijk:
1. Henri van Lelyveld, geb. 1915 te Zandvoort.
2. Johannes van Lelyveld, geb. Amsterdam 1918.

Henri van Lelyveld, geb. 5 oct. 1915, ir., overl. Badhoevedorp 25 aug. 1991, crem. Driehuis 29 aug. 1991, tr. 1e voor 1945 Alberta Marie Vastenouw, drs., apothekersexamen te Leiden (1941) 4) apotheker, overl. Ellecom 6 mei 1971; tr. 2e G. J. Bontekoe, dochter van Bontekoe en C. J. Graap. Uit dit huwelijk kinderen.
Noten: 4) Het Vaderland 19 nov. 1941.
Johannes van Lelyveld, Jan, geb. Amsterdam 19 sept. 1918, mr., overl. Amsterdam 27 juli 2008, crem., tr. Eindhoven 18 febr. 1944 Hélène Serafia Haasse, schrijversnaam Hella S. Haasse, geb. Batavia 2 febr. 1918, P. C. Hooftprijs (1983), eredoctoraat Utrecht (25 mrt 1988), drager Eremedaille voor Kunst en Wetenschap van de Huisorde van Oranje (1992), eredoctoraat Katholieke Universiteit Leuven (1995), Commandeur de l’Ordre des Arts et des Lettres, Officier de la Légion d’honneur (2000), Prijs der Nederlandse Letteren (2004), overl. Amsterdam 29 sept. 2011, crem., dochter van Willem Hendrik Haasse (†1955) en Katharina Diehm Winzenhöler (†1983). Uit dit huwelijk twee kinderen, Hella en Wim.

Propria Cures. — Jan van Lelyveld, student geschiedenis en archeologie, woonde in 1938 aan het andere eind van de De Lairessestraat in de Des Présstraat. Hij vroeg Hella in de redactie van het roemruchte studentenblad Propria Cures zitting te nemen. Hella stemde toe, schreef een intrede (10 febr. 1940) en een verhaaltje voor het blad en liet het daarbij. De studentikoze sfeer lag haar niet. In het nummer van 1 aug. 1940 werd ze uit de redactie gezet met de kortste Uitlui ooit : Afgestorven als Redactrice. Van Lelyveld had van 11 maart 1939 tot 23 maart 1940 in de redactie gezeten. Zijn enige lezenswaardige bijdrage onder eigen naam leverde hij voor het eeuwnummer 1890-1990 in het artikel Uren met Menno ter Braak, waarin hij schrijft “In Nederland verzorgde sedert 1936 het Comité van Waakzaamheid’ […] de publiciteit tegen het nazi-gevaar. Tot de initiatiefnemers behoorden en prominent aanwezig daarin waren Jan Romein en Menno ter Braak. […] Voor de lustrumredactie van Propria Cures was najaar 1939 Menno ter Braak een baken. Hij heeft talloze jongeren de ogen geopend voor wat te gebeuren stond. Als zodanig is hij een nationale figuur van onschatbare betekenis”. Hella’s Uittrede, die aan de door de redactie geschreven Uitlui vooraf placht te gaan, sprak ze eerst op 20 jan. 1990 uit, tijdens het diner t.g.v. het 100-jarig bestaan van P.C. Zie het nummer van 3 febr. 1990.

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

Ter intrede is een opgewekt en behendig in elkaar gezet sonnet.

TER INTREDE

Tot spreekgestoelte moet dit wankele gedicht,
■   ■   ■              4 + 4 + 3 + 3 regels

H. S. HAASSE.

Bij haar aanvaarding van het redacteurschap van Propria Cures plaatste Haasse het sonnet Ter intrede in het nummer van 10 feb. 1940. Opvallend is de moderne spelling. — Ed. comm. : na r.2 heb ik een komma, na r.3 een n-dash (–) geplaatst, na ‘breken’ (r.11) de punt door een komma vervangen. In r.10-11) zouden een paar komma’s niet misstaan. — Als oud-abonné was de 100-j. jubileumuitgave aan mij wel besteed. Een PC-intrede, in kwaliteit en, ja, geestigheid gelijk aan die van Hella Haasse moet met een lantaarntje gezocht worden. Het is literaire humor, zeker, virtuoze zelfspot, maar toch. Zóveel staaltjes daarvan zijn bij Haasse niet te vinden. Voor een twintigjarige een zeldzame prestatie.
   HSH zat van 10 febr. tot 1 aug. 1940 in de redactie van PC. In het nummer van 1 aug., het eerste van de nieuwe jaargang, stond de korte mededeling Afgestorven als Redactrice : Mej. H. S. Haasse. De gebruikelijke uitlui van redactiewege bleef achterwege.
   Maar een halve eeuw later, op 20 jan. 1990, sprak Haasse tijdens het diner t.g.v. het eeuwfeest van Propria Cures een Uittree uit. PC kopte de eerste pagina van het ‘morning after number’ na het jubileum met

AFGETREDEN  ALS  REDACTEUR  EN  OPGENOMEN  IN  DE PC-EREHEMEL  : 

HELLA  HAASSE

Uittree

  Gedrukt in PC en voorgedragen : Met ballpoint gecorrigeerd [LM] uit :
  Ja, ik beken – met schaamrood op de kaken –  
  ■   ■   ■            4 + 4 + 3 + 3 r. ■   ■   ■

               Hella S. Haasse  (redacteur 1940 – 1990)


Overig dichtwerk

Er is meer dichtwerk van Haasse bewaard dan men in ’t algemeen beseft. Een fake is Onze nieuwjaarswens ‘Achter de horizon’, door Polygoon in de tweede helft van 1945 gefilmd en door Beeld en Geluid in 2009 op YouTube gezet. Achter de horizon is niet, zoals Coen Peppelenbos op zijn blogspot doet voorkomen, door Hella Haasse geschreven (“Een nieuwjaarswens van Hella S. Haasse”), maar door Willem van Iependaal. Hella treedt met vijf anderen op en draagt voor als een opgewekt leeghoofdig meisje. Niet om aan te zien (vind ik). Ze was in deze periode soms in de verkeerde vijver aan het vissen. Details in de Appendix.

Over cabaretliedjes en chansons wil ik niet veel zeggen omdat ze te zeer verbonden zijn met de persoon van de vertolker en zijn uitbeeldingsvermogen, de ‘plastiek’. Yvonne de spionne (1946) lijkt een goedkoop rijmsel dat het van de voordracht moet hebben, maar toch, Fien de la Mar maakte er een succesnummer van. Beter zijn Alleen voor dames, Het pierement, Amstelstroom. In later tijd schaamde Haasse zich er een beetje voor. Maar ook Ed. Hoornik, Nijhof en Annie M.G. hebben voor Sonneveld geschreven! Het Centraal Tooneel bracht 14 sept. 1943 Droomen zijn bedrog met teksten van Sonneveld, Haasse en Hora Adema. Daarna werkte Haasse speciaal voor Sonneveld. Bij Hilde Scholten, Moeder, ik wil bij de revue (2006), staan 9 lied- en ensembleteksten van haar afgedrukt. De voorstellingen van Sonnevelds cabaret gaven Hella ook gelegenheid tot toneelmatig optreden bijvoorbeeld als Tom Poes en als Jeanne de Saissac (1945).
   Conny Stuart : “De meeste teksten werden toen [1943] nog geschreven door Hella Haasse, iets waar ze later, toen ze romanschrijfster werd, liever niet meer aan herinnerd wilde worden. Het cabaret wilde verstrooiing bieden, veelal met Franse liederen, hetgeen goed beviel in de tijd van de Duitse bezetting”. Haasse schreef voor Sonnevelds producties Alleen voor dames (première 1 dec. 1943), Sprookjes (première 1 febr. 1944), De bloemetjes buiten (5 juli 1945), Tingel-Tangel (6 nov. 1945), Verre reizen (18 jan. 1946), Tutti frutti (16 april 1946), alles in het Leidsepleintheater. Double Dutch, maart 1946 in Hamburg, Vanavond om 8 uur (1 jan. 1947), ’t Is maar Comedie (1 juli 1947, Leidsepleintheater). Nadien is er tussen Haasse en Sonneveld geen contact meer geweest, voor zover mij bekend.

 

OFFICIER   Hella Haasse

   Double Dutch ; an intimate revue from the Netherlands, maart 1946.

Double Dutch ; an intimate revue from the Netherlands Gezelschap : Wim Sonneveld’s Cabaret / e.n.s.a. Entertainment for h.m. Forces.
Regie Wim Sonneveld Met : Kees Brusse, Hella Haasse, Eri Rouché, Wim Sonneveld, Sophie Stein, Conny Stuart en Wim de Soet & Wim de Vries (vleugel).

Met het gelegenheidsprogramma Double Dutch maakt het gezelschap van Sonneveld een tournee langs geallieerde legerplaatsen in Duitsland. Sonneveld en de zijnen worden tijdelijk benoemd tot officier en krijgen allen een uniform aangemeten. Het programma bestaat hoofdzakelijk uit bestaand repertoire van Hella Haasse, dat door de schrijfster zelf in het Engels vertaald is.
Vouwblad http://www.eenlevenlangtheater.nl

Sonneveld – en hij was niet de enige – schrapte en veranderde nogal eens in de teksten die hij aangeleverd kreeg. Veelzeggend is de verandering die Wim Sonneveld aanbracht in Haasse’s Amstelstroom vóór het laatste refrein :

        Haasse         Sonneveld
  8+16+8+16+8 — de 8 regels zijn ’t refrein    
  Treur niet om die verleden tijd    
  ■   ■   ■    ■   ■   ■
   

Je ziet in deze langere toneelgedichten dat de beperkingen die de versvorm oplegt Haasse behoeden voor wijdlopigheid, dwingen tot spaarzamer gebruik van adjectieven, alles in haar voordeel. Sfeer komt op de eerste plaats, humor op de tweede. Goed gevonden zijn de laatste regels die ze voor Sonneveld schreef (ensemble in Tingeltangel) :

Tussen schermen en coulissen
■   ■   ■   5 regels

Nadien werden Sonnevelds voorstellingen met teksten van Annie MG Schmidt, Michel v.d. Plas, Guus Vleugel, Carmiggelt, Wiegersma e.a. gedurfder en scherper. De politiek werd op de hak genomen, wel de eerste bestaansreden voor het verschijnsel cabaret. Haasse’s stijl was meer sprookjes-achtig, minder ironisch, laat staan cynisch. Na 1945 was daar minder vraag naar.

  Matrozenmeid (tussen 1945 en 1947) Zeemanslied (Herhalingsoefeningen, 1951)
     
  Ik ben maar een matrozenmeid, Wij zijn de zwervers over wereldoceanen
  ■   ■   ■      7 + 6 + 7 + 7 + 6 + 7 + 12 = 52 r ■   ■   ■      8 + 6 + 8 + 6 + 8 + 3 + 2 + 1 = 42 r

 

∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼ .∼.∼.∼.∼.∼.∼

In de herfst van 1945 kwam de dichtbundel Stroomversnelling uit, bij Querido. Die bevat de volgende gedichten (titels in kapitaal, van titelloze gedichten wordt de beginregel gegeven) :

  Ik hief mijn hand op 1935
  VIRGO 1939
  IN HET PARK 1939, nieuw
  CREDO 1943, nieuw
  Naamloze God die ik belijd    ,,
  Een vogel Phoenix vloog en vond    ,,
  Een boze wind verdreef mijn boot    ,,
  In deze zeeën die ik mij verkoos    ,,
  REI VAN STEDELINGEN (Stem – Tegenstem)    ,,
  ARIADNE OP NAXOS    ,,
  De bitt’re toespijs van genot    ,,
  Ruk mij nu los van dezen tak    ,,
  Wie van den vollen beker proeft    ,,


Deze bundel wordt antiquarisch nog wel aangeboden, verschillende gedichten eruit zijn in bloemlezingen en op internet te vinden, vaak met commentaar, ook in dit artikel. Alofs vermeldt dat IN HET PARK in Perspectieven van sept. 1946 is opgenomen. De vormgeving van Stroomversnelling werd door Alice von Eugen van Querido in handen van Susanne Heynemann (*1913) gelegd. Het archief van Heynemann werd na haar overlijden in 2009 overgebracht naar het NAGO (Stichting Nederlands Archief Grafisch Ontwerpers).

Een maand na Stroomversnelling struikelde Hella over zichzelf.




De Koningin des Hemels (1945)

In het Tweewekelijks Tijdschrift voor jongeren Ruim Baan van 21 dec. 1945, het kerstnummer, is de titelloze ‘Legende’ De Koningin des Hemels geplaatst. Haasse heeft ze onder de titel Maria-legende met een paar wijzigingen in Balladen en legenden (1947) opgenomen. “De Koningin des Hemels staat / op ’t gouden hoogaltaar / in sterrenflonkerend gewaad, / en heft met vroom gebaar / zo teder en ontroerend jong / nog maagd’lijk schuchter haast, / het wonder, dat haar schoot ontsprong, / en glimlacht half verbaasd”. En zo voort, bijna honderd regels bigotterie, hersenloos en sentimenteel. Mijn verstand staat erbij stil. Ja, het is “vrij naar een oud-Frans verhaal”, het is misschien literair (zij het van de ergerlijkste soort). Maar het valt volledig uit de toon en buiten de koers van Ruim Baan dat nadrukkelijk actueel was in die maanden dat wel Duitsland maar niet het fascisme overwonnen was, de Koude Oorlog de vrees voor een nieuwe oorlog aanwakkerde, en de kwestie Indonesië Nederland vergiftigde. Een paar weken eerder was Stroomversnelling uitgekomen! Dit snertgedicht citeer ik, niet om Haasse posthuum te pesten, maar om te laten zien langs welke kronkels Haasse zich op haar levensweg liet slepen. Radeloos vraag je je af : had HSH echt niet in de gaten dat er iets misging? Ze had naar de dokter gemoeten voor een antibigoticum.
   Schrikken is het ook in het jaarboekje Singel 262 van 1948, wanneer je daar op pag. 12 e.v. De Kerseboom tegenkomt, uit Balladen en legenden. Vier bladzijden kerstmis-zoetelijkheid. Een paar coupletten plaats ik in de Appendix. Weerzinwekkend, onrustbarend ook, want hoe kun je hierna een hoogdravend essay van dezelfde schrijfster nog serieus nemen? Ach, wie het ‘volkslied’ Das himmlische Leben uit Mahlers Vierde apprecieert zal ook met De Kerseboom niet zoveel moeite hebben. Zelf ben ik blij opgegroeid te zijn in een min of meer vrije omgeving waar de jeugd niet consequent en dwingend met zulke ‘volksliederen’ bestookt werd. Alhoewel, in datzelfde jaar 1948 kwam Tjoet Nja Din van Székely-Lulofs uit, over de Atjeh-oorlog, dat onmiddellijk door de Nederlandse regering verboden werd. Deze repressie heeft de schrijfster kapot gemaakt. Slotzin van haar boek : “Zullen wij dan niet tenminste de haat gunnen aan haar, die aan ons alles verloor, wat zij bezeten heeft en liefgehad?”
   In dit verband is het zinnig op te merken dat Haasse in 2003 tegen Arjan Peters zei “een godsdienst, nee, die heb ik niet. Ik heb er ook geen enkel verlangen naar” (De tien Geboden). In de jaren ’40-50 zou Haasse dat niet met zoveel stelligheid beweerd hebben, getuige ook andere gedichten uit deze periode en Stroomversnelling. In Matrozenmeid, voor Sonnevelds gezelschap geschreven tussen ’45 en ’47,  luidt het vijfde couplet “Ik waak en ik wacht / op zijn stap in de nacht, / die komt, en mijn huis weer zoekt. / Opdat hem niets deert / heb ik bidden geleerd. / Dat klinkt vreemd, als je steeds hebt gevloekt”. Het zegt weinig, maar Hella, Wim en hun ouders stonden bij de BS als (vrijzinnig) Nederlands Hervormd ingeschreven. Hella zegt in een interview met Arjan Visser in Trouw, 20 sept. 2003 : “Ik ben ‘per ongeluk’ gedoopt. Het gebeurde in wat vroeger de Willemskerk heette, de Ned. Herv. kerk. […] Als je in die tijd opgroeide in een bepaald milieu, was het usance dat je trouwde in de kerk en er later ook je kinderen liet dopen”. De Haasses, ook Käthe”s zus Lily met man en kinderen, kwamen in hun Indische jaren alleen in de kerk bij huwelijken, begrafenissen en doopplechtigheden, die ook de functie van reünie voor familie en vrienden hadden (de afstanden zijn groot op Java).
   Met deze kant van Haasse’s persoon heb ik geen contact, ik kan me er niet in inleven, evenmin als in verschillende van haar gestoorde of karikaturaal vertekende romanfiguren. Haasse’s twee brieven in Ruim Baan van oct. 1945 aan een fictieve Meta, die met het Rode Kruis naar Indië gaat “om te helpen dat grote en belangrijke land weer op te bouwen”, zijn getiteld “Zo leefden wij in Indië”. Ze beschrijven de fraaie woonwijken van Batavia, waar Haasse sinds 1938 niet meer geweest was. Over de zorgelijke onmiddellijke toekomst van speciaal Europa, waar de Koude Oorlog al begonnen was, geen woord. Op 17 aug. 1945 was de Republik Indonesia uitgeroepen, de Bersiap teisterde Hollanders, Indo’s, Molukkers, Chinezen en wie van wat dan ook beticht werd. De ‘politionele acties’ werden voorbereid. Kan Ruim Baan een spiegel des tijds genoemd worden, Haasse’s bijdragen zijn het allerminst.
   Mensen kunnen zeer tegenstrijdige meningen en gevoelens met zich meedragen – en verdringen. Dat is een feit. Langs die omweg redenerende kan ik Haasse in haar vele verschijningsvormen toch enigszins ‘begrijpen.

                                  Brits konvooi in Buitenzorg 1945.

Britse, Brits-Indische (de Gurkha’s) en Australische soldaten trachtten her en der op Java en Sumatra orde te scheppen en bewaakten in en rond de grote steden een aantal enclaves, voormalige jappenkampen, waar vervolgden een goed heenkomen vonden. Het Nederlandse gouvernement van Van Mook zat onmachtig in Australië en bereidde militair optreden tegen de pemoeda’s voor, in afwachting van het moment dat de Engelsen Nederlandse militairen in Indonesië zouden toelaten. Terwijl Nederlanders uit de enclaves geëvacueerd en in konvooien naar de schepen gebracht werden, terwijl de Britten Soerabaja veroverden, schreef Hella aan Meta over de karakteristieken van de vooroorlogse wijken van Batavia en de natuur van de Preanger. Goed, ieder mens heeft recht op een portie uitglijders, en Haasse was op een andere manier kortzichtig dan Schermerhorn, Drees, Beel, Romme, Van Mook, Spoor en Wilhelmina, maar dat Haasse in deze jaren van haar schrijverschap een helder besef had van ‘de toestand in de wereld’ kan niet gezegd worden.
   In 1948 verscheen Oeroeg. De novelle gaat over een blanke jongen (zijn naam wordt niet genoemd, zeg maar X), op Java geboren, sinds zijn kindertijd speelgenoot en vriend van een Javaanse jongen, Oeroeg. Hij gaat naar Nederland en keert na WO II terug in zijn geboorteland. Daar ontmoet hij Oeroeg, die voor de republiek Indonesië strijdt. X kan niet meer op zijn geboortegrond blijven maar voelt zich ook in Nederland niet thuis. Een lot dat in verschillende omstandigheden velen getroffen heeft. Oeroeg deed veel discussie oplaaien. De tweede politionele actie duurde nog tijdens de verschijning van Oeroeg. In de discussie daarover meng ik me niet. – Het toneelstuk Schaken met Diponegoro (1976, Haasse schrijft ook Dipanegara) maakt wel iets goed, naar de weinige besprekingen te oordelen, maar het stuk is zelden op de planken gebracht en niet gedrukt. Pas in 1995 kwam het tot een gelezen voorstelling. De Stichting Het Gezelschap van de Zee bracht het stuk in december 1998 (foto van de cast in het LM).

De tijd tussen 1945 en zeg eens 1950 is een van de meest beschamende in de Nederlandse historie. Jaren later, in 1992, had Haasse zich misschien af mogen vragen of de ‘witte’ invalshoek van haar koloniale roman Heren van de thee wel verstandig was, gezien in het licht van het bepaald niet vergeten politieke en militaire optreden van de Nederlandse staat jegens zijn voormalig Overzeesch Gebiedsdeel in de jaren na WO II (Lucebert schreef Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia, 1949). Haasse bij al haar begaafdheid liet in ’47 en ’48 De kerseboom drukken). In In tekst gevat noemde Maaike Meijer de Heren van de thee ‘een enkele reis tempo doeloe’. Ferguson volgde de ontwikkelingen in Indonesië en schreef in 1991 Angst op Java. Haasse bleef met zichzelf en haar grootmoeders bezig en schreef Zwanen schieten.

De gevangenneming van prins Diponegoro door generaal De Kock. Nicolaas Pieneman, een voorvader van mijn vrouw, tussen 1830 en 1835 (Rijksmuseum). Opdracht van koning Willem II. Oorspronkelijk genoemd De onderwerping van Diepo Negoro aan luitenant-generaal baron De Kock.

Een eerlijker voorstelling van de gang van zaken geeft het doek Historisches Tableau, die Gefangennahme des Javanischen Häuptlings Dipo Negoro (1857) van Raden Saleh. Dipo Negoro staat hier naast De Kock, die hem naar de onderhandelingstafel gelokt had, maar hem voor de rest van zijn leven liet opsluiten. Niet de laatste zwarte bladzijde in het drama ‘Nederland heerst over Indië’. Zie Esther ten Dolle in Indische Letteren (2013).

*    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *    *

WO II heeft weinig sporen in de poëzie van Hella Haasse nagelaten. Te noemen zijn niettemin Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw dat de ondragelijke spanning van het wachten op de Duitse inval in 1940 verwoordde, en het gedicht Rei van Stedelingen uit Stroomversnelling (1945), dat niet eerder in Vrij Nederland van 27 oct. 1942 heeft gestaan (typefout bij H. Alofs 1968), noch op 27 oct. 1945, tegelijk met de verschijning van de bundel.

Rei van stedelingen (1945)

 

       Stem

Geslacht tot rouw geboren —
          ■   ■   ■

             Tegenstem

Stem                 28 regels – 4 + 4 + 4 + 3 + 3 + 3 + 3 + 4
Tegenstem      28 regels – 4 + 3 + 3 + 3 + 3 + 4 + 4 + 4

Een drukproef is er voor Stroomversnelling wellicht niet geweest. In Tegenstem heb ik van het eerste woord “Zendt” de t weggelaten, en het gebruik van hoofdletters aan de loop der zinnen aangepast.
Met de “helle ster” bedoelt Haasse misschien de maan (Luna, Σελήνη), de Hondsster Sirius, of Venus. Of een zoeklicht boven Rotterdam. Maar waarom? Wat Stem wil zeggen is mij een raadsel, behalve de laatste twee regels, maar die zie je niet aankomen. Stem debiteert versleten letteren en losse aansprekende beelden doorelkaar. Aangenomen dat Haasse de inhoud van Tegenstem niet cynisch bedoeld heeft, klinkt het nogal naïef, spreekt van noordelijke veschijnselen als poolster en basalt (Eifel, de Hebriden, langs de zeeweg naar Ultima Thule), terwijl ook de dragers van deze opvatting “tot rouw geboren” zijn. Het gedicht hinkt op twee onverzoenlijke gedachten, uitgesproken in de slotregels. Het is tegen wil en dank een onuitgesproken vervolg op :

Ongepubliceerd gedicht.  Titel mag niet genoemd worden
Inhoud : Blijf waakzaam, Nederland

          ■   ■   ■           9 regels           ■   ■   ■        Batavia      Maart ’36 (LM)

Er ligt iets visionairs in deze regelen, evenals in Cassandra (Amsterdam 1939). Haasse gaat in het volgende gedicht een stap verder.

 

Ongepubliceerd gedicht.  Titel mag niet genoemd worden
Inhoud : het lot van Europa          

            ■   ■   ■           38 + 32 + 18 + 11 + 7 = 106 regels           Batavia Mei ’36 (LM)

Aantekening in de marge van blad 1 (handschrift van Hella) :
          ■   ■   ■
Nou, dat is wel zeker, en onderschat de invloed van vader Haasse en zijn vrienden (D. c.s.) niet.

HH (Hella signeerde haar gedichten uit deze jaren met Hella Haasse) doelt op Hans Günther, Rassenkunde des Jüdischen Volkes 1930 of Kleine Rassenkunde d. J. V. 1933. Niet op Oswald Spengler, Der Untergang des Abendlandes (1918 – 1922), die behalve in zijn jeugd (omgevingsinvloed) geen antisemiet was, door de nazis geboycot werd en in mei 1936 overleed.
   Het overnevelde land is het land van de Nibelungen. Die Götterdämmerung is de laatste opera van de tetralogie Der Ring des Nibelungen van Wagner. Het gedicht in vrije verzen is niet door een Indisch, maar door een zich Hollands voelend meisje geschreven, dat gelezen had over de nevelingen en de godendeemster. In Batavia kon niets uit de Ring uitgevoerd worden omdat de orkestbezetting te groot was en capabele vocalisten niet aanwezig waren. Hoogstens kan ze af en toe een fragment op de radio gehoord hebben.

Wim Haasse schrijft in zijn Recollections : “I also saw my first pictures here. [1928 in Genève of Montreux, TK] Two titles I remember, were “Nell Gwynne” and “The Nibelungen Saga”. In the first picture there was a man locked in a steel cage, who was kept on a starvation diet, and then lowered above the table where everybody was gorging themselves on food and wine. This gave me some sleepless nights. The second picture was about the Germanic hero Siegfried, who slew a dragon and then bathed in the animal’s blood. This made him invulnerable against being wounded. Unfortunately a leaf from a tree fell on his shoulder blade and left him vulnerable in that particular spot. Needless to say that became his undoing.”

Ook in 1935 in Nederland had ze een kans. De Wagner-Vereeniging heeft heel wat Wagneropera’s in de Stadsschouwburg van Amsterdam uitgevoerd. Keulen en Düsseldorf waren niet ver weg.
   Bedenk wel : dit gedicht is vier jaar vóór WO II geschreven, toen de toestand in de wereld angstaanjagend maar nog niet zo duidelijk was. Men wist toen nog niet – of wilde niet weten – wat men nu wèl weet. Dat neemt niet weg dat HSH er na 1940 ook nog niet veel van begreep, of gewoon wegkeek. Dat zal aan Douwe Radsma niet onopgemerkt voorbijgegaan zijn, lijkt me.

De Thule-Gesellschaft, goed bekend bij Adolf Hitler en consorten, rapporteerde over Tibetaanse mythen omtrent openingen in de aarde naar ondergronds gelegen gebieden. Hitler zou zelfs een expeditie naar Antarctica gestuurd hebben om deze openingen te vinden. Deze veronderstelling grondt zich op een toespraak die Admiraal Dönitz bij een Duitse onderzeeër in 1944 heeft gehouden. – Met Thule of Tile werd IJsland bedoeld, in mythische zin het noordelijkste eiland, Ultima Thule. James Cook noemde het meest zuidelijke groepje eilanden dat hij in 1775 “aan de rand van de wereld” ontdekte, Southern Thule. Het zijn drie onbewoonde eilandjes bij de Falklands.

The Myths of Thule and Vril.
The first element of Nazi occult beliefs was in the mythic land of Hyperborea-Thule. Just as Plato had cited the Egyptian legend of the sunken island of Atlantis, Herodotus mentioned the Egyptian legend of the continent of Hyperborea in the far north. When ice destroyed this ancient land, its people migrated south. Writing in 1679, the Swedish author Olaf Rudbeck identified the Atlanteans with the Hyperboreans and located the latter at the North Pole. According to several accounts, Hyperborea split into the islands of Thule and Ultima Thule, which some people identified with Iceland and Greenland. Louis Jacolliot, 1837-1890, beschreef als eerste het begrip ‘Vril’.

 

The second ingredient was the idea of a hollow earth. At the end of the seventeenth century, the British astronomer Sir Edmund Halley first suggested that the earth was hollow, consisting of four concentric spheres. The hollow earth theory fired many people’s imaginations, especially with the publication in 1864 of French novelist Jules Verne’s Voyage to the Center of the Earth.

 

Soon, the concept of vril appeared. In 1871, British novelist Edward Bulwer-Lytton, in The Coming Race, described a superior race, the Vril-ya, who lived beneath the earth and planned to conquer the world with vril, a psychokinetic energy. The French author Louis Jacolliot furthered the myth in Les Fils de Dieu (The Sons of God) (1873) and Les Traditions indo-européeenes (The Indo-European Traditions) (1876). In these books, he linked vril with the subterranean people of Thule. The Thuleans will harness the power of vril to become supermen and rule the world.

 

The German philosopher Friedrich Nietzsche (1844-1900) also emphasized the concept of the Übermensch (superman) and began his work, Der Antichrist (The Antichrist) (1888) with the line, “Let us see ourselves for what we are. We are Hyperboreans. We know well enough how we are living off that track.” Although Nietzsche never mentioned vril, yet in his posthumously published collection of aphorisms, Der Wille zur Macht (The Will to Power), he emphasized the role of an internal force for superhuman development. He wrote that “the herd,” meaning common persons, strives for security within itself through creating morality and rules, whereas the supermen have an internal vital force that drives them to go beyond the herd. That force necessitates and drives them to lie to the herd in order to remain independent and free from the “herd mentality.”

 

In The Arctic Home of the Vedas (1903), the early advocate of Indian freedom, Bal Gangadhar Tilak, added a further touch by identifying the southern migration of the Thuleans with the origin of the Aryan race. Thus, many Germans in the early twentieth century believed that they were the descendants of the Aryans who had migrated south from Hyperborea-Thule and who were destined to become the master race of supermen through the power of vril. Hitler was among them.


Lees hier Dr. Alexander Berzin, 2003.


Een goed boek over deze materie is geschreven door Michel Lamy, Jules Verne, initié et initiateur, 1984-1994-2005. De Amerikaanse vertaling (2007) heeft een schreeuwerige titel en het nadeel dat je hele zinnen naar het Frans moet terugreconstrueren voor de nuances.

                    DAGBOEK   van  Willem Walraven.
Nederlandsch-Indië, 10 mei 1941.
'Wie mij na 26 jaar hier in Indië ziet leven, ziet een typische kleinburger in zijn uiterlijke levensmanier. Weliswaar zal men bij nader onderzooek onder de huid iets anders vinden, doch dat andere moet meestal angstvallig worden onderdrukt en verborgen gehouden. Ik leef daarom terzijde. Ik ben in geestelijk opzicht zeer eenzaam, word vaak slecht begrepen, niet zelden lichtelijk gewantrouwd.
   Ik verloor den gang der evolutie in het vaderland grootendeels uit het oog. Ik zag sociaal-democraten ridderorden aanvaarden en van 'arbeiders' zag ik hen worden tot burgerheeren. Ik zag vooral ook jonge menschen uit Nederland in Indië komen, maar het waren geen jonge menschen zooals ik zelf was geweest indertijd.
   Er zijn welwillende en weldenkende Europeanen in den zin van voorheen. Men vindt hen nog op middelbaren leeftijd bij het Binnenlandsch Bestuur en bij andere takken van dienst. Maar onder jongeren en niet het minst onder hen, die in particulieren dienst zijn, vond het nationaal-socialisme zijn aanhangers in Indië. En naar mijn mening kan geen fataler slag Indië treffen dan een overwinning van het nationaal-socialisme.
   Dit is wat ik zeggen wil op den tienden mei. Men denke na en zij op zijn hoede voor den buitenlandschen, maar ook voor den thans zijn eigen krachten nog nauwelijks beseffenden binnenlandschen vijand.

       Ingekort fragment uit Op de grens, 1952, geciteerd uit De Volkskrant 11 mei 2019. Zie ook : The Myths of Thule and Vril.

———

In de zomer van 2011 vertelde HSH dat ze omstreeks 1925*), in de tijd dat haar moeder kuurde in Davos, in Zwitserland ‘Die Nibelungen’ van Fritz Lang had gezien. De film had diepe indruk haar gemaakt. Kort tevoren had ze hem tot haar grote genoegen opnieuw gezien. Nu wilde ze ook graag een moderne biografie over de toneelschrijver Friedrich Hebbel lezen. Ik vroeg waarom. Omdat hij een trilogie over de Nibelungen had geschreven, ongeveer in dezelfde tijd als Wagner. Zo keerde ze terug naar vroeger, naar haar fascinatie voor de Noord-Europese mythologie, die haar door de Duitsers was afgenomen.
        Peter van Zonneveld in Caraïbisch Uitzicht Lees hier
*) Dat moet in 1928 geweest zijn. Hella zat immers zomer ’28 in Montreux en eind aug tot nov 1928 in Baarn.

Tijdens de geallieerde opmars in sept 1944 wilde de Duitse legerleiding de Nijmeegse Waalbrug opblazen. Het lukte Jan van Hoof een deel van de onder de brug aangebrachte explosieven te verwijderen. Hoewel de Duitsers ze opnieuw aanbrachten, viel de brug ongeschonden in handen van de Amerikaanse en Engelse troepenmacht, omdat de Duitsers via de brug een tegenaanval hadden gepland.

Betuwe (geschreven 1946)

Betuwe, September 1944

O milde herfst, die ’t rinse ooft laat rijpen,
■   ■   ■
Als eens uw kindren rode appels eten,
en kersen, karmozijngetint en zoet,
vertel hun dan — opdat zij niet vergeten —
dat deze oogst gerijpt is uit ons bloed.                     36 regels – 9 cpl van 4 r

Opgenomen in: KOMPAS der Nederlandse Letterkunde, 1947. “Ik was er in September in geslaagd twee koffers vol fruit uit de Betuwe door de contrôle heen te brengen” (Zelfportret).

Na Rei in Stroomversnelling stelt Betuwe ’44, een lang, traag gedicht, teleur. Inhoudelijke logica is ver te zoeken. Dat is niet alles. In KOMPAS, samengesteld in 1946, staan van 126 schrijvers gedichten en verhalen. Verschillende hebben uiteraard recente gebeurtenissen uit WO II tot onderwerp. Haasse’s gedicht is het meest ‘verliteratuurd’. Het laatste couplet (de moraal) is meer dan larmoyant. Wíe wannéér de uitdrukking ‘Lest we forget’ of ‘Opdat wij niet vergeten’ gemunt heeft weet ik niet, maar in deze context is ze niet passend. Het klinkt naar, maar dit gedicht is getiteld Betuwe, September 1944, hoewel geschreven in 1946. Dat maakt de indruk van mosterd na de maaltijd. En . . . ons bloed? Het waren geallieerde parachutisten die uit de lucht kwamen vallen, geallieerde soldaten die met bootjes de Waal en de Rijn overstaken, voornamelijk Engelsen, ook Polen en Amerikanen. Ze verloren 17.000 man in de slag om Arnhem, de operation Market Garden, die duurde van 17 tot 25 september 1944.

Er is een andere kant aan dit verhaal. Hella zou een ‘appeltocht’ gemaakt hebben in 1942, periode Elza Hoek. “Ik was er in september in geslaagd twee koffers vol fruit uit de Betuwe door de controle heen te brengen” (Zelfportret als legkaart). Deze al dan niet verzonnen appeltocht laat ik maar buiten beschouwing.

Hella woonde volgens haar BS-kaart :
1943  6 dec Keizersgracht 641 hs Amsterdam
1944  Na haar huwelijk in Eindhoven (18 febr ’44) Geldropscheweg 154. Dit adres staat niet op haar BS kaart, wel op die van Jan (vanaf 26 jan 1944). Div. andere adressen?
1944  23 aug Jan Tongelreschestraat 171 Eindhoven ; duikt op in Amsterdam
1945  1 jan Rhijngeesterstraatweg 149 Oegstgeest
1945  7 juni van Breestraat 123hs Amsterdam

Het gedicht is getiteld
Betuwe, september 1944.
De operatie Market Garden vond plaats van 17 tot 25 sept 1944.

Persoonskaarten 1939-1994, NL-SAA-3785883. Stadsarchief Amsterdam.

Zou Jan zijn werk in Eindhoven even hebben verzuimd om in Amsterdam Dolle Dinsdag te vieren om daarna hetzij hals over kop terug te gaan, of was hij al langere tijd in Amsterdam ? Op 31 dec zou hij met Hella en Chrisje van Amsterdam naar Oegstgeest gelopen zijn zonder onderweg iemand tegengekomen te zijn, wat nogal onwaarschijnlijk is. In elk geval stond er een Duitse gemotoriseerde eenheid bij  de afslag Oegstgeest.

Het gedicht leggen we dus op het stapeltje naoorlogse verzetsfantasieën. De realiteit eist een verklaring voor het feit dat Hella en Jan, apart of tezamen, willens en in staat waren op onbekende datum uit Eindhoven naar het verhongerende Amsterdam te ‘reizen’ – er reden nog  treinen tot 17 sept. – over de rivieren. Vluchtten ze voor het front uit ? Vermoedelijk ging Hella, die in Eindhoven niets te doen had, al veel eerder naar haar werk in Amsterdam terug.

∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼

Hella vertelt na Mariken nog ongeveer een half jaar bij Cees Laseur gespeeld te hebben maar stopte toen haar man vrij kwam uit het concentratiekamp en ze in Eindhoven ging wonen. Haasse praat over haar eerste kind dat 11 nov 1944 in A’dam (!) werd geboren. Ze vertelt dat ze tijdens de oorlog wel schreef maar niet [clandestien] publiceerde. Daarin was ze een van de weinigen.
Marathon interview Hella Haasse VPRO aug 1993.

∼. ∼. ∼ .∼. ∼. ∼

DOOR DE OORLOG raakten de jonge geliefden Hella en Jan elkaar bijna kwijt. Van Lelyveld besloot in de zomer van 1943 via een internationale vluchtroute naar Engeland te komen. Haasse wilde per se haar toneelopleiding afmaken. ‘Daar had ik moeite mee. Vroeg of laat zou ze zich moeten melden bij de Kultuurkamer, of openlijk een andere keuze, tégen de Duitsers, moeten maken. Dat moest ze vermijden, vond ik. Bovendien was ze een meisje dat de aandacht trok, ik was bang dat de moffen mij om haar zouden uitschakelen.’
   Hij vond dat hij ‘iets moest doen’: "Mijn grootvader en overgrootvader, ze heetten allebei ook Jan, waren militair. Alleen, ze hadden nooit een oorlog meegemaakt. Ik dacht: nu is het oorlog, het kan niet zo zijn dat deze Jan geen poot uitsteekt.
   Door mijn beslissing kwam er een verwijdering tussen Hella en mij. Ze wist zeker dat mij iets vreselijks zou overkomen. Maar ze heeft een moedig karakter. Ze accepteerde mijn beslissing en liet me gaan. Als ik toen had geweten hoe eenzaam ze was na mijn vertrek, was ik nooit gevlucht.’ Hij werd op de eerst dag van zijn vlucht gearresteerd en geïnterneerd door de Duitsers, eerst in Vught, later in Amersfoort. Haasse hoorde pas weken later van zijn gevangenschap, ze speelde op dat moment de titelrol in Mariken van Nieumeghen. ‘Haar ouders zaten in een jappenkamp in Indië, ik zat vast en haar enige broer was marine-officier en vocht op zee. Hij liep dus ook gevaar. Die eenzaamheid, dat verdriet heeft haar echt aan het schrijven gebracht. Schitterende verzen maakte ze toen. Schrijven gaf soelaas.″
     [ Ten minste de laatste drie zinnen neem ik niet serieus, TK ]

DE AFSPRAAK OM te trouwen was snel gemaakt toen Van Lelyveld begin jan ’44 wegens gebrek aan bewijs door de Duitsers werd vrijgelaten. “Van die beslissing heb ik geen spijt. Soms is een instinctieve keuze honderd maal beter dan een rationele. Ik kon een onderduikbaan bij Philips in Eindhoven [dat toen dus nog niet door bombardementen uitgeschakeld was, TK] krijgen, Hella wilde weg bij het Centraal Toneel.*) Omdat ik een salaris had, kon zij zich volledig richten op het schrijven". Het huwelijk werd gesloten op 18 februari 1944. […]
[*) Integendeel, Jan wilde dat Hella ophield met toneelspelen. TK]
   “Precies negen maanden na het huwelijk werd Chrisje geboren [11 nov], aan de vooravond van de hongerwinter. Onze laatste vijfentwintig gulden hadden we op Dolle Dinsdag [5 sept ’44] uitgegeven aan een feestdiner in het Parkhotel in Amsterdam. Heerlijk tarbot gegeten. Wisten wij veel dat het ergste nog moest komen. Hella had teksten geschreven voor het cabaret van Wim Sonneveld. Dat extra geld kwam goed uit, maar het was niet voldoende.” Waar ze woonden is niet bekend.
   Op oudejaarsdag (?) ‘vluchtten’ Jan en Hella (volgens Hella) met Chrisje, te voet, van A’dam naar Oegstgeest waar de ouders van Van Lelyveld woonden. [Er is reden tot twijfel aan deze bewering.] Daar begon Haasse met haar historische roman Het woud der verwachting, over Charles van Orléans. ‘Hij begreep niet waarom ik juist in die periode in de Middeleeuwen dook’, schreef Haasse later.
   Artikel ‘De dame van de thee’ uit De Groene Amsterdammer 18 feb 1998

Dit artikel is al niet zo goed (Hella wordt weer eens ‘letterlijk onpasselijk’), het LM spant de kroon met :
   Hella is dan al getrouwd met Jan van Lelyveld en heeft een dochtertje, de op 11 november 1944 geboren Chrisje. Ze wonen in Eindhoven, waar Jan een onderduikbaan heeft bij Philips. Daarna wonen ze korte tijd in Amsterdam, waar ze dreigen te verkommeren door kou en honger. Op oudejaarsavond 1944 gaan ze, de baby goed ingepakt in een groentekistje, te voet naar Oegstgeest, waar Jans ouders wonen.
   Op oudejaarsavond ! In verduisterd Holland ? Met een blindengeleidehond ? De jaarwisseling in het pikkedonker bij Abbenes gevierd langs de kant van de weg ?

“Op oudejaarsdag, zes weken na haar geboorte, moesten wij de stad ontvluchten. Nog voor de dageraad gingen wij op weg, met het onmisbare in rugzakken. Het kind sliep tussen kruiken in een oud groentenkistje, een geïmproviseerde reiswieg. Wij liepen langs de weg door de Haarlemmermeer naar Oegstgeest bij Leiden, een dagtocht. Links en rechts de velden in het vale licht van die laatste dag van het jaar' 44, natte sneeuw stoof over ons heen; soms moesten wij schuilen onder een van de viaducten. Bij een boer warmden wij melk voor het kind. Behalve zo nu en dan een eenzame voedselzoeker op een fiets met houten banden of achter een handkar, en een colonne Duitse vrachtwagens, kwamen wij niets en niemand tegen. In het bevroren gras van de berm lagen hier en daar de verroeste resten van stukgeschoten auto's, en brokken beton. De boerderijen, eenzelvig in elkaar gedoken als dieren in de winterslaap achter bomen en bosjes onder de lage loodgrijze hemel”.
     Dit is de bron van het verhaal over de voettocht op 31 dec 1944, in Zelfportret (1954)..

Een vergelijking met gegevens uit andere hoek ligt voor de hand. Allereerst betreffende de route. Wat doen twee wandelaars op een autoweg of provinciale weg waarlangs niet overal een fietspad loopt ? Viaducten waren er bijna niet in die tijd, wel bruggen en beslagboomde spoorwegovergangen, herinner ik me van een autorit A'dam-den Haag v.v in 1947.

J. L. Heldring herinnert zich "dat zij op een dag bij ons [in Leiden TK] aankwam, door de diepe sneeuw een sleetje achter zich aan slepend, waarop een kistje gebonden was waarin een baby lag. Dat moet Chrisje zijn geweest, die enkele jaren later zou overlijden – als gevolg van een verkeerde diagnose van de arts, zoals Jan mij eens jaren later vertelde". 
NRC 13 oct 2011.
Dat moet voorjaar 1945 geweest zijn. Oudjaar 1944 lag er te weinig sneeuw om een sleedje te kunnen gebruiken.

Het  weer op zondag 31 dec ’44. Matige wind uit het NNW. Koude dag met gem. temp. van 0,3 °C,  gevoelstemp. -4,6 °C. Min -2,4 °C, max 2,9 °C. Zeven uur en 42 min. daglicht. De zon scheen 3,1 uur. Geen neerslag. Hier en daar lag wat sneeuw. Afstand A’dam-Oegstgeest tegen de 50 km. Spertijd A'dam 20.00 u. – 04.00 u. Minstens tien uur lopen, onderbroken door hygienische stops, zoeken naar boerderijen / huizen voor warme melk en kruiken. Vlg. Hella hebben ze onderweg praktisch niemand gezien. Onmogelijk. Evenals de hoofdweg A’dam-den Helder werd de belangrijke N-Z verbinding A’dam-den Haag zwaar bewaakt. De mangaten (schuttersputten) langs de weg ken ik uit eigen waarneming (TK). Naast boomloze provinciale wegen waren ook Deckungslöcher gegraven. Door Hollanders, bij razzia's gepakt.
    Er bestond ook zoiets als Sperrzeit. Die was enigermate flexibel, begon van 0.00 tot 4.00 u., maar dijdde uit via 22.00-4.00, ook wel 6.00, tot 20.00-4.00 uur vanaf 5 september 1944. Maar schommelingen bleven voorkomen. Met Kerstmis 1944 hadden Jan en Hella - afgezien van de weersomstandigheden - een betere kans gehad ; in verschillende plaatsen (Leiden, Hilversum) was voor deze gelegenheid de spertijd (meestal 20.00-6.00) opgeheven of verruimd zodat katholieken naar de nachtmis of de vroegmis konden gaan, in het stikkedonker, dat wel, slechts enkelen hadden een knijpkat. De kerken in Leiden waren spaarzaam verlicht met van de Duitsers gestolen petroleum. Op de oudejaarsdagen 1943 en '44 is over verruiming van de Sperrzeit niets gevonden.
   Het Literatuurmuseum, de waardige opvolger van Dig Mus HSH, meldt : “Op oudejaarsavond 1944 gaan ze, de baby goed ingepakt in een groentekistje, te voet naar Oegstgeest.

OUDEJAARSNACHT 1944
Ons huis was koud, we lagen vroeg in bed om warm te blijven. Het liep tegen 12 uur, we kwamen uit bed, om elkaar om 12 uur gelukkig Nieuwjaar te wensen.
  Het was spertijd, op straat was niemand. Plotseling hoorden we buiten stemmen, wij gingen in ons tuintje staan en luisterden gespannen. Het was aardedonker, we hoorden het gepraat maar zagen niemand.
  Er klonk ook gepraat vanaf de veranda’s van de etagewoningen van de IJselstraat, ergens sloeg een pendule 12 uur, in de verte steeg een lichtkogel op,kennelijk door Duitsers afgeschoten. De lichtkogel zagen we langzaam verdwijnen. Het was even doodstil, toen barstte het geklepper los van ijzeren deksels van vuilnisbakken. Een oud Amsterdams gebruik. Het was een enorme herrie. Toen de herrie verstomde klonk er plotseling een luide mannenstem die het Wilhelmus inzette, toen gebeurde het, de mensen in de tuinen en op de veranda’s zongen luid het Wilhelmus mee, allemaal in het donker, anoniem. Een zeer aangrijpend moment in de kou. Het gaf een warm gevoel van hoop.

     http://www.zuidelijkewandelweg.nl/   Pagina van Chris de Keijzer

Jaartallen en datums.

Op 18 februari 1944 trouwde Hella Haasse met mr. Jan van Lelyveld. De plechtigheid vond plaats in Eindhoven, waar Jan op dat moment ‘een onderduikbaan’ had bij Philips. Na enige tijd keerde het echtpaar terug naar Amsterdam. “Hella staakt begin februari haar toneelcarrière [althans, zo schrijft Greetje Heemskerk in ‘Ik maak kenbaar wat bestond’] door contractbreuk te plegen bij het Centraal Tooneel; zij blijft echter wel indirect verbonden aan dit gezelschap door teksten te schrijven voor het zomercabaret van het Centraal Tooneel”. Zie hier korte bio-/bibliografie op dbnl
   Contractbreuk ? Huwelijksverlof. Haar echtgenoot, die zijn vrouw liever thuis zag zitten, had weinig in te brengen. Eind febr en in maart 1944 speelde Hella bij het Centraal Toneel in Mademoiselle en Soubrette (kaskrakers van Jacques Deval). Maar ze schreef ook Alleen voor dames, Tom Poes, Sprookjes, etcetcetc. Er moet druk contact met Amsterdam geweest zijn, ze schreef ook voor Sonneveld.
   Volgens de trouwaankondiging van 11 feb ’44 gaan H&J na hun huwelijk (18 feb) wonen a/d Geldropscheweg 154 Eindhoven. Dit adres staat niet op de BS kaart van Hella, wel op die van Jan (vanaf 26 jan 1944). Is men dat vergeten te noteren op haar BS-kaart, heeft ze zich niet aangemeld, of was ze alweer terug in A’dam  ? Het laatste, vermoed ik.
   Op 21 juni 1944 staat Jan ingeschreven aan de Tongelreschetraat 154 in Eindhoven. Dit adres kan fake zijn om de opsporingsdiensten te misleiden.
   Op 23 aug 1944 staat Hella ingeschreven aan de Tongelreschetraat 171 in Eindhoven. Dito. Op Dolle Dinsdag (5 sept ’44) zijn beiden in Amsterdam. O.K. Maar wanneer en waarom zijn ze naar Amsterdam gekomen ? Ik vermoed dat ze in A'dam Zuid een onderkomen hadden gevonden. Chrisje werd 11 november geboren.
   Op 1 jan 1945 staat Jan in Oegstgeest ingeschreven.
   Op 7 juni 1945 vestiging van Breestraat 123 hs, Amsterdam. Dit is tenminste een onweerlegbaar feit.

___________________________________________________________________________________________

Rotterdam. Een reis door de tijd (1990)             

Ik doorbreek nu de chronologie na 1945 voor de bijdrage van HSH aan deze 18 artikelen en 10 gedichten, die in het rijtje Rei van Stedelingen en Betuwe valt. Enkele medewerkenden : H.P. de Boer, Bob den Uyl, Hofland. Gedichten van drs. P, Ed Overheid, J. Eijkelboom, Hans Sleutelaar. En wat doet HSH ? Als ze ooit een kans, een gouden kans heeft gehad om schoon schip te maken na haar weinige halfslachtige late poeticale reacties op WO II, inzonderheid het bombardement van Rotterdam, was het wel in dit boek over de historie van Rotterdam.
   Zo schrijft in juni 1943 Corrie van Tuil (Cornelia Francisca Braak, getrouwd met Willem van Tuil) dat haar man sinds het bombardement op Rotterdam in 1940 aan een zenuwinzinking lijdt. Corrie was een zus van Nelly Braak, echtgenote van de acteur Cor Dommershuizen sr. Vader en zoon D. zaten op dat moment in kamp Vught.
   Corrie schreef aan Cor in Vught “Beste Cor, Hiermede even een groet van ons uit Rotterdam. Ik heb bij Nelly gehoord dat het jullie goed gaat. Gelukkig maar en houd goede moed, er komt wel weer vrijheid voor je hopen we.
Bij ons is veel gebeurd in dien tijd. Mijn Man ligt al 4 maanden in een zenuw-inrichting buiten de stad. Ik bezoek hem 2x p. w. en dat geeft hem veel afleiding. Ook woon ik niet meer in de Groote Visscherijstraat want ons huis is op 31 Maart door Engelsche bommen totaal vernield, jammer van mijn mooie boeltje hè. Het is moeilijk om aan een nieuw huishouden te komen, want er waren hier in R. 4000 gezinnen dakloos, bijna het geheele westen bij mij daar is weg”. — Dit betreft de familie Braak (van ‘Oma Cor’, die óók Cornelia Francisca heette). Er woonden toen in Rotterdam geen Haasses meer.
   Honderden zo niet duizenden grepen in mei 1940 naar de pen en uitten hun machteloze woede in een gedicht. In Rotterdam – Een reis door de tijd vindt men gedichten als Kerstmis 1944 In de mensen een welbehagen, Oorlog, De Maas. HSH, die 1919-1922 in Rotterdam gewoond heeft en er nadien nog een paar maal geweest is, schreef een historisch vertoog over het jaar 1481. Geen enkele behoefte iets persoonlijks of actueels voor dat boek te schrijven. Niets over haar familie. Ze bleef gewoon in haar eigen wereldje zitten.

Vrouwe van Amsterdam (1948)

“De Amsterdamse vrouwen bieden ter gelegenheid van het regeringsjubileum Hare Majesteit de Koningin een gedenkboek aan : De Nederlandse Vrouw 1898–1948.” Niet te verwarren met VROUWEN VAN NEDERLAND 1898-1948, red. Dra M. G. Schenk. Wilhelmina was in 1898 gekroond. Het boek opent met een gedicht van Hella Haasse :

Zij heeft een kroon van torens op
■   ■   ■             96 regels – acht cpl van 12 r

Het volledige gedicht, een waarlijke ‘draak’, is, voorzien van commentaar, in de Appendix opgenomen. Evenals bij De Koningin des hemels bespeur ik al lezende enige plaatsvervangende schaamte.

DAMSTAD

Ter gelegenheid van het 500-jarig bestaan van de Kalverstraat werd van woensdag 14 juni t/m zaterdag 15 juli 1950 de manifestatie DAMSTAD gehouden. Op het Damplein werd een ommuurd stadsmarktplein aangelegd met een heuse toegangspoort. Naatje kwam voor een maand terug en werd verwelkomd door Simon Carmiggelt.

  

                   Omslagen van toneelstukjes van Haasse gedrukt 1951. Coll. TK
                  Vereniging van Vrijzinnige Protestanten in Nederland (VVP NL).

De zondagen 18 & 25 juni en 2 & 9 juli waren bestemd voor folkloristische gebruiken als volksdansen, vendelzwaaien, het z.g. koningschieten enz. Voor de doordeweekse dagen zou Haasse drie openluchtspelen geschreven plus de draaiboeken voor de regisseur geschreven hebben :
– De Blijde Incomste van Maria van Medici, Koningin van Frankrijk in Amsterdam, 14 t/m 22 juni.
– Het Amsterdamse Prentenboek opengeslagen, 23 juni t/m 29 juni, m.m.v. de balletgroep Dansrecital.
– [De] Toverlantaarn van Mercurius 30 juni t/m 6 juli.
Ook heeft ze geschreven “Jan Klaassen leeft”, volgens het Haarlem’s Dagblad “een groot spel”.

Het boekje 500 jaren tussen Dam en Munt (1950) van M. G. Emeis jr. bevat veel foto’s maar houdt zich niet met de programmering en de medewerkenden bezig.

De opening van Damstad werd door een flinke regenbui van 7 naar 8 uur verschoven, toen vielen de laatste druppels. Na de intocht per caleche en overhandiging van de poortsleutel door burgemeester d’Ailly aan Ben Groeneveld werd Hoe de Schout zichzelf aan het schandblok bracht uitgevoerd om de kersverse burgemeester aan zijn plichten te herinneren. Het hoogtepunt van de avond was het eerherstel van Naatje, die tijdens de plaatsing door het volk werd toegezongen : “Nu gaat Naaije treurig heen / O, noje le heine, ze moet verdwijnen / Nu gaat Naatje van de Dam / Ze moet verdwijnen voor de Electrieke Tram”, en door Simon Carmiggelt hartelijk werd verwelkomd.
   In de laatste week gingen er mini-toneelstukjes als Hoe de Schout zichzelf aan de schandpaal bracht ; Jan Klaassen en Katrijn ; Een Amsterdamse jongen redt de beurs en Liefdadigheid naar vermogen.

In de kranten valt te lezen dat de voorbereidingen zeer rommelig verliepen en er op het laatste moment wijzigingen in de programmering zijn aangebracht. De Schout was op de openingsdag ’s middags nog ter plekke gerepeteerd.

Tussen de twee hoofdnummers van deze avond door zij dan vermeld, dat Damstad een nieuw programma heeft ingeluid. Het historisch spel der blijde intocht van Maria de Medicis is vervangen door een ballet „Amsterdams Prentenboek”; een kleurig, maar in deze ruime omgeving en zonder nadere toelichting niet zeer boeiend schouwspel, ondanks het feit, dat vaak uitnemende balletdans te zien wordt gegeven. In plaats van het kleine spel „Hoe de schout zichzelf aan de schandpaal bracht” wordt thans een soort Jan Klaassen-spel voor het stadhuisje vertoond en het is een kwestie van smaak, of men dit levende poppenkast-tafereel prefereert boven de geschiedenis van de rechtvaardige schout.

Algemeen Handelsblad 24 juni 1950  

 

In Damstad, de middeleeuwse stad in de stad van Amsterdam, kan men elke dag de merkwaardigste taferelen aanschouwen. Rechtsgedingen, waarbij de schout zichzelf tot de schandpaal veroordeelt, huwelijksvoltrekkingen in de stijl van vijf eeuwen geleden, reizende kooplieden, kwakzalvers, marktschreeuwers, hoplieden hellebaardiers en voorts een leger van de beminnelijkste maagden, die er zich niet om schijnen te bekreunen, dat ze een eeuw of wat bij de mode ten achter zijn . . .
   Een grote gebeurtenis is — telkens weer! — de intocht van Maria de Medicis, koningin van Frankrijk, haar plechtige ontvangst en de hieraan verbonden uitbundige feestelijkheden van de poorters en de poorteressen. Uw verslaggever had persoonlijk nog het meeste schik in de houding van een page, achter op het rijtuig van de machtige vorstin, die (het was buiten Damstad en tijdens een verkeersstremming in de Paleisstraat) gedachtenloos een sigaret opstak! Hij had zich blijkbaar niet volkomen in zijn rol ingeleefd!

De Heerenveensche koerier 3 juli 1950

 

Inline afbeelding 5    

                    De Waarheid 7 juli 1950                            Naatje op de rug gezien

 

In Damstad begint Vrijdag het laatste programma. Als groot spel op het podium voor het Koninklijk Paleis wordt vertoond “Jan Klaassen leeft” van Hella Haasse, gesproken door Hetty Blok, Kees Brusse en Henk Schaer, gemimeerd door Riemke van der Voort, Frits Butselaar en Pierre Kamminga. Kees van Iersel heeft de leiding, ook over het kleine spel “Liefdadigheid naar vermogen”.

   Hans Tiemeyer treedt op als schout. In de Poesjenellenkelder wordt vertoond “Bastien en Bastienne” van Mozart met poppen en décor vaan Aad de Haas door “Het kleine wereldtoneel” en “De schandere dief” van Nico Wijnen door het gezelschap  “Prince Poucet”. Het ballet van Sonia Gaskell brengt ten tonele “Alles om een mantel” met muziek van Kees Stokvis.

Haarlem’s Dagblad 5 juli 1950

Damstad met een herberg, Naatje enz.                     ANP PHOTO G vd Werff

Onderstaande recensie geeft een duidelijk beeld van wat er in Damstad nog meer gebeurde.

Ballet van Sonia Gaskell komt in Bloemendaal

. . . dit vroege stadium van ontwikkeling natuurlijk niet verwachten. Begonnen wordt met de choreografische bewerking van een oude Griekse fabel over een weddenschap tussen zon en wind (algemener: tussen de goede en de kwade elementen) door Sonia Gaskell op muziek van Kees Stokvis, waarvoor de beeldhouwer Fred. Carasso de costuums ontwierp. Deze speelse fantasie is geschreven voor de jonge krachten en alle rollen (op één na) worden dan  door de leden van het corps de ballet, met de amper 16-jarige Marianne Boudijn als eerste onder haar gelijken. Het gedeelte voor de pauze bevat verder vijf fragmenten (de prélude, twee walsen en de beide mazurka’s) uit de betoverende Chopin-suite “Les Sylphides” van Michel Fokine, uitgevoerd door Marie-Jeanne van der Veen, Louki van Oven en Pieter van der Sloot, met Maria Huisman de solisten van het ballet-gezelschap, buiten kijf de beste krachten hier ten lande.

   Het tweede gedeelte van de avond bestaat uit “Odysseus en Kalypso” op speciaal gecomponeerde muziek van Arnold Juda (idée en choreografie van Sonia Gaskell) en het “Oud-Amsterdams Prentenboek” op muziek van Ruppe en Julius Röntgen, dat door Pieter van der Sloot als divertissement voor Damstad werd ontworpen en daar tientallen keren op het podium voor het paleis tot kleurig leven kwam. Het bestaat uit drie delen, achtereenvolgens handelend over zeemansvrouwen van de Spaanse Brabander (naar Breero) en tenslotte over liefde en ijsvermaak. “Odysseus en Kalypso” moet beschouwd worden als het voornaamste onderdeel van het programma. Het is gezet in een strak-volgehouden neo-klassieke stijl, die de dramatische spanning scherp doet uitkomen. Alle begeleidingen worden verzorgd door de pianist Eric Blauwkuip.

Haarlem’s Dagblad 31 aug 1950

                 

De volkstoneelstukjes betekenden een nieuwe stap in Haasse’s leven. De verbinding met het Christelijk Jeugdtoneel was gestimuleerd door Nijhoff. Hoe kort het contact ook geduurd mag hebben, het bracht Hella in aanraking met andere mensen, wat ze volgens mij hard nodig had om niet innerlijk te vereenzamen, anderen bezig te zien, dat chaotisch innerlijk een richting te geven. Het vergrootte tevens haar vakkennis. Onderstaand artikeltje getuigt ervan.

Belangrijke stap :  Divina Commedia opgericht
TE AMSTERDAM is door de Vrijzinnige Christelijke Jeugd Centrale en de Hervormde Jeugdraad een lekenspelgroep opgericht onder de naam “Divina Commedia”. De verantwoordelijkheid voor de opvoeringen berust bij een commissie […]. In de raad van bijstand, die de commissie ter zijde staat, hebben zitting Claudine Witsen Elias, Hella S. Haasse, N. de Jong-Schermerhorn, en voorts mr M. Nijhoff, Cruys Voorbergh, Johan Winkler en prof dr E. L. Smelik.

Divina Commedia stelt zich ten doel te Amsterdam de drie bijbelse spelen van M. Nijhoff (welke bij de uitgever Daamen verschenen zijn in een bundel “Het Heilige Hout”) op te voeren, en voorts om experimenteel werk te verrichten op het gebied van religieus lekespel.
“De Ster van Bethlehem”, Nijhoffs Kerstspel dat reeds door de opvoeringen van V.C.J.C. grote bekendheid heeft gekregen, zal onder regie van Ben Albach worden opgevoerd in de Nieuwe Zijds Kapel, Rokin 78A op 26, 27, 28 en 29 December om acht uur des avonds en nog op 27 December om drie uur des middags, in de gevangenis Amstelveenseweg.
Het Vrije Volk 22 dec 1950

Hoe de schout zichzelf aan de schandpaal bracht (toneelspel, 1951)

Dit toneelstukje – ze kunnen niet allemaal even goed zijn – vind ik gewoon maf. Bloch (1953) is wat beter. Een draad in het donker (1953), De vrijheid is een Assepoes (1955) en De Brug (1970) zijn aanzienlijk geslaagder, realistischer, actueler. Uitgegeven door de VRIJZINNIG CHRISTELIJKE JEUGD CENTRALE, Utrecht – 1951. Tweede uitgave : De Toneelbibliotheek, Hauwert, z.j. Auteur Hella Haasse zonder de S van Seraphia. Er is een epiloog, hier “Moraal” (jawel!) geheten, van tien verzen, waarin vijf van de spelers zich na afloop van het toneelstuk, wanneer de Schout in het schandblok is geslagen, tot het publiek wenden. Derde uitgave ‘Hoe de Schout zichzelf aan de Schandpaal bracht’ uitgegeven door de Christen Jonge Vrouwen Federatie, Utrecht (1951).

               Dat men zich spieg’le aan wat hier gespeeld werd tot nut en vertier.
                ■   ■   ■         10 regels       

Haasse schreef nog Man en macht, Het donkerste uur en andere hier niet genoemde toneelspelen onder de naam Hella Haasse, zonder de S van Serafia. In 1950 woonde ze in Nijmegen een uitvoering van Man en macht bij. NB Hein de Bruin heeft een boekje getiteld Man en Macht (twee verhalen, 1938) het licht doen zien.

Een Amsterdamse jongen redt de beurs (toneelspel, 1951)

Eenacter van 8 blz. Uitgave : VRIJZINNIG CHRISTELIJKE JEUGD CENTRALE / Utrecht – 1951.

De Epiloog van 10 regels luidt :

                Wat hier (als spel) gegeven is, Vormt, o publiek, geschiedenis.
                ■   ■   ■          10 regels  

 

Het treurig spel van Jan Klaassen en Katrijn (toneelspel, 1951)

Ondertitel : of Ongeschikt voor de Houwelijcke staat. Korte eenacter (10 blz.).
Uitgave : VRIJZINNIG CHRISTELIJKE JEUGD CENTRALE / Utrecht – 1951. Auteur Hella Haasse, zonder S.
Proloog van 10 versregels, epiloog van 16 versregels. Ook hier neemt dominee Haasse het laatste woord, evenals in haar eerste roman ‘Kleren maken de vrouw’. Deze kindertoneelstukjes hebben –- lijkt het wel – de ‘Oudt-Hollandsche’ schrijfsels (Mengeldighten) van haar vader in Indische kranten tot onbewust voorbeeld gehad.

               Thomas Dirksz Geacht publiek, hoor de moraal van dit bijzonder triest verhaal.
               ■   ■   ■ ■   ■   ■ proloog 10 r  ;  epiloog 16 r

 

Liefdadigheid naar vermogen  of  Graag of niet (toneelspel, 1951)

Uitgave : VRIJZINNIG CHRISTELIJKE JEUGD CENTRALE / Utrecht – 1951. Auteur Hella Haasse, zonder S.

De MORAAL (tien regels) luidt :

               Juwelier Dank zij heer Valmoretti’s goud was ’t weeshuis spoedig opgebouwd.
               ■   ■   ■ ■   ■   ■           10 regels

 

Dan komt er af en toe iets te voorschijn als Gemengd Kamperen  (VPRO 1951, 8'). Nadere gegevens ontbreken.

 Yvonne de spionne, duur 6 min. 2'.

Drie gedichten. Singel 262 (Zeventien dichters, 1952)

In 1952 stonden in Zeventien dichters (reeks Singel 262), drie gedichten van Haasse, DE RAADSELRIDDER, overgenomen uit Balladen en legenden, en (nieuw) Wentel de steen van mijn graf en Goudgroen geboomte. Kelk wijdt in zijn voorwoord twee regels aan Haasse, die “zich het meest getoond [heeft] als vertelster op de lange duur en zonder vluchtigheid. Is het wonder dat het verhalende gedicht haar het meest bekoort?” Wel, verhalen zie ik in deze gedichten niet. DE RAADSELRIDDER is een infantiel uit het Engels vertaald versje dat schril contrasteert met de twee volgende gedichten. Had Hella ook het refrein ervan vertaald, dan was duidelijker geweest dat het om een dansliedje gaat, waarbij het melodie/tekstritme hoofdzaak is en de tekstinhoud bijzaak. Maar dan nog . . .
   Ook meent Kelk in het algemeen “Wat een dichter oproept behoort grotendeels tot het gebied van het woordeloze. Men merkt het aanstonds als een prozaïst aan het dichten is : zijn gewoonte, concreet en duidelijk te zijn, beïnvloedt zijn instrumentatie van het vers. Wij zien dit aan de gedichten van Helman, Elis. Zernike, van Stuiveling, Hella Haasse en zelfs nog enigszins aan die van Kossmann. Prozaïsten gunnen minder het woord de eigen groeiruimte in de melodie van het vers”. Hella had toen al Het woud der verwachting en De verborgen bron op haar naam staan.
   In Wentel de steen wordt een existentiële crisis beschreven, of een benauwende droom ; de situatie is Haassiaans : de ‘ik’ is levend begraven. “Ik wil, van windsels bevrijd, deel aan de werkelijkheid” roept onmiddellijk “het ik dat verhalen moet verzinnen, om deel te hebben aan de werkelijkheid” in Zwanen schieten (1997) op. Een tragisch levenslot, lijkt me, zo’n levenslange moeilijke relatie met ‘de werkelijkheid’.
   “Het is begonnen met dromen. Ik doolde door grotten, onderaardse gangen, labyrinten van dalende en stijgende kokers” aldus Haasse in De tuinen van Bomarzo. Het leidde tot schrijven als zelfanalyse. Romans schrijven dan – het dichtwerk is van deze taak vrijgesteld. Het is te betwijfelen of het œuvre van een auteur voor wie het willen begrijpen van de eigen identiteit – als dat mogelijk zou zijn – het eerste levensdoel is, erbij gebaat is wanneer dat œuvre als werkplaats, zeg maar als divan in de spreekkamer moet dienen. Aan de andere kant moet men uitspraken van Haasse in het oog houden als “tegelijkertijd wist ik dat ik er absoluut niets van begreep, dat ik niet kón begrijpen en dat het ook volkomen onzinnig zou zijn om het te willen begrijpen” (De tien geboden).
   — De slotzin “In jouw as…” kan men zich voor de begrijpelijkheid tussen aanhalingstekens geplaatst denken. Het is “Gij” die de slotzin uitspreekt, althans dat hoopt “ik”.
Goudgroen geboomte etaleert wat het Indisch natuurschoon zoal te bieden heeft, maar het is een idealisering van de natuur, waarin het ene dier “in onschuld” het andere verslindt, en dat alles “heeft deel aan U”, dezelfde die in het vorige gedicht met “gij” zonder hoofdletter werd aangesproken, in het voorvorige de Hovenier was, en in het voorvoorvorige de Zaaier (die bommen zaait). De Slager wordt bij bij Haasse niet aangetroffen. “Verbannen uit dit rijk” : Gods rijk, en tevens kan Indië bedoeld zijn, waarnaar Hella niet metterwoon kon terugkeren. De betekenis van “wanneer het gaat te vragen aan wie U verstaat” ontgaat me. Evenals in het vorige gedicht wordt enigszins verhuld de zijnsvraag gesteld, aan Hem die de Grote Schuldige is. Aan de verkeerde dus. De lezer voelt zich in het ootje genomen, hij denkt genoeglijk naar een natuurtafereel te kijken. “Geheimschrift Gods”, nou ja, boomblad als Gods schrijfblad, moet kunnen, maar als in een catechisatie-verhaaltje wordt de of het Hogere zélf aangesproken. God én Java buiten bereik, gedicht vervloeit tot melodraam. Zulke lange ikjes doen een tikje kitscherig aan. Wie vaak in de ikvorm schrijft loopt het risico te weinig afstand tot dat ik te houden. De lezer is niet altijd gelukkig met ongefermenteerde ikkerlijke oprispingen. Ook Hella Haasse heeft de gevaren van de ikvorm niet altijd onderkend. Het eerste woord van Stroomversnelling is ‘ik’, en vier van de volgende 12 gedichten hebben ‘ik’ in de eerste regel. Dat zegt iets over de gerichtheid van de bundel en de autrice, maar niet over de kwaliteit van de afzonderlijke gedichten. Het ‘wij’-gevoel heeft Hella óók beleefd. Het klinkt sterk door in Ik zag Cassandra in ’t Concertgebouw. Dat gedicht begint met ‘ik’ en eindigt met ‘wij’. Maar het is geschreven vóór ca. 1943-1953, waarin Haasse met problemen van verschillende aard te kampen had. Strofen 4-4-4-4-6-6-6.

  Wentel de steen van mijn graf        16 regels
■   ■   ■
Goudgroen geboomte         18 regels
■   ■   ■

In Wentel de steen heb ik in overeenstemming met Ad den Besten, Stroomgebied, 1e en 2e druk, in regel 6 en 16 de punten aangevuld die in Zeventien dichters (Singel 262) ontbreken.

Een draad in het donker (toneelspel, 1953)

Hierin  Treur niet  —  een gedrukt maar toch onbekend gedicht van Hella S. Haasse

Aan het slot van het korte proza-toneelspel Een draad in het donker (geschreven 1954, gedrukt 1963), derde bedrijf, derde tafereel, verschijnt in een droombeeld Dionysos aan Ariadne, die door Theseus en Phaedra op Naxos is achtergelaten. Dionysos spreekt in een dialoog twaalf keer tot Ariadne, in jambische verzen zonder eindrijm. Zij antwoordt hem steeds met korte verzen zonder metrisch patroon, wat een prachtig effect maakt. Hij declameert, zingzangt, zij geeft weerwoord op haar eigen nuchtere wijze maar valt niet uit de dialoog. We zien hier een meervoudige vermenging van proza en poëzie. Het is een van de langste gedichten van Haasse en daarvan zeker het mooiste. Wanneer Dionysos zich voorgesteld heeft tracht hij Ariadne te overreden bij hem in zijn goden(schijn)wereld op het onbewoonde eilandje te blijven. Maar na een principiële meningsuitwisseling blijft Ariadne bij haar standpunt en laat Dionysos haar met een koninklijke geste gaan. Hij, de losbol, sluit geordend en beheerst af met een sextet, drie disticha en weer een sextet, terwijl Ariadne haar bezinning verliest. Dan ontwaakt ze, Dionysos heeft haar genadiglijk drie dagen in de tijd teruggezet, ze blijkt weer in Knossos op Kreta terug te zijn. De dialoog tekent de gespletenheid, de eeuwige tegenstelling tussen het zoeken van altijd geldende aletheia en het dionysisch momentbeleven, tussen ‘Athene’ en ‘Naxos’, tussen werkelijkheid en droom — tussen verslaglegger en opiniegever, prozaschrijver en poëet, tussen Haasse en Haasse.
   Ariadnes monoloog, enkele minuten voordien in het eerste tafereel van het laatste bedrijf uitgesproken, wordt overschaduwd door dit staaltje van zeggingskracht en dichtersmacht, van superieur taalkundig handwerk. Ariadne komt in haar eentje niet geheel uit de verf, pas in de tweedracht met Dionysos wordt haar persoon volledig afgetekend. Omgekeerd laat Dionysos zich maar voor de helft kennen, wij zien hem niet in zijn eenzaamheid ; terwijl zijn naam in het latijn de letterwaarde 113 heeft, is hij slechts in de helft daarvan, in precies 56½ verzen, sprekend aanwezig. Zijn andere helft blijft voor ons verborgen. Die 56½ is mogelijk toeval, maar als Hella Dionysos met opzet 56½ verzen gegeven heeft, kan hier van silent poetry gesproken worden. “Treur niet”, zo luidt de onvolledige beginregel van het gedicht en van zijn entrée. D=4  i=9  o=14  n=13  y=23  s=18  o=14  s=18,  som 113, in de zogeheten thesis-telling van het latijnse alfabet. Dr. P. J. Koets (vrij zeker) en Haasse (wrs niet) hebben Franz Dornseiff, Das Alphabet in Mystik und Magie (Leipzig 1922; ²1925) gekend, of een andere bron voor het gebruikelijke latijnse getallenalfabet. Silent Poetry, Essays in numerological analysis (ed. Alastair Fowler, 1970) is een bundel artikelen over dit onderwerp.
   Ter wille van een levendige weergave van deze bijzondere dialoog heb ik gebruik gemaakt van de grafische mogelijkheden die internet biedt.

 DIONYSOS  ½ Treur niet!
    1 xxx
    2 xxx
    3 xxx
    4 xxx
    5 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS   6 xxx
    7 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS   8 xxx
    9 xxx
  10 xxx
  11 xxx
  12 xxx
  13 xxx
  14 xxx
  15 xxx
  16 xxx
  17 xxx
  18 xxx
  19 xxx
  20 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS 21 xxx
  22 xxx
  23 xxx
  24 xxx
  25 xxx
  26 xxx
  27 xxx
  28 xxx
  29 xxx
  30 xxx
  31 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS 32 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS 33 xxx
  34 xxx
  35 xxx
  36 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS 37 xxx
  38 xxx
  39 xxx
  40 xxx
  41 xxx
  42 xxx
  43 xxx
  44 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS 45 xxx
  46 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS 47 xxx
  48 xxx
ARIADNE   xxx
  DIONYSOS 49 xxx
  50 xxx
ARIADNE   xxx   ■   ■   ■
  DIONYSOS 51 xxx
  52 xxx
  53 xxx
  54 xxx
  55 xxx
  56 xxx   ■   ■   ■

Regie-aanwijzingen zijn met    ■   ■   ■    aangegeven

Ariadne mag in deze dialoog en in het gedicht Ariadne op Naxos (Stroomversnelling, 1945) in biografische zin wel met de schrijfster gelijkgesteld worden. In beide gedichten bereikt Haasse een synthese tussen de klassieke godenwereld en het leven in de 20e eeuw – tussen haar geborgen vorming op het Bataviaas Lyceum afd. gymnasium vanaf 1931 en het onzekere bestaan na 1933, geconfronteerd met de voorboden van de alles vernietigende maalstroom die eraan dreigde te komen, voorboden die zich ook binnen de muren van haar ouderlijke woning manifesteerden. — Toneelgroep Puck speelde in 1961 Een draad in het donker.

De Vrijheid is een Assepoes (toneelspel 1955)

Bevrijdingsspel in één bedrijf door Hella S. Haasse. Uitgave: Nederlandse Jeugdgemeenschap, Henri Polaklaan 14, Amsterdam. Regeringsopdracht. Gestencild typoscript (28 pag. A4). Langer dan de eerdergenoemde toneelstukjes, en niet zo zouteloos. Nieuwe spelling behalve ‘stroo’, ‘stroozak’. Première 5 mei 1955 op het Binnenhof in Den Haag.

Hella Haasse schrijft bevrijdingsspel
Mevrouw Hella Haasse heeft de opdracht van de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, tot het schrijven van een bevrijdingsspel, aanvaard. Zij zal in het najaar van 1954 met haar opdracht gereed zijn, zodat de eerste opvoeringen van het spel omstreeks de bevrijdingsdag in 1955 kan worden verwacht. (ANP)

De Friese koerier 12 febr. 1954

Op de achterflap van het tekstboekje wordt de aandacht gevestigd op drie spelen van andere auteurs uit 1946 (2) en 1946/47 (1) en “Het boekje Bevrijdingsfeest, verkrijgbaar via de N.J.G. voor de prijs van ƒ 2,90, in de boekhandel voor ƒ3,90″. Omdat dit boekje Bevrijdingsfeest, Handboekje Nationale Viering Bevrijdingsdag, samengesteld onder auspiciën van de Nederlandse Jeugd Gemeenschap, in 1954 gedrukt is (Muusses, Purmerend), kan aangenomen worden dat Haasse De Vrijheid is een Assepoes in 1954 geschreven heeft (het moest tijdig gestencild worden – dat gebeurde bij de Cop.Inr. “SELECTA” Amsterdam –, want de rollen moesten geleerd en gerepeteerd worden. Op de schutpagina staat nog ten overvloede “Dit spel werd geschreven voor de viering van de Bevrijdingsdag”. Het is bedoeld voor de rijpere jeugd en volwassenen.
   De tekst getuigt van de ommekeer die Haasse bezig was te maken. Minder gebruik van holle woorden en versleten frases, geen godsdienstige elementen meer. Dat laatste is passend voor een nationale aangelegenheid en zou voorwaarde bij de opdracht geweest kunnen zijn, gezien eerdere bigotte uitingen van HSH (De Koningin des hemels). Het is een verrassend pittig stuk geworden. Het komt moeizaam op gang maar zit toneelmatig op een kleinigheid na goed in elkaar. Menigeen die een voorstelling bijgewoond heeft zal aan het denken gezet zijn door de vaststelling van het meisje Brecht (what’s in a name), die voor één dag de Vrijheid verbeeldt, dat er een jaar na de Bevrijding geen vrijheid bestaat in de stad waar het stuk speelt. Het zijn de kooplieden die de macht in handen hebben. HSH, de koningin van de historische roman, heeft hiermee een benauwend actueel stuk geschreven. Helaas, de dialogen horen niet overal even vlot aan. Als Hella’s vader ze nu eens had herschreven . . . De eenakter eindigt met een gedicht, dat door drie acteurs vóór op het toneel gezegd wordt. De prominente plaatsing van gedicht (vijf cpl van 4 regels) en acteurs wijst op het belang dat Haasse hechtte aan de samenballende kracht die een ritmisch vers aan het einde van zo’n stuk kan hebben. In de tweede helft van het stuk heeft Haasse consequent naar het laatste couplet toegeschreven, waar zich het drama van de menselijke soort ten volle ontvouwt. “Terwille van ons voortbestaan . . .” Het moet na die (be)klemmende oproep even stil geweest zijn voordat het applaus losbarstte, kan ik me voorstellen.

 

Brecht
■   ■   ■

Gij die dit spel hebt aangehoord:
6 + 7 + 9 + 4 = 26 regels

 

Onderbelicht (1958)

Van deze ontwikkeling geeft ook Onderbelicht blijk, een “praatsel” (Haasse) van 312 vrije verzen bij een aantal foto’s waarvan er een paar in het boek staan uit de geschiedenis van de Amsterdamsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging, de AVSV, geschreven in het jubileumjaar 1958, in gewone taal voor gewone mensen. Enkele regels :

Moet ik nu naar de mooie foto’s wijzen,
■   ■   ■
                  (312 regels)

Haasse revancheert zich hier a.h.w. voor het ridicule Vrouwe van Amsterdam.

Drie gedichten. Singel 262 (Tweeërlei schriftuur, 1958)

Tweeërlei schriftuur, het Querido-jaarboekje Singel 262 van 1958, ingeleid door Alfred Kossmann, bevat drie gedichten van Haasse, in de volgorde Als de anachoreten, DE GALERIJ OP HET FREDERIKSPLEIN en Het groen-uitgeslagen cement. Nr. 1 is nog van een gekunstelde letterkundigheid, nr. 2 en 3 zijn meer eigentijds. Nr. 3 is een origineel, mooi liefdes/levensgedicht.

1.

Als de anachoreten
■   ■   ■           vier cpl van 4 r

1.

   Facsimile
■   ■   ■

Als de anachoreten is als facsimile in Tweeërlei schriftuur gedrukt. Een anachoreet is iemand die ervoor gekozen heeft in eenzaamheid en afzondering te leven, ver van de bewoonde wereld. In Het woud der verwachting (1949) lezen we “Arnaud Guillaume, in zijn op talloze plaatsen versteld, gevlekt kleed […], met lang vuil hoofdhaar en tot op het schedelbeen vermagerd gezicht, zag eruit als een van de half wilde anachoreten die zichzelf tot heil van de mensheid kastijden”. Poëtisch proza! Een vraag is, wie is “U”? Calliope? Is de persoon “die Uw dienst verkoos” een kunstenaar die de afzondering zoekt om te kunnen werken? Het laatste couplet is grammaticaal moeilijk te verklaren. Na ‘disgenoot’ staat een komma, ‘Verzoeking’ moet wel de naam van die disgenoot zijn. Moet dan “aan wie gij zijt” begrepen worden?

“Nimmer dor” in Het groen-uitgeslagen cement verwijst naar het enige waarnaar het kán verwijzen, namelijk de buitenplaats Nimmer-Dor onder Amersfoort, rond 1650 aangelegd door de excentrieke jonkheer Everard Meyster, de ‘dolle joncker’, dichter en schrijver, bevriend met Jacob van Campen, stichter van Oog in Al enz. enz. Het omringende park liet hij met sempervirentes heesters en bomen beplanten, huisnaam en parkgroen een geestig saluut aan de naburige hoeve Dorrestein. Hij bezong zijn landgoed in een lang gedicht, NIMMER-DOR berymt (1667), met groene inkt op groen papier gedrukt. In 1655 liet Meyster een stukje noordelijker langs de Arnhemseweg nog Dool om Bergh aanleggen, een park met doolhofgangen tussen opgeworpen heuveltjes voor meditatie en uitzicht, en schreef er een beschouwing in verzen over het menselijk dwalen bij. Meyster ligt begraven in de Dom van Utrecht.

E. Meyster,Nimmer-dor. Utrecht, Johannes van Paddenburgh, 1667, titelpagina. KB: 760 D 31. (KB)

In WO II is het hoofdgebouw zwaar beschadigd, maar voor Hella Haasse en familie uit Baarn (en andere Gooiers) was het in 1935 nog een aantrekkelijk doel voor een zomers fietstochtje. In de omgeving lagen Klein Zwitserland, de School voor Wijsbegeerte en andere bezoekwaardigheden vlakbij. Ook al is dat hypothetische uitstapje niet gemaakt, Haasse heeft ongetwijfeld van de dichter Meyster en Nimmer-Dor, een unieke en opvallende naam, gehoord en gelezen. Het versterkte huis (Haasse & Schellart, vw jhr dr E. van Nispen tot Sevenaer, 1952) gaat over kastelen, anders had Haasse Nimmer-Dor daarin wel besproken.

Nimmer Dor

Huize Nimmer-Dor begin vorige eeuw. Linksachter het koetshuis.
In ongeveer deze staat kan Hella Haasse het in 1935 gezien hebben.
Foto Gideon Boekenoogen sr. 1905.

2.

DE GALERIJ OP HET FREDERIKSPLEIN

De maan pokdalig boven het plein.
■   ■   ■          5 + 3 + 2 + 10 + 4 = 24 regels

3.

Het groen-uitgeslagen cement
■   ■   ■           vier cpl van 4 r

De (winkel-)Galerij werd in 1883 gebouwd. De architect was A. L. van Gendt, bekend van het Concertgebouw en de galerij in de Raadhuisstraat. “Hoe hebben ze dat ooit kunnen afbreken?” Dat hoor je veel oudere Amsterdammers kreunen als ze foto’s zien van de Galerij van het Paleis voor Volksvlijt. Ik kocht er postzegels voor mijn verzameling, en mijn eerste ballpoint. Als ik bijgaande foto zie kijk ik onwillekeurig waar mijn fiets staat. De Galerij is in 1961 gesloopt.

GalerijHella Haasse mag dan geen geboren Amsterdamse geweest zijn, ze situeerde een moment uit haar langdurige zoektocht naar zich ‘zelf’ in de Galerij aan het Frederiksplein, voor haar wel de meest geschikte plek in de hele stad. Geen labyrint, maar toch. Een echt Amsterdamse plek. Die feeling, die band met Mokum had ze wel gekregen. Kossmann rangschikte Haasse onder de “prozaïsten die gedichten schrijven. De poëzie van Haasse, Helman, de Vries leest men nauwelijks als poëzie; men heeft hen uit hun romans leren kennen. […] ‘Kom bij mij terug, zuivere tweelingzuster’. Kan het ons veel schelen of Hella Haasse’s worsteling om zuiverheid gave poëzie heeft opgeleverd?” Best mogelijk dat Kossmann al niet veel in de anachoreet en het groen-uitgeslagen cement zag, en extra moeite had met de rijmloze Galerij. Maar veel andere poëzie van Haasse lijkt hij niet gekend te hebben, en ook niet geweten te hebben dat Haasse als dichteres begonnen was. Hoe is anders zijn boude uitspraak te verklaren?
BeeldbankStadsarchief Amsterdam Foto Arsath Ro’is, J. M. Afbeeldingsbestand 010122028819.

Afbeeldingsresultaat voor Foto paleis voor volksvlijt

1. Het Paleis brandde in 1929 af. De Galerij bleef staan. Fotogr. onb.
2. Mijn vader en zijn zusje Cor ca. 1909 bij hoffotograaf Max Cosman, Galerij 48.

  

“De sloop inspireerde Gerrit Kouwenaar tot de bundel Weg / Verdwenen (1961). Maar protestcomités werden niet gevormd. Sindsdien is de weemoed echter gegroeid – vooral omdat veel Amsterdammers het gebouw van De Nederlandsche Bank zo lelijk vinden” (Ons Amsterdam 2011/3). “De afbraak van het galerijgebouw was de meest extreme daad van vandalisme in Amsterdam na de oorlog”, vond Rudy Kousbroek. Velen zijn het met hem eens, onder wie Eberhard van der Laan, die de Ned. Bank "een verschrikkelijk gebouw" noemde, voor welke qualificatie de burgervader zich in de gemeenteraad moest verantwoorden.
   Onder andere Wim T. Schippers en H. J. A. Hofland hebben geijverd voor de herbouw van het Paleis voor Volksvlijt, waarvan de Galerij deel uitmaakte. "Es gibt vieles, das es nicht mehr gibt", had hun motto mogen zijn.

Op 21 april 1959 heeft Haasse op het Griekenland-Symposion te Rotterdam een poëtische tafeltoespraak van 111 regels, beter gezegd vrije verzen gehouden, Drie olijven, homerisch van zegging en beweging. Te vinden in Je leest het zó, 1961 (reeks Singel 262), en op een 45-toerenplaatje (Stemmen van schrijvers) gelezen door Haasse zelf. Hieronder de laatste regels :

 

Drie olijven bewaar ik, drie griekse olijven
■   ■   ■            111 regels


Er bestaat een opname van de door Halsema en Ferdinandusse geschreven ‘Boekenbal-lade’, gespeeld op het Boekenbal 1967. Potpourri van bekende melodieën. Zingt u even mee? “En van je Hella Haasse houd er de moed maar in, houd er de moed maar in, houd er de moed maar in!” Is het autobiografische ietwat zwaartillende Persoonsbewijs in 1967 soms vóór het Boekenbal verschenen ?

DRIE GEDICHTEN

In het Nieuw Vlaams Tijdschrift 1967 / 4 staan drie gedichten van Haasse, De Boomkikker, Wordt zij nooit vrijgezongen? (ook in Het Liegend Konijn 2006), Nu zijt gij overal (= EIS DAIMONA II, zie Noordzij 1956).

  De Boomkikker ■   ■   ■
  Uit de damp omhooggeklommen
■   ■   ■            24 regels

■   ■   ■

 

Ongepubliceerd gedicht. Titel mag niet genoemd worden
■   ■   ■           2 cpl v 9 regels

Een moeilijk leesbare schets, kort na de verhuizing naar Den Haag gemaakt, voorjaar 1968 vermoed ik. Een verzuchting over de troosteloze plek waar Hella terecht was gekomen. De regels van de tweede helft beginnen met een onderwerp uit het huishouden of de kale omgeving van de nieuwbouw, en eindigen met een object van verlangen van de huisvrouw aan de was. Voorzover bekend niet gepubliceerd.

              Flatgebouw Mozartlaan 67

De Brug (toneelspel), 1970 — — — De verzetstrijdster Hella S. Haasse

De première van De Brug, een spel van de bevrijding, vond plaats op 18 april 1970 in de Harmonie te Leeuwarden. Proloog en epiloog zijn in vrij vers geschreven, ze vormen een terugblik. Ze worden boven het eigenlijke toneel, de plaats van handeling, gezegd. Het stuk speelt zich weer af in de Betuwe, in de kelder van een boerderij. De discussie draait om de verschillende mate van bereidheid tot (zelf)opoffering voor het behoud van de brug (bij Nijmegen, doet de tekst vermoeden) en daarmee voor het naderbij brengen van de de vrijheid, die de verschillende personages aan de dag leggen. Het woord ‘winterhard’ komt een aantal keren voor bij Haasse. Het begrip dat erachter ligt lijkt voor haar een belangrijke functie te hebben, een aanmoediging te geven in de zin van ‘volhouden, meid, je komt er wel doorheen’.

Het begin van de proloog :
Dit is de plek.   ■   ■   ■

Het slot :
Winterhard, was het wachtwoord.

24 regels

[…] Hella S. Haasse — zelf verzetstrijdster — heeft het stuk tien jaar na de oorlog geschreven in opdracht van de gemeente Amsterdam. Het is evenwel niet naturalistisch te noemen. Er is veeleer gepoogd om de personen uit de dagelijkse werkelijkheid een “Aufschwung” te laten maken. Ze moeten primitieve eigen belangen terwille van iets belangrijkers opgeven. Daardoor krijgt het stuk een sterk symbolisch en ook allegorisch karakter.
Leeuwarder courant, 20 maart 1970

 

De Brug” is geen bevrijdingsstuk in de geijkte zin, de knallen van het vuurwerk op het Zaailand die de avondvoorstelling vergezelden, konden daar niets aan of af doen. Wie het, op grond van de ondertitel „bevrijdingsspel”, zou willen associëren met heldenfeiten, vlaggen, wimpels en bevrijdingsjool, zit op het verkeerde spoor. Toen Hella Haasse bijna tien jaar na de oorlog het stuk schreef in opdracht van het toenmalige Ministerie van O., K. en W. (het was bedoeld voor de tiende herdenking van de bevrijding, maar is toen niet opgevoerd), had zij de bevrijdingsroes, die in 1945 even eerlijk leek als reëel, reeds lang achter zich gelaten. In die tien jaar heeft zij afgerekend met het feestelijke herinneringsbeeld van een dolle zomer en getracht door te stoten naar de kernvragen van verzet en bevrijding. […]

Leeuwarder Courant, 20 april 1970

De Brug is geschreven als bevrijdingsspel voor de herdenking van 1955, maar is destijds niet opgevoerd (Leeuwarder Courant, 20 april 1970). Amsterdam vond De Brug niet geschikt en gaf de voorkeur aan Bloch. Het bericht vervolgt met de verrassende mededeling dat HSH “zelf verzetsstrijdster” is geweest. Tegen deze bewering van vermoedelijk Jaap Maarleveld is voorzover mij bekend nooit geprotesteerd.
— Ischa Meijer had weinig waardering voor De Brug :

Nogal kleverig en ellendig zoet
DE KRANTEN in het westen van het land hebben gunstig geoordeeld over „De Brug” van Hella Haasse, het stuk dat de Noorder Compagnie ter gelegenheid van de herdenking van 25 jaar bevrijding op het repertoire heeft genomen. Een uitzondering vormt echter Het Parool. In deze krant heeft Ischa Meijer geen goed woord voor Hella Haasse’s werkstuk:
„De Brug” is een nogal kleverige, ellendig zoete aaneenschakeling van geëxalteerd-theatrale declamaties in een overbekende toneelsituatie: sluit acht mensen, liever gezegd: karikaturen, in een kelder op en laat hen hardop nadenken over Oorlog en Vrede, Vriend en Vijand. Het resultaat: hartroerende tableaux-vivants-plus-gesproken-ondertiteling, zonder enig werkelijk leven, liefst overgoten met een flinke scheut symboliek van dik-hout-zaagt-men-planken. De toeschouwer mocht eens de aanvechting voelen zelf te willen gaan nadenken, of zo. […]
Leeuwarder Courant van 29 april 1970

Euripides, Bacchai (1971)

Acht regels uit de Bacchai van Euripides vertaald door Hella S. Haasse,
opgenomen in Huurders en onderhuurders (1971)

Men zegt, er is hier een vreemdling gekomen.
■   ■   ■      7 regels

Geen Bacchanalen (toneelspel, 1971)

Auteur Hella S. Haasse. Een groepje lyceumleerlingen moet een toneelstuk uitvoeren, De Bacchanalia, geschreven door de schoolrektor. De uitvoering komt niet tot stand, Haasse’s stuk Geen Bacchanalen laat zien hoe de voorbereidingen mislukken. De leerlingen vinden de Bacchanalia maar niks. De teksten van beide stukken lopen dooreen, ze zijn herkenbaar aan het gebruik van declameertaal resp. spreektaal. In scene XXIV (p. 91) citeert de lerares klassieke talen – de regisseur – het personage consul Postumius, gespeeld door de rektor, die er een hoogdravende woordkeus op na houdt :

Wees mij, de kinderloze, voortaan steun en troost …
■   ■   ■

Geen Bacchanalen van Haasse is een toneelstuk in een toneelstuk, dat in de afwisseling van spreektaal en vrije verzen verwant is aan het in 1953 geschreven Een draad in het donker. De leerling Rupert zegt dat De Bacchanalia van de rektor in ‘blank verse’ geschreven is (p. 33). Dat is een misvatting, zoals de geciteerde regels laten zien. Geen Bacchanalen Haasse’s stuk eindigt met de vraag naar sociale betrokkenheid, een vraag die aan haarzelf door Auwera* in 1959 al eens gesteld was (engagement van de literatuur). De lezer vraagt zich af of dit stuk voor de gemiddelde Ned. lyceïst wel toegankelijk was, – in het Vlaams (en Waals!) onderwijs maakte het kennelijk meer kans. Op 10 december 1971 gaat het toneelstuk Geen bacchanalen in première, onder regie van Erik Plooyer, in het Haags Ontmoetingstheater.
*
Fernand Auwera, Schrijven of schieten. Interviews. Standaard Uitgeverij, Antwerpen / Utrecht 1969.

          De Telegraaf, 22 dec. 1971

De merklap (1974)

In 1974 vierde Wim Hora Adema haar zestigste verjaardag. Haar vrienden Harriët Freezer, Mies Bouhuys, Hedy d’Ancona, Hella S. Haasse en Annie M. G. Schmidt stelden voor haar een ‘poëziealbum’ samen, waarvoor Hella Haasse het volgende gedicht schreef, afgedrukt bij Eric-Jan Weterings, Deurwaarder van de vriendschap. Wim Hora Adema (1914-1998) :

 

De merklap die ik ooit /
op kostschool moest borduren    

■   ■   ■
zeven cpl van 4 r

Schaken met Diponegoro (1976)

Een vreemdelinge in Den Haag (1988)

Monoloog. Samengesteld door Hella Haasse en S. W. Jackman op basis van Een vreemdelinge in Den Haag (brieven van koningin Sophie, echtgenote van Willem III, Sijthoff 1984). Uitgezonden door de NCRV op 12 april 1988.

Tawera (toneelspel, 1990)

Toneelstuk met mime en dans, in vijf bedrijven, in 1989 geschreven door HSH en Elias van Zanden, in 1990 vijf keer opgevoerd bij gelegenheid van het 600-jarig bestaan van het Stedelijk Gymnasium Haarlem, dat in 1389 gesticht is. Het scenario is samengesteld op basis van teksten uit Lyriek der Natuurvolken (1947) van Muensterberger en Haasse. Uitgave 1990 Sted. Gymn. H’lem. Proza, dat soms ritmisch is en poëtische gedaante aanneemt, met name aan het slot. Er is toneelmuziek bij gecomponeerd voor dwarsfluit, harp, gitaar, slagwerk en zang door Ed Wertwijn. Het onderscheid tussen proza en poetica is moeilijk te maken. Ik citeer een refrein uit het tweede bedrijf (p. 43-45, te lezen met klemtoon Pa-poe-a), en een ensemble.. Geen moraal aan het slot.

Er zijn veel kippen in Papoea                 Tussen lianen en slingerplant
■    ■    ■        4 regels                     ■    ■    ■        7 + 7 + 7 regels

Giovanni (hoorspel, 1991)

Het hoorspel Giovanni [Borgia], gebaseerd op De scharlaken stad (1952), werd 7 april 1991 door de TROS uitgezonden. 61'.

Oeroeg (bewerkt tot hoorspel door Melissa Prins, 2009)
Produktie van De HoorSpelFabriek.

Geen letter blijft bewaard in zand (1998)

In 1998 werd in Scheveningen een ca. 70 m. lange glazen wand, ontworpen door Quist en Reynoud, geplaatst tussen het museum Beelden aan Zee en het historisch Paviljoen Von Wied (Litterair Paviljoen De Witte), De Transparant. Voor die gelegenheid schreven Campert, Claus, D’haen, Gerlach, Haasse, Herzberg, Kopland, Kouwenaar, Mutsaerts, van Paemel, Vroman en Wolkers ieder een gedicht, Komrij, Mulisch en Schippers een stukje proza, en Nooteboom een soort mini-epigram. Hun bijdragen zijn op die glazen wand, de Transparant, gegrift, en gedrukt in een buitenmodel ‘bundel’, een harmonicablad tussen twee stevige platten.

 

Geen letter blijft bewaard in zand

■   ■   ■

4 + 4 + 3 + 3 regels

Men kan Haasse’s gedicht afdoen als een gemakkelijk maakwerkje, maar houd er rekening mee dat Haasse het helemaal niet als een opgelegde routineklus gezien hoeft te hebben, ze heeft ervoor gekozen een gedicht te schrijven.
   Speculatie past niet ten aanzien van dit met zorg gecomponeerde compacte sonnet, met tachtig jaar ervaring in de schrijvende hand. “Monumentenzorg en taalzorg hebben dezelfde ziel” (Erasmus Jan van Ebbenhorst Tengbergen, samenvattend geciteerd door Chris Schriks in het Liber amicorum).
   Geen letter blijft bewaard houdt moeiteloos stand tussen het overige glasdichtwerk. Moest ik kiezen : Gerlach, Haasse en Kopland.

De door een onbekende los over de wand gestrooide woorden zijn :

Zee  Hoe het ruist  Nauwelijks dromen   [boven]
Zonder verhaal  Kunst  Kust  Bodem        [onder]

 Zie hier de foto van Roel Wijnants


De acht Deleu - gedichten

In 2006 verschenen acht gedichten in Het Liegend Konijn. Haasse, 88 jaar oud, heeft ze misschien tot een soort weerspiegeling van haar levensloop gerangschikt. Daarbij mag bedacht worden dat Haasse op school de roepnaam ‘konijn’ had. Men zie :

1. POMPEI Java (vulkanen). Pompei niet meer bewoonbaar
2. PAESTUM Angstdromen (Paestum = Poseidonia), verloren tijd
3. MISTRA Volwassenwording, wegwerpen van ideeën (“onttroonde goden”)
4. HET EIND VAN HET LIED Europa, oorlog
5. Je slaapt, je bent weg Kind[eren] ; het onbewuste zelf
5. Al valt de vorm tot gruis Oorlog. Getekend door het leven, ouder wordend
7. Dus komt de bloei nog Late poëtische opbloei
8. Huis niet meer veilig Vrees voor dementie

 

          ■   ■   ■

HAASSE, Hella S. ‘Pantanissa-klooster, Mistra’. (Voorburg, BZZTôH, 1973). Planodruk. 43 x 30,5 cm. Gedrukt in facsimile van het handschrift op gevergeerd papier in een oplage van 100 genummerde exemplaren. Prozafragment. Catalogus Fokas Holthuis.

In de eerste drie gedichten reist de zoekende ik-figuur Slauerhoffs Eind van het lied na : Pompei, Paestum, Mistra. Het vierde gedicht is zelfs in Feodosia te plaatsen, aan het eind van de reis. Maar alle acht komen uit het innerlijk leven van de dichteres voort. HET EIND VAN HET LIED stond eerder in het Nieuw Vlaams Tijdschrift 1967 / 4.

4. HET EIND VAN HET LIED  Op een thema van J. Slauerhoff

       ■   ■   ■        Wordt zij nooit vrijgezongen ?   v r a g e n
Drie cpl van 4 r.

Slauerhoff : “Vannacht zal ik het hooren, het eind van het lied. De aarde zal het mij zingen” (zie onder).

De vraag “Wordt zij nooit vrijgezongen?” in het vierde Konijn-gedicht (HET EIND VAN HET LIED, op een thema van Slauerhoff) wordt door de dichteres niet met zoveel woorden beantwoord. Maar terwijl de prozaschrijfster in deze jaren naar mijn mening alleen mislukkingen te zien geeft, op Heren van de thee na, heeft de dichteres stilletjes – niet bij Querido – een comeback gemaakt.
   Van Slauerhoff verscheen in 1930 een bundel verhalen, Schuim en asch. Het tweede verhaal is getiteld Het eind van het lied. Daarin zwerft een man die ca. 1904 in een oorlog gewond is geraakt, door Rusland, Zwitserland, Italië, Griekenland, om weer te eindigen in Oekraïne, in Feodosia op de Krim dat eertijds Theodosia heette.
Het gedicht is niet te begrijpen zonder het verhaal, maar het verhaal, waarin een vrouw tot haar heupen in de aarde begraven is maar vrijgezongen kan worden (wat niet lukt omdat het omstaande monnikenkoor het eind van het lied niet kent), is geloof ik door niemand ten volle begrepen. Haasse zelf schrijft “Slauerhoff geeft een kwellend raadsel op” (in Toonzetting, eenmalig magazine Letter, Ltrk. Mus. 2010). Ik verwijs in deze naar commentatoren, naar de rol van Erda in Wagners Rheingold, en citeer uit de slotalinea van Slauerhoff :

Vannacht zal ik het hooren, het eind van het lied. De aarde zal het mij zingen. De aarde zal mij haar geheim uitleveren, maar mij meteen tot zich nemen voorgoed. […] Misschien wijst het lied ons de levenswijs der dooden. Vannacht zal ik het hooren, het eind van het lied.

5. Je slaapt, je bent weg

  Je slaapt, je bent weg,          ■   ■   ■              4 + 3 + 4 r.

Het enige gedicht in jij-vorm. ‘Jij’ kan een ongeboren kind zijn, maar overdrachtelijk ook een van de ego’s van Hella Haasse. Die ‘denkboot’, al dan niet afgeleid van ‘tankboot’ of ‘bovenzeeboot’ is hoe dan ook een aardige vondst. Een eerdere versie van dit gedicht (bewaard in het LM) draagt de titel OPROEP.  Het heeft twee ‘coupletten” van resp. 7 en 5 regels. De eerste zeven zijn identiek, de laatste vijf luiden :

          O, kon ik je maar ophalen,
          ■   ■   ■

6. Al valt de vorm tot gruis

Met dit gedicht opent dit essay. Het is daar besproken. Hier zij er nogmaals op gewezen, dat Al valt de vorm tot gruis en Huis niet meer veilig al voorkwamen in het hoorspel dat HSH in 1957 voor de VPRO schreef, een radio-kerstspel.

7. Het voorlaatste van de acht gedichten in Het Liegend Konijn

  Dus komt de bloei nog,
  ■   ■   ■
  4 + 3 + 4 r.

Haasse had dit gedicht al eerder gepubliceerd. Die eerdere versie had een titel, De roekeloze rozestruik, en was het tweede van Twee on-rijmen uit Gastenboek van Singel 262, nieuwe verhalen & gedichten van veertig Nederlandse auteurs (Querido 1964). Ik plaats die twee gedichten hieronder. De verschillen tussen de beide versies van De rozestruik zijn niet groot maar belangwekkend. Haasse heeft de titel verwijderd, “Zo” door “dus” vervangen, “nog” verplaatst, “zie toe” door het meer eigentijdse “let op” vervangen, de laatste zin in tweeën gesplitst. Het gedicht is ietwat met zijn tijd meegegaan en past geloofwaardig bij Haasse’s hoge leeftijd. Betrof het een schilderij van Tholen, zou ik De verblinde vlieger een tikkeltje expressionistisch noemen. Ik heb me een overeenkomende vormgeving veroorloofd.

  De verblinde vlieger   De roekeloze rozestruik
  ■   ■   ■
12 regels
  ■   ■   ■
2 + 6 + 2 r.

De gedachte achter De roekeloze rozestruik is al eerder te vinden, bij Winterhard. Helena Haasse noemt zich in dit gedicht een laatbloeier, een roos nog wel. Was niet Helena van Troje, de καλα Έληνα, de schoonste roos van Hellas? Die schöne Helena, la belle Hélène leeft voort als operette, als roman, als parfum. De Rosa Helenae is een fijngeurende gele klimroos. En wat ontspringt literair gezien aan het dorre hout? Geen roman, geen essay, maar een gedicht! Het is op het nippertje, want er vreet een angst in haar, zie het laatste gedicht.
Het derde van de DRIE ONRIJMEN in Haasse’s typoscript is niet gepubliceerd :

          De geëxalteerde geliefde. (8 regels)
          ■   ■   ■

Er is nog een vierde, ONDER COLLEGA’S, in dezelfde tijd en stijl als De verblinde vlieger geschreven, minder geslaagd vind ik, niet gepubliceerd.

8. Het laatste van de acht gedichten in Het Liegend Konijn

Links de versie in Het Liegend Konijn, rechts de geschrapte regels uit de eerdere versie, in een “hoorspel met audio” van Anthon van der Horst en Haasse, Winterhard, door de VPRO op 25 dec. 1957 uitgezonden. Zie Appendix.

  Huis niet meer veilig,  
  ■   ■   ■                8 + 4 + 1 r. ■   ■   ■

Ook een Esther Gerritsen zou de paniek van zo’n kantelende werkelijkheid kunnen oproepen. Of dit gedicht nu werkelijk vóór 1980 geschreven is of later, het beschrijft een geestestoestand die Hella misschien vreesde, waarvan Hella misschien mutatis mutandis signalen bespeurde (het nooit geschreven boek De ontbladering), (Zwanen schieten), het verliezen van contact met de realiteit van het dagelijks leven, nooit haar sterkste punt..
   Ook in deze latere poëzie is niets te bespeuren van Haasse’s ‘worsteling’ met de persoonlijkheden van speciaal haar beide grootmoeders. Het gaat om andere dingen. En, zou ik er graag aan toevoegen, deze kleine cyclus aan het eind van Haasse’s leven laat qua schoonheid en diepgang boeken als Zwanen schieten, Sleuteloog en Fenrir ver achter zich. We zijn hier terug bij Ik hief mijn hand op.

De vraag “Wordt zij nooit vrijgezongen?” had Haasse in het slotgedicht van Stroomversnelling al beziggehouden. Het laatste couplet van dat gedicht, Wie van den vollen beker proeft, luidt :

Gekooide sterrenvogel, zing!
van bloem en blad en hemelwijn —
Oneindig wijkt de traliekring
voor wie zich vrijzong van zijn pijn.

Hier vallen een paar dingen samen. De sterrenvogel is de Zwaan, het sterrenbeeld Cygnus. De zwaan is Haasse’s signatuur, geplaatst in het laatste couplet van het slotgedicht. Hélène Serafina Haasse is “der zwanen zuster, tussen dood en dood geboren, en stervend in een leven eindeloos” (In het park, Stroomversnelling). Ze poogt zich vrij te zingen. Slauerhoff wordt aangehaald, en Haasse kijkt naar het sterrenpanorama door de zelfgebouwde telescoop van haar vader, naar de traliekring die uiteenwijkt naarmate de stelschroef van de hemelkijker aangedraaid wordt, en ziet De Zwaan, haar vader. Zeus in de gedaante van een witte zwaan en Leda hadden een dochter, Helena. Inderdaad, Helena van Troje. — Haasse kreeg bij haar geboorte de namen Hélène Serafina.
   Jan Elburg (die op Hella verliefd was) en Bob le Roy kenden haar in 1943 inderdaad als Helena Serafina, in de wandeling Hella (zie Jan van der Vegt, De man met de drietand. Leven en werken van Jan G. Elburg, 2012). Op 23 mei 1943 adviseerde Bob le Roy hem ‘Helena Serafina’ maar te vergeten.
   Hella is mogelijk als H. Serafina in de BS te Batavia ingeschreven (archiefstuk niet gevonden) en gedoopt, maar op zeker ogenblik is haar tweede voornaam in Serafia veranderd, merkwaardig genoeg naar haar in de familie weinig geliefde grootmoeder, in 1871 geboren als Seraphia Weitzel, later zich noemende Helene Serafine. In 1944 is Hella denkelijk als Hélène Serafia in het huwelijk getreden. Op haar persoonsbewijs van 16 oct. 1941 staat reeds Hélène Serafia Haasse. Hier is nog wel iets uit te zoeken. In 1943 stond ze namelijk onder studenten als Serafien bekend. Le Monde van 1 oct. 2011 berichtte : “Hella S. Haasse, de son vrai nom Hélène Serafina Haasse, est morte à Amsterdam, vendredi 29 septembre. Elle était âgée de 93 ans”. Meer over die namen aan het eind van I en in II.  —   Hoe Heette Hella Haasse ?
   Dat volgens een overlevering Serafia Veronica werd genoemd (Bols en Muyldermans, Nederduitsche bloemlezing dicht- en prozastukken, Mechelen 1895) lijkt mij voor Hella en haar ouders van geen belang geweest te zijn, nog minder voor Seraphia Weitzel en haar mogelijk joodse moeder. “Simon had omtrent tweehonderd schreden ver den Heer helpen den kruislast dragen, toen uit een schoon huis […] eene groote en statige vrouw, met een klein meisje aan de hand, het gelei te gemoet snelde. Het was Serafia, de vrouw van Sirach, lid van den Tempelraad, welke door hetgene zij heden deed, den naam gekregen heeft van Veronika, dat is, vera icona, het ware afbeeldsel”. Beter wordt Veronika afgeleid van het gr. Φερενικη (ΦΕΡΕΝΙΚΗ).

Ter afwisseling met “het consequent volgehouden spel van associaties, metaforen en symboliek” in Zwanen schieten waarover Elsbeth Etty spreekt (Etty vergeet de mystificaties), is het nuchtere Zwanen pesten van Greshoff aan te bevelen (1948, in 1982 door Pierre Dubois aangevuld met een extra hoofdstuk Zelfportret, geschreven 1964-65). De vijver in het Vondelpark die Haasse inspireerde tot de bekende Fosco-regels, is dezelfde vijver die Greshoff twee jaar later op de korrel neemt : “Het zijn belachelijke dieren, met al hun blankheid zijn ze vals als de nacht en met al hun deftigheid vraatzuchtig als een gemene mus. Maar die matigt zich niets aan. De zwanen zijn kwiebusachtig en gevaarlijk, ijdel en oliedom. […] Men behoeft niet naar het Vondelpark te gaan om zwanen te pesten. De wereld wemelt van zwanen. En ze kunnen nooit genoeg gepest worden”. Onder Greshoffs zwanen treffen we Henri Borel en mr. J. Donner aan. Het kan verkeren!
   Van een ander slag associaties, metaforen en symboliek zijn de slotregels van Wie van den vollen beker proeft, het laatste vers in Stroomversnelling (1945), waar aan Slauerhoff wordt gerefereerd :

Gij wijst – dit is onnoemlijk veel –
■   ■   ■

De “sterrenvogel”, het “wiekendragend lichtjuweel” is het gevleugeld sterrenbeeld Cygnus (Zwaan). Helena (!), “der zwanen zuster”, de zuster ook van Castor en Pollux, was de dochter van de god van het uitspansel Zeus (voor de gelegenheid als witte zwaan vermomd) en Leda. Het gedicht kent een soort vervolg in Het eind van het lied : “Wordt zij nooit vrijgezongen?”, eerder in dit artikel geciteerd. Dat de Zwaanridder van Kleef Helias genoemd werd voordat men hem onder invloed van Richard Wagners meesterwerk Lohengrin ging noemen zal Haasse bekend geweest zijn en plezier gedaan hebben. Immers: “alles hangt met alles samen”.

Haasse karakteriseerde de acht gedichten uit Het Liegend Konijn in 2007 in ‘De handboog der verbeelding’ als “ontboezemingen van mijzelf in een verleden tijdperk”, “die natuurlijk schreeuwen om uitleg”. Ik vat dat als valse bescheidenheid op, Haasse was aan dat verleden al lang ontgroeid (ik denk daarbij aan Hotel De laatste ronde van Golterman). Al valt de vorm tot gruis is een gedicht waarin een sterke vrouw spreekt, een gedicht dat geen uitleg behoeft. Het zou zelfs geschikt zijn voor het blad van een knokkende ouderenbond.

Wat mij betreft heeft de àndere Haasse, de verborgen dubbelgangster, zich in haar mooiste gedichten vrijgezongen.

Ook in de gedichtenbundel Weerbarstig hout (1984) van Cita Golterman-van Dijk speelt het leven zich af vèr van de schijnwereld van mediarumoer, managerpraat en politiek bedrog, hospitium, rouwadvertentie en necrologie, euthanasiegekibbel, inentingsverboden en wat voor dezen en genen maar ‘heilig’ is.
   De laatste twee coupletten van Goltermans Hotel De laatste ronde uit Weerbarstig hout luiden

Zij vinden hier elkaar als bentgenoten,
hebben al lang hun laatste kruit verschoten
en teren voortaan op de lieve vree;
de wereld brandt: zij blussen niet meer mee.
  Maar soms, in een bezonnen ogenblik,
zoekt één het spoor terug naar vroeger ik,
vermoedt dat alles anders was – maar hoe?
Hij sluimert in, op weg naar ‘destijds’  toe.

Helaas kon Haasse zich maar zelden losmaken van dat alter ego, dat van de drang en de dwang tot samenhang, die van Zwanen schieten een kermismolen maakte. Het ego zweert bij de wereld van ring en kring. Maar elke cirkelgang voert terug tot HSH. Ze had zich misschien kunnen bevrijden door Wanen schieten te schrijven.

Een aparte necrologie voor HSH schreef Joanan Rutgers, netgedicht op gedichten.nl (nr. 42281) :

Chique dame       2 oct 2011 glimlach vond ik nogal verdacht, dat je uit
(voor Hella Haasse) Indië kwam en wij daar nogal smerig te keer
  zijn gegaan, was wellicht de reden dat ze
Het was midden in de nacht dat ik je werk in de lift gooiden, uit schuldgevoel
■   ■   ■ ■   ■   ■
  is je geschiedkundige romantiek opgehemeld
  waar heel wat literair geploeter aan ten
jongedame was allereerst gedichten en grondslag ligt, die veldslagen neem je mee,
daar zal ik je van blijven herinneren laat je als onontgonnen mystiek achter, want,
niet van Oeroeg of de Heren van de Thee chique dame, ik weet, je werd niet zomaar chic
maar van de aanvankelijke dichteres in daarvoor heb je door de gevaarlijkste moerassen
jou, die helaas is overgesprongen op de gewaad en ben je uit vele drakenbekken ontsnapt.
prozawerklust en zich leende voor een Je neemt je diepste pijnen mee. Je vertelde
■   ■   ■ ■   ■   ■
  Dat slikte je in, zoals ware dames dat doen,
  arme, laat het dan nu maar volkomen losgaan,
  je hoeft het niet meer mooier te maken dan het is,
  gooi de dure klederen maar in het graf, lieve.

Lees hier het hele gedicht

 

■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■

Hella overleed 29 sept. 2011. Ze is gecremeerd. In de eerste week van aug 2012 werd de urn met haar as in de urnentuin van de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam Watergraafsmeer geplaatst. Jan is 27 juli 2008 gestorven. Ook hij is gecremeerd. Een klein beetje van zijn as werd bijgezet in Haasse's urn. Waar de urn van Jan staat of begraven is ons (nog) niet bekend. — De enige overlijdensannonce van Jan van Lelyveld die wij overigens hebben kunnen vinden luidt :

Volkskrant

02-08-2008


Overleden

Johannes (Jan) van Lelyveld
89 jaar
echtg. van H.S. Haasse

18-09-1918
Amsterdam

27-07-2008
Amsterdam


van den Berg
Meershoek
Polak

 

■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■

 

 

A P P E N D I X

 

T e k s t e n   o p   m u z i e k   (1 – 6)

 

1.   De Koningin des Hemels. Legende. Ruim Baan 21 dec 1945.    vgl 5.

2.  Onze Nieuwjaarswens “Achter de horizon” (1945)

Polygoon bioscoopjournaal voor de laatste week van 1945. Opgenomen 21 dec. 1945. Op de achtergrond een orkest dat vaderlandse liederen speelt o.l.v. Hugo de Groot. De teksten van Willem van Iependaal zijn niet steeds goed verstaanbaar en onderstaand op gehoor genoteerd. In de bioscopen vertoond in de laatste week van 1945 en begin 1946. De nieuwjaarswens op rijm staat in het teken van de wederopbouw en wordt voorgedragen door achtereenvolgens Aaf Bouber, Herman Bouber, Sophie Stein, Gijsbert ter Steeg, Rob de Vries en Hella Haasse. De directe shots worden afgewisseld met sfeerbeelden die illustratie bij het voorgedragene bieden. Bron: Wim Ibo te Amsterdam. Door Beeld en Geluid op YouTube geplaatst.
   De tekst is dus niet van Haasse, al leest men op internet soms ‘Nieuwjaarswens van Hella Haasse’, zie
coenpeppelenbos.blogspot.com.es/2009/12/een-nieuwjaarswens-van-hella-s-haasse.html.

Zie filmpje : Achter de horizon

Almachtig’ God, gij, die ons met uw hand
■   ■   ■
44 regels – 8 + 8 + 8 + 6 + 6 + 8  

 

3.   Johannes den Hertog, CREDO, op tekst van Hella Haasse

Koor:

Oermoeder, al-moeder, heilige aarde,
■   ■   ■

plm. 174 regels

Sopraan-solo:

Ik breid mijn armen uit:
■   ■   ■
Oneindig wijkt de traliekring
voor wie zich vrijzingt van zijn pijn.

De eerste tekstregel doet wel heel sterk denken aan de Urmutter und Erdgöttin Erda, die in Das Rheingold en Siegfried, twee opera’s uit Wagners Götterdämmerung, een rol speelt. Wagner haalde gegevens voor zijn Erda-personage uit de Edda, noordse goden- en heldensagen en Grimm’s Deutsche Mythologie, en fantaseerde er het nodige bij. Hoewel de streek tussen Darmstadt en Heidelberg Nibelungenland heet, plaatste Wagner de leefwereld van zijn goden en helden een stuk noordelijker, behalve in die stukken die plaatsgebonden waren door hun onderwerp, zoals Tannhäuser und der Sängerkrieg auf Wartburg door een  een middenduitse gedichtenverzameling.

4.   Vrouwe van Amsterdam (1948)

De Amsterdamse vrouwen bieden ter gelegenheid van het regeringsjubileum Hare Majesteit de Koningin een gedenkboek aan : “De Nederlandse Vrouw 1898–1948”.

Het boek opent met dit gedicht van Hella Haasse :

Zij heeft een kroon van torens op,
■   ■   ■               96 regels – acht cpl van 12 r

Tevens verscheen Vrouwen van Nederland, de vrouw tijdens de regering van Koningin Wilhelmina, red. dra. M. G. Schenk, waaraan HSH geen bijdrage heeft geleverd. Vrouwe van Amsterdam is ook als rijmprent uitgegeven. Er zijn meerdere versies van bekend. Een als rijmprent, afgedrukt in Het Nieuwsblad voor Sumatra van 30 aug 1948, en er bestaat nóg een versie met ‘Joffers van Amsterdam’. Die stond als ik me goed herinner in de Sumatra Post, maar is uit mijn gezichtsveld verdwenen.

Met dit gelegenheidsgedicht opent het Gedenkboek TENTOONSTELLING De Nederlandsche Vrouw 1898-1948. Het wordt in zijn geheel geciteerd in het Nieuwsblad voor Sumatra, uitgave van de Deli Courant en de Sumatra Post, 30 aug. 1948, Jubileumnummer. Daar staat het niet met de signatuur H. S. van Lelyveld-Haasse of Hella S. Haasse, maar Hella Haasse. In De Tijd van 7 aug. 1948 is het gedicht met H. S. van Lelyveld-Haasse ondertekend. Die versie heeft de minste drukfouten, maar draagt de foute titel ‘Vrouwen van Amsterdam’. Fout ook, omdat hiermee alle vrouwen van A’dam geannexeerd werden, waarvan vooral de roomsen een handje hadden (“Mokum bouwt een kerk”). Het gedicht is onder de titel ‘Vrouwen van Amsterdam’ ook als rijmprent gedrukt.
   De taalbeheersing van Haasse in het gedicht is te waarderen. De inhoud helaas niet. Het gedicht, een staatsie-lofdicht, is op verheven toon (op ‘toneeltoon’) te declameren. In de jaren ’50 vielen in Duitsland de muren tussen Sprechdeutsch, Bühnendeutsch en Singdeutsch bijna vanzelf om. De lutherse ‘kerktoon’ begon in Nederland van karakter te veranderen, maar de protestante preektoon is hier nog altijd in zwang. De redactie van WERK schreef in 1939 in het eerste nummer “…. afkeer van groote woorden, holle phrasen en massaal hoera-geroep, waarmee men thans het intellect tot zwijgen poogt te brengen ….”. In 1948 zullen Haasse’s gezwollen verzen nog menigeen gesticht hebben, moeten we maar denken.
   Vreemd dat iemand die tussen 1936 en 1945 zulke mooie ‘echte’ gedichten had geschreven, zich hiertoe kon verlagen. Hella schaamde zich er een beetje voor, voor Sonneveld geschreven te hebben, wat mij betreft geheel onnodig, maar had zich diep mogen schamen voor een draak van een gedicht als het bovenstaande, of Koningin des Hemels, of De Kerseboom. Natuurlijk, het waren andere tijden. Maar toch, Haasse moet in hoge mate flexibel (of radeloos) geweest zijn – ze moet met haar doelstellingen of idealen, als ze die had, hebben kunnen marchanderen, dat blijkt wel. Een winstpuntje voor de zuiverheid van Haasse’s eigen gedachtenleven, en ook voor de lezer, is, dat de Zaaier uit Stroomversnelling 1945, die in 1946 als de Hovenier terugkeerde, nu van het toneel verdwenen is.Tot de Slager is het gelukkig niet gekomen.
   Het Gedenkboek TENTOONSTELLING enz. moet niet verward worden met Tentoonstelling ‘De Nederlandse Vrouw 1898-1948’ en met Vrouwen van Nederland 1898-1948, samengesteld door dra. M. G. Schenk, waarvoor Henriette Roland Holst-van der Schaik het openingsgedicht KENTERTIJD schreef.

5.   De Kerseboom (Singel 262, jaarboekje 1948)

Uit Balladen en legenden (1947).

Sint Jozef was een oude man
■   ■   ■
  76 regels ; 19 cpl van 4 r.

Dit gekwezel, bijna 80 regels lang, heeft Hella op toneel voorgedragen. Voor geld doet men veel, maar dit was Hella’s eigen idee! Ze moet het druk gehad hebben, anders stuur je geen reeds gedrukt werk in. De kerseboom, een ruimteverslinder, heb ik toch helemaal afgedrukt, al is het een slecht dichtsel. Ik wil Hella er niet posthuum mee plagen, maar de uitersten van haar dichterlijke productie laten zien, en daarmee sommige uitersten van haar persoonlijkheid. Die liggen heel ver uit elkaar. Moet je nu simplificerend zeggen dat zij al die Haasse’s tegelijkertijd geweest is, of hebben die verschillende Haasse’s zich na elkaar vertoond? Persoonlijkheidsstoornis is zo’n zwaar woord. Misschien had ze beter met een arts dan met een jurist kunnen trouwen. Behalve het liefhebbend oog gebruikt de arts beroepshalve ook zijn medisch oog, en dat had Hella wel van pas kunnen komen. Psychofarmaca zoals we die nu kennen bestonden toen niet, maar de psychiatrie bestond wèl. Vasalis was psychiater van beroep, die kon zichzelf beter in de gaten houden.

6.   Winterhard.   Hoorspel voor de VPRO met zang, gesproken woord en diverse geluiden op tape (1957). Draaiboek en tekstontwerp Hella Haasse. Muziek Anthon van der Horst.

Gebeier van kerstklokken aanzwellend tot een alles overstemmend dreunen.
■   ■   ■

■   ■   ■    Van der Horst heeft inderdaad de drie coupletten van Die waakt de langste nacht choraliter voor drie stemmen en klein orgel gezet, met “die is belofte”. Dit koraallied is te vinden onder 3096091b Autograaf – Muziekmanuscripten Archief 309 / NMI Den Haag.

Winterhard heet het volgende gedicht, getypt op een los vel, zonder datering. Lijkt in een verstrooid moment getypt te zijn. Autobiografisch van karakter.    ■   ■   ■
Acht cpl van 4 regels. Interessante tekstveranderingen, die niet weergegeven kunnen worden (LM).

“Hoe zonder voorbehoud wind, weer, mij overgeven?”

Haasse heeft zes, zeven hoorspelen voor de VPRO geschreven. Behalve Winterhard in 1949 een hoorspel (misschien het eerste) met korte muzikale interjecties door Hugo de Groot, de rest zonder muziek. Hella heeft zelf ook wel als hoorspelacteur voor de microfoon gestaan, met Sophie Stein, Jan Kommandeur e.a.

 

 


AANHANG


 

1. Rosa Spier (1891-1967).

De onderduik van Rosa Spier bij het gezin Amende in Amsterdam

In de zomer van 1942 polste de joodse harpiste Rosa Spier (7 nov. 1891 – 8 juli 1967) deze en gene voor een onderduikadres, maar pas in sept. 1942 lukte het bij het gezin (vader, moeder, dochter) van de violist Toon Amende in de Lutmastraat 262” vlakbij de Amsteldijk. Rosa heeft er slechts twee maanden gezeten. De weinige verhalen over de onderduik van Rosa Spier verschillen onderling nogal. De meest uitgebreide en betrouwbare bron van informatie naast de Burgerlijke Stand (BS) is Elisabeth Keesing, Rosa’s kolen en Rosa’s harp. In: Brieven aan Amsterdammers, 1995. Op basis van Keesings beschrijving kon ik naar nadere gegevens gaan zoeken. Eerst heeft Rosa Spier haar Wurlitzer-harp en haar bruine Hofmann & Czerny-vleugel naar de Lutmastraat laten brengen, daarna kwam ze zelf, en ten slotte, per bakfiets, tussen kleding, jassen en zakjes kolen verstopt, het portret van van Mastenbroek.
   Antonius Wilhelmus Amende (Toon Amende) werd geboren op 7 juli 1899 te Amsterdam en huwde daar op 17 october 1918 Cornelia Elisabeth Heering, *1 nov. 1897. Toon overleed 21 maart 1980, precieze gegevens betreffende zijn vrouw heb ik niet, maar ze was in 1987 nog in leven. Het echtpaar kreeg op 28 nov. 1923 een dochter, Christina Cornelia (Stien). Na in de Gov. Flinckstraaten de Rustenburgerstraat gewoond te hebben, verhuisde het gezinnetje op 28 juni 1927 van de Tugelaweg 138”’ naar de Lutmastraat 262”. Toon was violist, speelde in een strijkje, in café’s, op bruiloften en partijen, af en toe in een bioscoop- of operetteorkest, maar door de opkomst van radio en grammofoon droogde die inkomstenbron op. In de crisistijd trok hij van de steun en schnabbelde er stiekem wat bij. Het echtpaar was RC (BS: Rooms-Catholiek) én overtuigd communist. In de oorlog duurde het niet lang of Toon zat in een verzetsgroep. In 1941 of begin ’42 kreeg hij het aanbod een baan aan te nemen in het Operaorkest of in de Politiekapel. Iemand in het verzet had iets voor hem geregeld, daar ziet het naar uit. Amende koos het laatste, al moest hij zich daarvoor omscholen naar tenorhoornist, en trad in dienst in de rang van “hoofdwachtmeester staatspolitie”. Bij de Politiekapel zat hij veiliger, vond hij, zijn functie was een dekmantel voor alles wat er in zijn huis gebeurde. “Komende en gaande joden en illegalen kwamen op zolder slapen” (Keesing). Op die zolder had ook een drukkerijtje onderdak, dat gerund werd door twee voor de oorlog naar Nederland gevluchte Duitsers. Toon had veel baat bij zijn relatie met een hoge politie-functionaris (naam onbekend) die viool speelde, dikwijls bij de Amendes langskwam, bladmuziek kreeg die Toon voor hem opscharrelde (ik denk aan strijktrio’s en kwartetten), mogelijk weleens met Amende en anderen kamermuziek speelde, en die, toen Toon i.v.m. Rosa Spier opgepakt was, naar Den Haag is gegaan en hem snel weer vrijgekregen heeft. Er was immers geen bewijsmateriaal gevonden. Zie verderop.
   Op de begane grond van Lutmastraat 262 woonde volgens het Algemeen adresboek Amsterdam. Anno 1938-1939 de “violoncellist” W. J. Amende Jr. (Wilhelmus Johannes). Maar in 1936 had hij volgens de BS een of twee kamers in het huis ernaast, Lutmastraat 264, betrokken. De gedrukte Adresboeken lopen in die jaren onvermijdelijk achter, maar zijn minstens zo betrouwbaar als de haastigerhand geschreven kaarten van het Bevolkingsregister (de Burgerlijke Stand). Hij was op 2 febr. 1905 geboren als zoon van Wilhelmus Johannes Amende sr. (*1875, †18 aug. 1942, wonend Urkstraat 5 in A’dam sinds 1931), en was op 19 oct. 1927 getrouwd met Johanna Maria van Nes (*1 april 1904) uit Driebergen. Was cellist van beroep en is dezelfde Wim Amende die lid was van het Boris Lensky Trio. Dit trio begon zijn bestaan per 1 nov. 1928 en bestond uit Boris Lensky viool, W. J. Amende cello en Gerard Verheij piano. Het repertoire omvatte marsen, walsen, potpourri’s, foxtrots e.d. Na jan. 1929 werd de naam veranderd in AVRO-Trio. Op 1 juli 1930 trad Amende toe tot het VARA-orkest onder leiding van Hugo de Groot. Eerder dan Cor Kint verhuisde hij naar Hilversum, op 28 juli 1937. Woonde eerst in de Stieltjeslaan, sinds 28 juni 1938 Diependaalselaan 288. Hij kreeg een aanstelling in het VARA-orkest en werd tijdens de mobilisatie als Buitengewoon Dienstplichtig aangemerkt (hij was nog geen 35 j.) zodat hij niet onder de wapenen geroepen werd. Zijn kamer op Lutmastraat 264 eenhoog schijnt hij als pied à terre in Amsterdam aangehouden te hebben voor zijn lespraktijk. Tussen 20 mei en 30 juni 1945 speelde hij aan de eerste cellolessenaar naast aanvoerder C. de Wilde mee in de Gooilandconcerten die na de bevrijding in Hilversum o.l.v. Hugo de Groot gegeven werden voor de Canadese militairen.
   Het eerste van de zeven concerten in ‘Grand Theatre Gooiland’ vond plaats op 20 mei. De musici waren door de Groot, die ze allemaal kende, gekozen op grond van hun houding in de voorbije periode. NSB-ers (die trouwens in hoog tempo opgepakt werden), verklikkers en dat soort volk wilden hij en zijn musici niet in het orkest van ruim 75 man hebben. Dat hij tot de inner circle in Hilversum was gaan behoren blijkt uit het feit, dat hij in 1948 deel uitmaakte van het groepje uitverkorenen dat de 80ste verjaardag van Aaltje Noordewier luister bijzette : Willy Busch, Piet Dekker, Louis Mieremet, Theo Färber, Max van Doorn, Dora van Doorn-Lindeman, Laurens Bogtman en Carel van Leeuwen Boomkamp. Later speelde hij in het strijkorkest Benedetto Marcello.
   Er woonde nog meer verre of naaste familie in de buurt van de Lutmastraat, namelijk H. J. Amende, aan de Amsteldijk 11, verhuisd naar Rijnstraat 238, een kwartiertje lopen, waar het schilderij in bewaring kan zijn gegeven toen het in de Lutmastraat spaak liep. Bestudering van de oude persoons- en gezinskaarten van deze Amendes in de BS heeft niet veel klaarheid in de familierelaties van de genoemde Amendes gebracht.

Rosa schepte weleens een luchtje of rookte een sigaretje op het balkon. Ook gaf ze harples aan dochter Stien Amende, de eerste puberliefde van Gerard van het Reve. Stien en v/h Reve zaten beide op het Vossius Gymnasium. Ze waren even oud. In de Lutmastraat stonden – en klonken – dus twee harpen in de achterkamer op tweehoog. De huisarts dr. M. van Lange, Amsteldijk 88, die in hetzelfde huizenblok woonde en vanuit zijn raam vol zicht op Rosa’s balkon had, had nog tot voorzichtigheid gemaand. Maar het was al te laat. Ze had er twee maanden (Rosa’s woorden) gezeten toen ze door éénhoog verraden werd. Toon werd op zijn werk gearresteerd. Mevrouw Amende werd ijlings door een collega van Toon gewaarschuwd. Rosa ging onmiddellijk terug naar haar woning (Milletstraat 32) in de hoop de Amendes grote moeilijkheden te besparen. In de weinige uren vóór de huiszoeking die onvermijdelijk zou plaatsvinden, slaagden Stien en moeder Cor erin alle belastende papieren en voorwerpen – er zat namelijk ook nog een drukkerijtje annex paspoortvervalsings-werkplaatsje op zolder, bemand door twee anonieme Duitsers, de drukker en zijn ‘cheffin’ op wier hoofd een beloning van duizenden guldens stond –, vermoedelijk inclusief het portret, bij vrienden op de hoek in veiligheid te brengen. Bij de huiszoeking dezelfde dag nog werden twee drukstenen niet als zodanig herkend. Stien zeulde ze ’s avonds in het donker langs de Amstel en gooide ze op de hoek bij de Amstelkade in het water. Daar zullen ze nog wel liggen. Toon werd na vijf dagen vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.
   Na twee dagen werd Rosa opgepakt. Op 3 dec. stapte ze in Westerbork uit de trein. Na verblijf in Barneveld (De Schaffelaar, sinds 18 febr. ’43) en weer Westerbork (eind sept. ’43) werd ze op 4 sept. 1944 op transport gesteld naar Theresienstadt, als ‘Verdienstjude’. Op 5 febr. 1945 kwam een trein met 1200 Joden waaronder Rosa Spier in Zürich aan. Deze gevangenen hadden het onwaarschijnlijke geluk gehad geruild te zijn voor een lading medicijnen, waarmee de trein weer vertrok.

Na de oorlog kreeg Rosa het schilderij van Van Mastenbroek in ieder geval weer terug. De vleugel was (Joods bezit) in beslag genomen en waarschijnlijk in oostelijke richting verdwenen, maar de Wurlitzer harp is op wonderbaarlijke wijze gered (lees het verhaal bij Keesing). Deze harp type DD met serienummer 1504 is door Titia van der Laars en Stien Amende van een vrachtschuit in de Marnixkade gehaald, met hulp van een geldschiet[st]er, en mogelijk verborgen bij de schilder H. G. Amende die aan de Marnixstraat 265 woonde, of bij Luuk Spanjer (Lucas Bernardus Spanjer, kleurrijk vader van de kleurrijke Bep Spanjer), Rechtskundig Adviseur en Makelaar, die sinds 9 juli 1930 aan de Marnixstraat 186 woonde, en in 1916-19 aan de Lutmastraat 161 had gewoond, ook communist (“geen kind, geen man en geen cent voor het militarisme!”) en een oude bekende van de Van het Reves en de Amendes. De harpiste Titia van der Laars was in 1943 nog jong (*22 aug. 1926). Stien was drie jaar ouder en zal de leiding hebben genomen.
   Zie Arno Bornebroek, Joop Zwart en Bep Spanjer, Twee eenzame revolutionairen, Onvoltooid verleden 24, maart 2008.

Rosa nam in 1945 het schilderij, na op een aantal adressen in Amsterdam gebivakkeerd te hebben, mee naar Hilversum, waar het op haar woonadressen aan de muur hing, eerst op kamers bij de pianist Isja Rossican (De Genestetlaan 30), na nov. 1945 in huurhuizen, Hooge Naarderweg 47 tot voorjaar 1947, vervolgens Ministerpark 15, na nov. 1947 Graaf Florislaan 11, in 1951 Réaumurlaan 1. Rosa heeft tot 1953 in het Radio Philh. Orkest gespeeld en tot 1956 aan het Conservatorium les gegeven. Daarna verhuisde ze terug naar Amsterdam, naar Oud Zuid, Dintelstraat 128, in haar woonomgeving van vroeger maar wat minder chic. Later werd ze, behoeftig geworden, in de Elisabeth Otter Knoll Stichting, Eikenplein 2 opgenomen. Ze heeft de Van Mastenbroek voor haar overlijden (8 juli 1967) aan mevrouw Amende gegeven of nagelaten, van wie dochter Stien het geërfd heeft. Stien Amende trouwde op 22 mei 1946 met J. W. J. Bonarius. Ze was van 1945 tot 1949 [of later] harpiste bij de Arnhemsche Orkest Vereeniging (sinds 1949 Het Gelders Orkest). In Arnhem hertrouwde ze met een zoon van de familie de Koningh. Nog later huwde ze Ernst Noack (Nowack). Na haar dood op 2 aug. 2007 werd het schilderij op 2 juni 2008 bij Glerum als kavel 49 geveild. Nu heeft het een mooie plaats in mijn collectie [TK].
   Stiens moeder noemt zich bij Keesing (p. 74) “ereburger”. Als dat zo is, moet het een onderscheiding door de stad Amsterdam betreffen die te achterhalen is.

Spiers woning aan de Milletstraat 32” werd leeggehaald toen ze verraden was. Een buurman zou kans gezien hebben, waarschijnlijk al eerder tijdens de twee maanden die de onderduik duurde, een daar nog aanwezige harp (een Erard?) onder zijn hoede te nemen. Aldus een van de verhalen over Rosa Spier op internet. Zou best kunnen, Rosa had vaak twee harpen, soms wel drie. Vele instrumentalisten hebben meerdere instrumenten. Onbetwijfelbare details omtrent het lot van Rosa’s harpen ben ik niet te weten gekomen. Ik laat het hierbij. “Een beetje ingewikkeld en ook wel gevoelig verhaal in de harpwereld” schreef iemand mij. Een bekend harpist weigerde ook maar één inlichting te geven.

Bevrijdingsfeest in Zwitserland 9 mei 1945, Chamby. [Hetverhalenarchief.nl], [gahetNA.nl].
Uiteindelijk gaat Rosa Spier terug naar Nederland en pakt zij haar carrière als harpiste weer op. De harp die zij in de oorlog moest achterlaten in haar huis, is door een buurman in veiligheid gebracht.
   Zoals alle mensen die een voorschot en kleding van de Nederlandse regering ontvangen, moet ook Rosa Spier dit terugbetalen na de bevrijding. Gevangenen uit Theresienstadt komen in aanmerking om vrijstelling van terugbetaling te krijgen. Wel moeten zij hiervoor zelf in bezwaar gaan en uitgebreid hun verhaal vertellen om dispensatie te krijgen.

Toen Spier na de oorlog terugkwam, was ze praktisch al haar waardevolle bezittingen kwijt, behalve de beide harpen en het schilderij van van Mastenbroek.

Dit onderzoekje laat zien dat Rosa Spier zich niet op het laatste moment ‘ergens’ verscholen heeft, maar dat met haar medewerking door een groepje lieden uit haar beroepsgroep, musici, tevens verzetslieden, communistisch georiënteerd (de partijgenoten Amende en van het Reve kwamen als bevriende gezinnen bij elkaar over de vloer), sommigen kennissen van haar, een onderduik is voorbereid (denk aan het omhoog takelen van vleugel en harp, dat in de buurt aannemelijk gemaakt moest worden), met vluchtadressen dichtbij en een ‘inlichtingenman’ bij de politie. Het liep fout door Rosa’s onvoorzichtigheid en het burengerucht dat de harpen veroorzaakten. Het lijkt er ook op dat er twee harpen gered zijn, de Wurlitzer zelfs tweemaal, eerst uit de Milletstraat, later van de schuit in de Marnixkade.
   Het liep ook wel eens gewoon goed af. Toen in Nederland de oorlog uitbrak, was de joodse CO-fluitist Hubert (spr. Hubèr) Barwahser uit Herzogenrath bij Kerkrade nog niet genaturaliseerd. Met tegenzin, maar aangespoord door een neef die in het verzet was en hoopte via hem informatie te verkrijgen, ging hij in Duitse militaire dienst. Hij deserteerde toen het hem te hachelijk werd. Onder de naam ‘Van der Meer’ dook hij onder in Zaandam, waar hij zich tot de bevrijding schuil heeft kunnen houden. Barwahser heeft dus niet in het Joodsch Symphonie Orkest gezeten! Sommige collega’s veronderstelden dus dat Barwahser in de oorlog Duitse sympathieën had. Daardoor verliep zijn terugkeer in het CO aanvankelijk moeizaam. Ten slotte werd hij gerehabiliteerd. [Biografisch Woordenboek van Nederland 1880-2000 met aanvullingen van TK].

      • Elisabeth Keesing, Rosa’s kolen en Rosa’s harp. In: Brieven aan Amsterdammers, 1995.
      • Rosa Spier, Een leven voor een harp. 1998. Film van Deborah van der Starre en Colleen Scheepers. 43 min.
      • Regina Ederveen, Weg van de harp. Biografie over harpiste Rosa Spier, 2011.

Het Wikipedia-artikel over Spier is te kort, doet haar geen recht en bevat storende onjuistheden, zoals “Rosa Spier is begraven op de begraafplaats Westerveld in Amsterdam”.

————————————————————————————

2. Peter John Koets (1901-1995).

Uit Herinneringen en ontmoetingen. Burgemeester-historicus-vrijmetselaar. G. W. Borrie.
In Utrecht leerde hij tijdens hun studietijd zijn vrouw kennen: Adriana van Oordt, arts (*10 juni 1903 in Rotterdam). Ze trouwden op 27 december 1928. In 1928-29 was hij leraar aan het lyceum te Bussum. In 1929 promoveerde hij bij zijn leermeester H. Bolkestein op het proefschrift “DEISIDAIMONIA; a contribution to the knowledge of the religious terminology in Greek”. Na zijn promotie cum laude in 1929 ging hij met zijn vrouw naar N.O.-Indië.

Uit: Interview met Peter Zonneveld op 6 nov 2009 n.a.v. Jubileum Indische Letteren.
“En de leraren waren fantastisch, vooral de leraren klassieke talen en leraren Nederlands en moderne talen. Wij hadden het voorrecht om als conrector en als leraar klassieke talen dr P. J. Koets te hebben. Ook in Nederland een bekende verschijning en iemand die, hoe moet ik het zeggen, voor mij een soort tweede vaderrol heeft vervuld. Ik zal mijn hele leven dankbaar blijven voor de lessen die we van hem hebben gehad. Hij ging daar ook met hart en ziel in op, hij deed heel veel met ons. Hij ging ook met ons mee kamperen in de bergen en nam echt aandeel in het leven van de school, onze literaire club enzo, al dergelijke dingen daar was hij ook bij betrokken. En hij deed ook veel meer met ons dat strikt genomen op het lesprogramma stond. Extra lezen van de grote klassieke schrijvers van de tragedie-schrijvers, van Tacitus en Vergilius en ons dan nog meevoeren want hij was ook een uitstekende spreker en wist ontzettend veel om ons een wegwijs maken in de sfeer van die antieke wereld.”
Zonneveld:
“Ja, ik heb die Koets ook nog heel goed gekend de laatste jaren van zijn leven.”
   HH: “Ja dat weet ik. PEEJEE.”
Zonneveld: PeeJee, en die was heel trots op jou. Die liet mij trots dezelfde foto’s zien die jij mij net hebt laten zien over die uitstapjes naar Tjipanas in de bergen.”
   HH: Ja, en naar Telaga Warna aan het meer enzo weet je wel. We hebben met hem ook dat ongeluk beleefd waar Oeroeg op gebaseerd is ... eigenlijk alles wat ik heb meegemaakt als kind en ook als tiener in die jaren ’20 en ’30, dat heeft zo’n enorme betekenis voor mij gehad, dat zit ook allemaal op de een of andere manier verwerkt in wat ik geschreven heb.” 

In 1931 sloot hij zich aan bij De Stuw-groep, een vooruitstrevende organisatie die streefde naar ontvoogding van Indië en de vorming van een democratische rechtstaat, met behoud van de banden met Nederland. Koets leerde in deze kring mensen kennen als Van Mook, Jonkman en Logeman. Toen hij naar Bandoeng verhuisde, ontmoette hij daar Ed. du Perron, een van de ‘beslissende figuren in mijn leven’, zo schreef hij later. In ieder geval was hij, direct na zijn komst in Batavia, ook zeer actief buiten zijn beroepswerkzaamheden. Hij was betrokken bij de oprichting van het progressieve tijdschrift De Fakkel, dat de politieke en culturele emancipatie van de in 1933 opgeheven De Stuw-groep vertegenwoordigde en trad spoedig ook toe tot de redactie. Hij maakte kennis met mensen als Rob Nieuwenhuys, Hugo Samkalden, J. Greshoff en Jacq. de Kadt en hij zou later op deze jaren terugzien als hoogtepunten in zijn leven.
   In 1935/1936 was hij met zijn gezin acht maanden met verlof geweest in Nederland en zij zouden in 1942 wederom aan de beurt zijn geweest, maar het liep anders! Toen het Japanse leger Nederlands-Indië bezette, verdween Koets als reserve-officier in krijgsgevangenschap; zijn vrouw en kinderen werden op Java geïnterneerd. Van 1942 tot 1944 werkte Koets aan de Birma-spoorlijn. In juni 1945 veroordeelde een Japanse krijgsraad in Bangkok hem wegens illegale activiteiten tot vijf jaar gevangenisstraf. Tot het einde van de oorlog bracht hij door in een Japanse gevangenis in Singapore. Hier werd hij in december 1945, door bemiddeling van Engelse militairen, met zijn vrouw herenigd. Op 12 mei 1995 overleed P.J., op drieënnegentigjarige leeftijd, te Oegstgeest.
G. W. B. Borrie
   Aan mevrouw C. G. van Westen-Koets en de heer D. P. Koets betuig ik mijn dank voor de biografische gegevens over hun vader, evenals aan de heer H. G. Koets voor de vele informaties over zijn stiefbroer.

 

 . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ .